U bent hier

Texture - Museum over Leie en vlas

Via de laaddeur op de eerste verdieping brachten de handelaars het vlas in en uit het verzendhuis. © Stedelijke Musea Kortrijk

 

Zeven bruggen later 

 

In oktober 2014 verwelkomt Texture, het nieuwe museum over Leie en vlas, zijn eerste bezoekers in een groot pand aan de Leie. De nieuwe start van het in 1982 opgerichte Nationaal Vlasmuseum is een feit. Kortrijk viert in de zomer van 2015 met het project De Grote Verleieding het einde van de Leiewerken, die 18 jaar geduurd hebben. De rivier en haar omgeving zijn zeven bruggen rijker en dat oogt indrukwekkend. Aan één ervan – de Noordbrug – staat de kroon op het werk, letterlijk dan, want Texture gaat schuil onder een ‘gouden’ tweede verdieping.

 
Texture vertelt over de linnen- en vlasnijverheid. Het is een verhaal met heel sterke wortels, dat getuigt van straf vak- en ondernemerschap, van gedurfde innovatie en wendbaarheid en van zichzelf voortdurend heruitvinden. In drie kamers, ingericht in een authentiek vlasverzendhuis, ontdek je de revolutionaire ontwikkeling die de vlasnijverheid in deze streek teweeg bracht. Ze staat niet los van de economische wereldconjunctuur. Dit verleden zal je verrassen. Maar de vlastoepassingen van vandaag en morgen zullen je verbazen en inspireren, want vlas gebruik je nog elke dag, vaak zonder het te weten.
 
De hergeboorte van het museum vereiste een nieuwe naam. Texture verwijst naar textiel, maar ook naar de basisstructuur van de streek van Kortrijk, geënt op haar vlasverleden. Resten van vlasroterijen zijn nog zichtbaar, schoorstenen torenen hier en daar boven weilanden of nieuwe woonwijken uit en als je goed kijkt, zie je nog overal de typische vlasschuren en laaddeuren. Texture vormt een uitnodigende poort om de streek verder te verkennen, met de Leie als leidraad.
 
 
An Vandersteene,
Schepen van Cultuur Stad Kortrijk

 


INHOUD

Texture Museum over Leie en vlas

  • Van Vlasmuseum tot Texture. Gered van het grote vergeten
  • De wonderkamer. Vlas, een alledaags mirakel
  • De Leiekamer. Het verhaal van de Golden River
  • De schatkamer. Damast en kant
  • Praktisch

 

Van Vlasmuseum tot Texture - Gered van het grote vergeten

 

 

 

De geschiedenis van Texture weerspiegelt de vlasgeschiedenis van de streek: een verhaal van ondernemingszin, werkkracht en vindingrijkheid. Meer dan een eeuw lang is de vlasbewerking het levensbloed van de streek rond Kortrijk. Honderden bedrijfjes produceren hoogwaardige vlasvezels, die voornamelijk door reusachtige industriële spinnerijen in het Verenigd Koninkrijk worden opgekocht.

 

Het vlas brengt rijkdom en werkgelegenheid naar de streek, maar als vanaf eind de jaren 1950 de kunstvezels doorbreken en de Sovjet-Unie massaal goedkoop vlas op de markt dumpt, wordt de hele sector zo goed als weggevaagd. Machines vallen stil, schuren en loodsen worden afgesloten. Veel vlassers moeten op zoek naar een andere baan. De economische omslag is enorm.

 

 

Een eigen plek

 

In 1963 merkt Bert Dewilde, een leraar aan het Sint-Jozefs-instituut in Kortrijk, dat de jongens in zijn klas zelfs niet meer weten wat vlas is. Dewilde is geboren in 1925 en heeft de hoogdagen van de sector meegemaakt. Hij vindt het ondenkbaar dat de streek het rijke verleden zomaar zou vergeten. Samen met een paar medestanders richt hij Vlasmuseum vzw op.

 

Vrijwilligers, voornamelijk oud-vlassers, speuren in de streek naar gereedschap, kledij, machines, boeken, foto’s: alles wat maar met het vlasverleden te maken heeft. Op de eerste verdieping van één van de Broeltorens organiseren ze tentoonstellingen. De collectie blijft maar groeien en wat begonnen is als een droom – de oprichting van een permanent vlasmuseum – begint vaste contouren aan te nemen. Er moet enkel nog een geschikte plek gevonden worden. Een uitgelezen kans dient zich aan als de vereniging de sloop van de vervallen Beeuwsaerthoeve in Hoog-Kortrijk weet tegen te houden en de site kan verwerven. In 1978 begint de restauratie, alweer voor een groot deel uitgevoerd door vrijwilligers.

 

In 1982 opent het Nationaal Vlasmuseum de deuren. De presentatie is opgevat als een serie scènes uit het vlassersleven, met 52 levensechte poppen die alle fases van de vlasbewerking aanschouwelijk maken. De hoofden en handen zijn gemodelleerd naar echte vlassers.

 

Het is een museum van en voor vlassers. Van, omdat ze massaal geholpen hebben met de financiering, het samenbrengen van de collectie en het restaureren van de hoeve. Voor, omdat de opstelling heel herkenbaar is voor hen. Het is een wandeling door hun jeugd. Veel vlassers komen regelmatig een kijkje nemen, en niet zelden brengen ze gasten mee. Ze willen hen de wereld tonen waarin ze zijn opgegroeid. Bij die invités horen ook wereldleiders. Vlasserszoon Roger De Clerck bezoekt eind jaren negentig het museum samen met George Bush senior, Michail Gorbatsjov en Margaret Thatcher. De Clerck, stichter van het tapijtimperium Beaulieu, is één van de belangrijkste financiers. Maar ook buiten de vlasserswereld heeft het museum succes. Het eerste jaar komen er al meteen 70.000 bezoekers, en in 1990 krijgt het in Parijs de Grote Europese Prijs voor autocartoerisme.

 

De opstelling toont hoe je de vezels uit de vlasstengel wint, vezels die vervolgens tot vlasgaren worden gesponnen. Maar het Nationale Vlasmuseum krijgt ook heel wat schenkingen die bestaan uit afgewerkte vlasproducten: tafellinnen, handwerk, kledij, kant... In 1998 is die collectie zo uitgebreid en belangrijk geworden dat op dezelfde site ten zuiden van Kortrijk het Kant- en Linnenmuseum wordt opgericht. De presentatie bouwt voort op de filosofie achter het Nationaal Vlasmuseum: een opeenvolging van taferelen toont de bezoeker tot welke producten vlasvezels zoal verwerkt worden. Er is ook een didactische tentoonstelling over kant.

 

 

Een nieuw museum

 

Het groeiende succes heeft ook een nadeel: het dagelijkse beheer is te zwaar voor een vrijwilligersvereniging. In 2000 worden de twee musea overgedragen aan de stad Kortrijk. Twee jaar later volgt de erkenning als regionaal museum. Maar in de loop van de jaren 2000 dalen de bezoekersaantallen, deels omdat er steeds minder mensen zijn die de vlasnijverheid nog persoonlijk gekend hebben. Het museum staat voor een grote uitdaging: aansluiting vinden bij het hedendaagse museumpubliek en bij de moderne vlassector. Daartoe beschikt het over twee grote troeven: een unieke collectie en het intrigerende verhaal van de vlasnijverheid.

 

De Beeuwsaerthoeve is te klein geworden en niet geschikt als modern museumgebouw. Er kan bijvoorbeeld geen adequate acclimatisering geïnstalleerd worden. Daarom wordt besloten het museum naar het hart van de stad te brengen. Een passende plek, want Kortrijk was dankzij de vlasbeurs ooit het commerciële centrum van de vlasindustrie. Het ligt bovendien aan de Leie, de rivier die een belangrijke rol heeft gespeeld in het vlasverleden van de streek.

 

Het oude pakhuis van de Linen Thread Company blijkt de ideale locatie te zijn. Het is een stevig gebouw dat vlasgeschiedenis uitademt, vlakbij het centrum gelegen, uitkijkend op de Leie. Het is in 1913 opgetrokken en is op dat moment het grootste en modernste vlasmagazijn van de stad. De twee verdiepingen zijn onderverdeeld in opslagkamers met brandvrije deuren. Het gewicht van het gebouw rust voor een deel op gietijzeren kolommen – destijds een heel courante bouwwijze. Aan de kant die uitkijkt op de Leie zit er een grote laaddeur ter hoogte van de eerste verdieping. Daar werd het vlas in- en uitgeladen.

 

Architectenbureau NoAarchitecten en Madoc, productiehuis voor tentoonstellingen en musea, werken samen met de dienst stadsplanning en -ontwikkeling een concept uit om van het pakhuis een moderne, aangename en open tentoonstellingsruimte te maken. Ze besluiten het industriële karakter van het pand te behouden en zelfs te accentueren. Dat sluit perfect aan bij het nieuwe inhoudelijke programma. De oorspronkelijke pijlers en vloeren worden blootgelegd, drempels worden weggehaald en de laaddeur op de eerste verdieping wordt hersteld. Ook de inrichting – van het museummeubilair, over de signaalkleuren tot de verlichting – heeft een industriële toets. De benedenverdieping is ingedeeld door middel van glazen wanden. Zo ontstaat een interieur dat er zeer luchtig en licht uitziet, maar dat vanwege de weerkaatsingen en de vele doorkijkjes tegelijk erg complex is. Het suggereert opnieuw de bedrijvigheid in een industrieel gebouw en sluit vormelijk goed bij de opstelling aan: een wonderkamer die je met al je zintuigen laat aanvoelen hoe bijzonder en veelzijdig de vlasplant wel is.

 

Er zijn drie compleet nieuwe elementen geïntegreerd in de architectuur van het gebouw. Ze hebben elk een functionele betekenis. Het eerste is de uitnodigende grote luifel aan de ingang, een referentie aan de grand cafés die je vroeger langs drukke lanen vond. Zo krijgt de bezoeker onderdak bij het binnen- en buitengaan. Het tweede element is de metalen trap, die alweer een industrieel karakter heeft. Halverwege iedere verdieping is er een platform waar je kan uitkijken over de tentoonstellingsruimte beneden je. Vooral op de eerste verdieping zorgt dat voor een sterk moment. De opstelling gaat er over de vlasbewerking in de Leiestreek, een verhaal van vallen en opstaan, van crisissen doorstaan en uitwegen zoeken. Vanop het platform merk je pas dat die inhoudelijke dimensie ook vormelijk tot uitdrukking is gebracht: de lage wanden die de bezoeker door de opstelling leiden, staan in een labyrintvorm opgesteld. De gouden kleur van de voorste wand verwijst naar de naam die de Britse vlasopkopers aan de Leie gaven: Golden River. Die referentie vind je ook terug in het derde en laatste nieuwe element. Het oorspronkelijke pakhuis was maar twee bouwlagen hoog. De architecten hebben daar nog een bovenverdieping aan toegevoegd, een ruimte met een merkwaardige, diagonale structuur. Aan de buitenkant is ze met goudkleurige platen bekleed: als je ze van op de straat bekijkt, lijkt ze op een gouden kroon.

 

Maar de Linen Thread Company is niet zomaar een industrieel gebouw. Het is ook verweven met de vlasgeschiedenis die het museum vertelt. Daarom hebben de ontwerpers beslist om zo veel mogelijk vlasproducten te gebruiken, van de leemplaten aan de wanden, over de linnen gordijnen en de vlasisolatie tot het linoleum op de vloer.

 

De ontwerpers hebben bij de verbouwing en de inrichting rekening gehouden met de geschiedenis én de nieuwe functie van de Linen Thread Company. Het gebouw heeft een onmiskenbaar industrieel karakter, maar tegelijk schept het de voorwaarden om de vlasgeschiedenis van de streek op een heldere manier naar voren te brengen en de collectie op haar mooist te tonen.

 


Texlab: Pigeon Service

 

Texture nodigt kunstenaars uit om werken te creëren die op de collectie of op het museumverhaal gebaseerd zijn. Familiebedrijven uit de streek helpen de concepten uit te werken. Hun kennis en vakmanschap gaat zo de confrontatie met de ideeën en inzichten van de kunstenaar aan. De weg die kunstenaar en ondernemer samen afleggen, is even belangrijk als het eindresultaat. Daarom vind je in het museum en op de website van Texture onder de titel Texlab ook filmpjes die het hele proces documenteren.

 

In de aanloop naar de opening schakelde Texture Christien Meindertsma in, een Nederlandse designer die vooral met natuurlijke materialen werkt. Tijdens haar research voor het project stootte ze op een bijzondere foto uit de Eerste Wereldoorlog: de Duitsers hadden toen alle reisduiven uit de streek ingezameld en op de eerste verdieping van de Linen Thread Company ondergebracht. Ze vreesden namelijk dat de vogels gebruikt zouden worden om gevoelige militaire informatie tot achter de frontlinie te brengen.

 

Dat beeld zorgde voor de klik: Meindertsma besloot duiven te gaan maken uit vlas. Ze ging in zee met Secrets of Linen, een onderdeel van het familiebedrijf Jos Vanneste. Tijdens hun samenwerking werd ze vooral getroffen door de lange weg – ook letterlijk – die vlas moet afleggen voor het een eindproduct wordt. Het wordt in West-Europa verbouwd, gaat dan naar bijvoorbeeld China, India of Turkije en komt uiteindelijk terug naar hier. Net zoals een duif ook altijd naar haar vertrekpunt terugkeert.

 

Met de hulp van vrijwilligers worden uiteindelijk 200 met lijnzaad gevulde duiven genaaid. Ze zijn nu overal in Texture verspreid en houden in hun camouflagekleuren – een knipoog naar hun spionageverleden – de bezoekers in de gaten.


 

DE WONDERKAMER - Vlas, een alledaags mirakel

 

 

 

In de achttiende eeuw gaf de Zweedse wetenschapper Carolus Linnaeus de vlasplant haar wetenschappelijke naam: Linum usitatissimum, wat ‘het zeer nuttige vlas’ betekent. Goed gekozen, want maar weinig gewassen hebben zo’n belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de mens.

 

Linnen is met grote voorsprong het oudste textiel. In de Dzudzuana-grot in de Kaukasus (Georgië) zijn vlasvezels gevonden van ongeveer 32.000 jaar oud, dat is meer dan 20.000 jaar voor de ontwikkeling van de landbouw. Het oudste lapje linnen komt uit Turkije en werd 9.000 jaar geleden geweven, 3.000 jaar voor mensen wollen kleren begonnen te dragen.

 

Dat hoeft niet te verwonderen, want vlas is erg geschikt voor textieltoepassingen. De vezels zijn lang, sterk en licht. Ze zijn hol binnenin en voelen daarom luchtig aan. Ze laten het lichaam ademen en isoleren goed. Dat maakt linnen zo fris in de zomer. Plinius de Oudere omschreef linnen in de eerste eeuw na Christus als ‘geweven wind’.

 

Als je ze goed verzorgt, gaan linnen kleren je hele leven mee. Hoe meer je ze wast en droogt in de zon, hoe zachter ze worden. Wit linnen zal almaar stralender wit worden. In het Engels heet het: wool may be kept to dirt, flax to silk, vrij vertaald: wol verwordt tot afval, vlas tot zijde.

 

 

Vezels en olie

 

De regio tussen Caen en Amsterdam heeft een uiterst geschikt klimaat en de gepaste bodem voor de vlasplant. België, Nederland en Frankrijk zijn zeer belangrijke teeltcentra.

 

Vlas wordt tussen 15 maart en 15 april gezaaid. In juni bloeit het heel kort, amper enkele uren. Het waas van blauwe, witte of lila bloemen boven de lichtgroene stengels is altijd een fraai gezicht. In de tweede helft van juli wordt er geoogst. Alles samen duurt de vlasteelt ongeveer honderd dagen.

 

In tegenstelling tot katoen heeft vlas geen extra irrigatie nodig, het is dus een erg milieuvriendelijke teelt. De stengel is tussen de 80 en 120 centimeter lang en wordt niet gemaaid, maar met wortel en al uit de grond getrokken – slijten, heet dat. De bedoeling is dat je zo lang mogelijke vezels overhoudt. De vezels liggen aan de buitenkant van de stengel. Ze uit de plant winnen is een complex en langdurig proces.

 

In 2014 vond 80% van de wereldwijde vezelwinning in de EU plaats. Vlasvezels zijn dus een Europees exportproduct. In andere streken – vooral in Canada – wordt ook olievlas geteeld. Dat heeft, in tegenstelling tot het vezelvlas, een sterk vertakte stengel met meer bloemen. De zaadopbrengst is ook hoger, zodat er meer lijnolie uit geperst kan worden.

 

Vlasvezels zijn erg lang en net daarom geschikt voor velerlei toepassingen. De oude Egyptenaren maakten er bijvoorbeeld touwen van en windsels voor mummies. De ontdekkingsreizigers voeren met linnen zeilen naar Amerika. Postdiensten gebruikten lange tijd vlas voor de postzakken en ook het leger was een grote afnemer: soldatenuniformen, tenten en ander materiaal waren allemaal van vlas. In oorlogstijd piekte de vlassector.

 

 

Lijnzaad, lemen en klodden

 

Maar vlas heeft nog veel meer te bieden dan alleen maar vezels. Niets van de plant gaat verloren, er bestaat niet zoiets als vlasafval.

 

Het beste lijnzaad dient als zaaigoed. Ervaren boeren herkennen het aan de omvang: hoe dikker, hoe beter, want hoe meer voedsel voor de kiem er inzit. Het verschil is ook voelbaar. In een zak met goed lijnzaad kan je je arm makkelijk tot aan de ellenboog wegduwen. Bij slecht zaad raak je met moeite tot aan de pols. Wat niet bruikbaar is als zaaigoed, wordt geperst. Dat levert lijnolie op, een basisbestanddeel van alledaagse producten als zeep, cosmetica, verf en linoleum. Lijnolie wordt ook gebruikt in onze voeding. Een goede zaak, want het zit vol omega-3 vetzuren. En zelfs de uitgeperste zaadjes worden niet weggegooid: er worden lijnkoeken en lijnschilfers van gemaakt. Die dienen als veevoer.

 

Tijdens het verwerkingsproces wordt de houtachtige stengelkern van de vlasplant in stukjes gebroken. Die houtpijpfragmenten worden lemen genoemd. De vlassers wisten zich lange tijd geen raad met dat bijproduct, tot de stoommachines hun intrede deden en de lemen als gratis brandstof konden worden ingezet. Vanaf de jaren zestig werden er ook vezelplaten van lemen gemaakt. Op dit moment dienen ze vooral als strooisel in paardenstallen.

 

Klodden of korte vlasvezels zijn niet erg in trek bij de textielindustrie. Aanvankelijk gingen ze daarom naar de touwslagerijen. Later bleek dat je er ook fijn maar heel sterk papier van kon maken, bijvoorbeeld voor sigaretten of voor boeken met hele dunne bladeren, meestal bijbels.

 

Amerikaanse dollars bestaan voor 75% uit katoenvezel en voor 25% uit vlasvezel. Je zou dus kunnen zeggen dat het materiaal textiel is in plaats van papier. Het vlas, dat de dollars stevig maar toch zijdezacht maakt, wordt geleverd door producenten uit de Leiestreek. Klodden kunnen daarnaast prima dienen als isolatiemateriaal: de holle vlasvezels zijn gevuld met stilstaande lucht, de beste isolator die we kennen. De warmte heeft vier keer meer tijd nodig om erdoorheen te komen dan bij klassiek isolatiemateriaal. Vlas is daarnaast ook een uitstekende akoestische isolator.

 

 

De toekomst

 

Composieten zijn – de naam zegt het al – samengestelde materialen. De bedoeling is dat ze de sterke punten van de verschillende onderdelen combineren of zelfs totaal nieuwe eigenschappen meekrijgen.

 

De bekendste voorbeelden zijn vezelcomposieten: vezels die omhuld en verbonden worden door hars of kunststof. Het geheel wordt gedroogd en uitgehard tot je een sterk, vormvast en licht materiaal krijgt dat uitstekend trillingen absorbeert. Carbon of koolstofvezel is algemeen bekend, maar ook vlasvezels hebben een uitstekende reputatie, vooral in de auto-industrie. Ze kunnen het gewicht aardig drukken. Met vlasvezelcomposieten kan je een wagen tot zestig kilogram lichter maken. Als alle wagens in de EU vlasvezelcomposieten aan boord zouden hebben, zou dat in 2014 alleen al 462 miljoen liter brandstof bespaard hebben. En de passagiers zouden ook veiliger en comfortabeler hebben gereisd, want composieten absorberen de impact van botsingen beter, zijn goede akoestische isolatoren en gaan trillingen tegen.

 

Vlasvezelcomposieten zijn daarnaast ook erg duurzaam, omdat vlas een hernieuwbare, natuurlijke grondstof is. Nog een heel aantrekkelijke eigenschap: de vormvrijheid. Alle patronen die je kan weven, breien, stikken of kantklossen kan je in principe gebruiken in vezelcomposieten. Ontwerpers spelen die textielstructuur overigens uit: de vlasvezels blijven vaak zichtbaar als esthetisch element.

 

Vlas heeft een geschiedenis van duizenden jaren achter zich. Iedere generatie heeft de plant geteeld, verwerkt en onderzocht en nog zijn niet alle mogelijkheden uitgeput. In laboratoria over de hele wereld werken onderzoekers en ingenieurs aan nieuwe vlascomposieten. Wie weet welke andere toepassingen er morgen bedacht worden? Na 32.000 jaar uitstekende diensten aan de mensheid blijft linum usitatissimum meer dan ooit ‘het zeer nuttige vlas’.

 


Olie en Van Eyck

 

Lijnolie is niet alleen gezond, het heeft ook voor een revolutie in de kunstwereld gezorgd. Tot de vijftiende eeuw gebruikten schilders vooral temperaverven, een mengsel van pigment, water en eierdooier. Dat levert ietwat doffe, zachte kleuren op. Temperaverf is niet transparant. Je kunt de ene verflaag onder de andere dus niet zien.

 

Olieverf, meestal op basis van pigmenten en lijnolie, heeft een heel ander karakter. De olie doet de kleuren stralen en maakt de verf doorschijnend. Bovendien heeft ze een erg lange droogtijd: van een week tot zelfs een jaar bij heel dikke verflagen. Dat geeft de schilder de tijd om de kleurovergangen precies te krijgen zoals hij ze wil, hij kan er desnoods dagenlang aan werken.

 

De Italiaanse kunstenaar en auteur Giorgio Vasari (1511-1574) schreef de uitvinding van olieverf toe aan Jan Van Eyck (1390-1441), maar dat klopt niet. Ze bestond al zeker twee eeuwen in de glorietijd van de Vlaamse schilder. Maar Van Eyck was wel de eerste die dankzij zijn vakmanschap en talent inzag hoe je de kwaliteiten van olieverf het beste kon benutten. Hij schilderde kleurvlakken bijvoorbeeld in verschillende lagen, van licht naar donker, wat ze een heel nieuwe intensiteit gaf. Die glaceer- of glacistechniek, gecombineerd met Van Eycks virtuositeit en gevoel voor detail, bracht lijnolieverf overal in Europa onder de aandacht. Honderd jaar na het Lam Gods schilderde bijna niemand nog met temperaverven.


 

DE LEIEKAMER - Het verhaal van de Golden River

 

 

 

De vlasnijverheid heeft het economische en sociale leven in de streek rond Kortrijk eeuwenlang mee vorm gegeven. Een verhaal van duizelingwekkende hoogtes, maar ook van diepe dalen.

 

 

Linnen spinnen en weven

 

Het middeleeuwse graafschap Vlaanderen dankt zijn rijkdom en uitstraling aan het weven en bewerken van wollen stoffen of laken, zo hebben we het allemaal op school geleerd. Veel minder bekend is dat vanaf de vijftiende eeuw de linnenproductie het fundament van de Vlaamse rurale economie wordt. Nochtans zal die nijverheid ruim vier eeuwen lang voor welvaart en bestaanszekerheid in onze streken zorgen. Karel V (1500-1558) drukte het zo uit: “Ik vrees niets voor Vlaanderen zolang de velden er vlas dragen, er vingeren zijn om het te spinnen en armen om het te weven. De Vlamingen zullen altijd rijk zijn, zolang men de duimen van hun spinsters niet af en houwt.”

 

De linnenproductie heeft geen grote centra. Ze is verspreid over heel Vlaanderen, over duizenden boerderijen. In de zomer werken de boerengezinnen op het land. In de winter spinnen de vrouwen garen van vlasvezels en weven de mannen het linnen. Doorgaans wordt dat in de plaatselijke handelscentra aan de man gebracht. In veel Vlaamse steden vind je nog altijd een Vlas- of een Lijnwaadmarkt. Met dat inkomen, naast de opbrengst van hun oogsten, kunnen de Vlaamse boeren in relatieve welstand leven. Hun linnen is erg gewild in Europa en verovert geleidelijk aan ook de rest van de wereld.

 

De welvaart die het linnen met zich meebrengt, schept ook problemen. De bevolking neemt constant toe, terwijl het landbouwareaal min of meer gelijk blijft. Iedere generatie krimpen de boerderijen, tot het punt bereikt wordt dat veel boerengezinnen niet langer kunnen leven van het voedsel dat ze zelf telen. Ze worden afhankelijk van hun linneninkomsten om te overleven.

 

Tot het begin van de negentiende eeuw blijft het systeem draaien, maar dan volgt heel snel de ineenstorting. Britse fabrieken overspoelen de markt met goedkope stoffen. De Vlaamse thuisweverij kan simpelweg niet concurreren met die industriële productiemethodes. Het dieptepunt volgt in de jaren 1845 en 1846. De oogsten mislukken twee jaar na elkaar en er ontstaat grote hongersnood. Overal in Vlaanderen breken tyfus- en cholera-epidemieën uit. 

 

Rond 1850 wordt er nauwelijks nog linnen geweven en verkocht.

 

 

Tot in de vezels

 

De kleine Vlaamse boeren moeten op zoek naar andere inkomstenbronnen. Centen om te investeren hebben ze nauwelijks, hun werkkracht en vaardigheden zijn hun voornaamste kapitaal. De boerenbedrijfjes in de Leievallei gaan zich daarom toeleggen op wat ze al kennen: de vlasbewerking. Het grote verschil met vroeger is dat ze niet langer zelf het vlas spinnen en weven. Van het oude linnenproductieproces houden ze enkel het roten, brakelen en zwingelen over: de bewerkingen waarmee je de vezels aan de vlasstengel onttrekt. Sommige boeren telen nog zelf hun vlas, maar er worden ook grote hoeveelheden geïmporteerd.

 

Vlasvezels worden dus het eindproduct. De boeren verkopen ze aan grote industriële spinnerijen, die ze verwerken tot linnengaren. Het is overigens geen toeval dat die nijverheid in de streek rond Kortrijk zo’n hoge vlucht neemt: je kan er roten in de Leie. Dat levert blekere vezels op, een grote troef als je zo wit mogelijk linnen wil weven.

 

Tijdens het rootseizoen, van mei tot oktober, heerst er een grote bedrijvigheid langs de oevers van de Leie. Arbeiders vullen grote bakken met vlas en laten die afglijden in de rivier – in de volksmond heten die bakken ‘hekkens’. Zodra de lading geroot is, wordt het vlas langs de oever te drogen gezet in duizenden kapelletjes. Leieroten levert het beste vlas van de wereld op. Daardoor ontstaan allerlei mythes over de kwaliteit van het water, maar meer dan mythes zijn dat niet. De doorslaggevende factor is de vlasser zelf: zijn ervaring, inzicht en harde werk maken het verschil. Het is bijvoorbeeld een hele kunst om het vlas net diep genoeg ondergedompeld te houden, of om te beoordelen wanneer het klaar is om uit de Leie gehaald te worden. Je hebt er veel ervaring en een goed oog voor nodig. Een verkeerde beslissing kan de dure partij vlas helemaal verknoeien.

 

Als het vlas droog is, gaat het voor verdere verwerking naar één van de honderden vlasbedrijfjes annex boerderijen in de streek. Het meeste werk wordt er met de hand gedaan.

 

Brakelen gebeurt met een zogenaamde rolbraak: je schuift het vlas tussen cilinders die je met een handzwengel aandrijft. De druk breekt de houtachtige binnenstengel in stukjes. De vlassers ontwerpen zelf een speciaal werktuig voor het zwingelen: de stermolen, een rad met spanen erop gemonteerd. Je hoeft alleen maar het rad aan het draaien te brengen en het vlas voor de spanen te houden. Die slaan de lemen tussen de vezels uit. Aanvankelijk heb je twee man nodig om de zwingelmolen te bedienen: een om het wiel in beweging te houden en een voor het eigenlijke zwingelen. Later komen er versies met een tredplank die door één man kunnen bediend worden. Maar de grootste verbetering vindt rond 1870 plaats: het toestel krijgt twee pedalen voor de aandrijving, net zoals een fiets. Die versie heet de Vlaamse stermolen. Met die al bij al heel eenvoudige werktuigen, allemaal met spierkracht aangedreven, worden enorme hoeveelheden vlas verwerkt. In 1913 gaat het bijvoorbeeld om 120 miljoen kilogram.

 


Hoe spin je garen uit een plant?

 

Vlasvezels zijn uitermate geschikt voor textieltoepassingen, maar ze losmaken van de vlasstengel is geen simpele zaak. De kern van de vlasstengel is een holle, houtachtige pijp, ook wel leem genoemd. Aan de buitenkant van die pijp zitten 30 tot 40 vezelbundels vastgekleefd. De kunst is om die vezels ongeschonden en in hun volle lengte vrij te krijgen. De belangrijkste stappen in dat proces zijn roten, brakelen en zwingelen.

 

Roten komt erop neer dat de vezels van de houtpijp worden losgeweekt: bacteriën lossen de pectine op, de natuurlijke lijm die ze bij elkaar houdt. Er bestaan verschillende rootmethoden, maar ze hebben allemaal gemeenschappelijk dat het vlas vochtig en warm moet worden gehouden, zodat de bacteriën hun werk kunnen doen. Timing is erg belangrijk: het rootproces te vroeg of te laat stopzetten, kan de hele lading vlas waardeloos maken.

 

Als de pectine opgelost is, hou je nog altijd een min of meer intacte vlasstengel over. De opdracht is nu de vezels van de houtachtige kern te scheiden zonder ze te beschadigen. De eerste stap in dat proces heet brakelen: de houtpijp wordt in kleine stukjes gebroken.

 

Na het brakelen krijg je een bundel vezels met de houtachtige fragmentjes of leempjes er nog in verstrengeld. Die moeten nu verwijderd worden. Vlassers doen dat door ze letterlijk tussen de vezels uit te slaan, een bewerking die zwingelen heet.

 

Na het zwingelen volgt het hekelen: met een kam door het vlas gaan, om te korte vezels en oneffenheden te verwijderen. De overblijvende vezels liggen nu netjes in dezelfde richting. Het vlas is klaar om gesponnen te worden.


 

 

De Britten komen

 

Na het roten, braken en zwingelen, hou je pure vlasvezels van hoge kwaliteit over. Die zijn erg in trek, vooral bij de gigantische spinnerijen die tijdens de industriële revolutie in Noord-Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn ontstaan.

 

De Britse inkopers gaan op prospectie in Vlaanderen. In het begin beperken ze zich tot de vlasstreek rond Sint-Niklaas omdat die het dichtst bij de haven van Antwerpen ligt, maar in 1829 duiken ze voor het eerst ook op de Kortrijkse vlasmarkt op. Ze hebben meteen een voorkeur voor het vlas dat in de Leie geroot is.

 

De vlasopkopers en vertegenwoordigers van de Britse spinnerijen vestigen zich in Kortrijk, maar beseffen al snel dat ze nooit hun weg zullen vinden in de plaatselijke vlaswereld. Ze kennen de taal niet en er zijn gewoonweg te veel bedrijfjes. Daardoor kan er een nieuw circuit van tussenhandelaars ontstaan. Zij selecteren en kopen het vlas op bij de producenten, brengen het samen en verkopen het weer door aan de Britten in Kortrijk. Alle vlas uit de streek passeert dus in de stad. Het wordt er opgeslagen in pakhuizen en dan verzonden naar het Verenigd Koninkrijk.

 

De tussenhandelaars worden in de streek ‘botenkopers’ genoemd. De naam is afkomstig van het Franse botte, een vlasmaat. De inkopers krijgen de naam ‘verzenders’, omdat ze de vlasvezels naar hun eindbestemming verzenden.

 

Vanzelfsprekend hebben de Britten sporen achtergelaten in Kortrijk. Met het vele geld dat ze aan de vlashandel verdienen, laten ze grote, prestigieuze panden optrekken. Sommige daarvan bepalen nog altijd het straatbeeld, zoals The White Residence aan het President Rooseveltplein. Ze introduceren ook hun favoriete sporten in de streek: voetbal en tennis.

 

Nog iets dat ze hebben nagelaten: de term Golden River, hun naam voor de Leie. Volgens sommigen slaat die golden op de flonkering van de zon in de rivier, volgens anderen op de specifieke, goudgele kleur van geroot Leievlas, maar de werkelijkheid is iets prozaïscher: de Britten verwijzen er vooral mee naar de fortuinen die ze aan de vlashandel overhouden.

 

 

Stille revolutie

 

Op het platteland voltrekt zich rond de eeuwwisseling een stille revolutie. Het wordt mogelijk verschillende stermolens tegelijk aan te drijven met stoom of elektriciteit. Sommige vlassers kunnen zich zo’n installatie veroorloven, anderen niet. Dat leidt tot schaalvergroting en er ontstaat een systeem van bazen en arbeiders. De vlassector ruilt de hoeves in voor kleine fabriekjes, die zwingelarijen worden genoemd.

 

De vlasbewerking zorgt tientallen jaren lang voor jobs en welstand in de streek, maar net doordat alles zo vlot loopt, is er weinig behoefte aan innovatie. Op de werkvloer heerst er bovendien weerstand tegen technologische vernieuwingen. Deels uit angst voor de eigen job, deels uit vrees dat die nieuwlichterij de kwaliteit van het vlas zal aantasten, terwijl dat net de grote troef van de Leiestreek is.

 

De zware economische crisis van de jaren 1930 maakt dat sluimerende gebrek aan innovatie plots acuut. De vlassector blijft wel gespaard van de grootste uitwassen, maar de vlassers worden toch met de neus op de feiten gedrukt: ze zien in dat ze hun concurrentiepositie moeten versterken, en dat kan alleen maar als ze hun productieproces rationaliseren en mechaniseren.

 

Veel ingenieurs en uitvinders hebben bijgedragen tot de modernisering van de vlassector. Clovis Leterme en Bobby Soenens, bijvoorbeeld, behoren tot de grote namen. Maar de hoofdrolspelers zijn toch de gebroeders Constant en Jozef Vansteenkiste uit Wevelgem. Uit hun bedrijf zal later weefmachinefabriek Picanol ontstaan. Constant is de bedenker, Jozef, tien jaar jonger, de technicus die de ideeën van zijn broer uitwerkt. Samen staan ze aan de wieg van de twee belangrijkste vernieuwingen: het warmwaterroten en de zwingelturbine.

 

Warmwaterroten houdt in dat je het vlas in betonnen rootputten opstapelt, waar je vervolgens water van rond de 32 graden door laat stromen. De rootmethode levert vlasvezels op met dezelfde hoge kwaliteit als de Leieroot, maar je boekt wel tijdswinst; het proces verloopt aanzienlijk sneller en het werk is minder zwaar. Bovendien ben je met zo’n betonnen bak niet gebonden aan de seizoenen. Je kan het hele jaar door roten. Dankzij het warmwaterroten hoeven vlasbedrijfjes zich ook niet per se meer dicht bij de Leie te vestigen. Alleen maar voordelen dus. Leieroten wordt verboden in 1943, maar op dat moment heeft het warmwaterroten allang de overhand genomen.

 

Werktuigen als de stermolens werden al een tijdje mechanisch aangedreven, maar toch is de zwingelturbine de eerste echte vlasbewerkingsmachine. Ze brakelt en zwingelt het vlas bijna volledig automatisch. Bij de latere generaties moeten de arbeiders alleen nog de halmen in de machine voeden en de vlasvezels er weer uithalen. De zwingelturbine werkt ongeveer vijf keer sneller dan de mechanisch aangedreven zwingelarijen. En met veel minder arbeiders.

 

In de Leiekamer van Texture kan je een unieke zwingelturbine van de gebroeders Vansteenkiste bekijken, een indrukwekkende machine die dateert uit 1937. Vanwege de grote historische en symbolische waarde staat ze op de topstukkenlijst van de Vlaamse overheid.

 

De mechanisering luidt een nieuwe bloeiperiode in voor de Leievallei. Vooral tijdens de Koreaanse oorlog (1950-1953) doen de vlassers gouden zaken. Linnen wordt in die tijd nog gebruikt voor legeruniformen, tenten en ander militair materiaal. Ze kunnen het vlas niet snel genoeg aanslepen, en het geld stroomt binnen. Eén kilogram vlasvezels is ongeveer één vierkante meter bouwgrond waard. Kortrijk is het centrum van de vlasbeurs. Ook de banken profiteren mee van de bloeiperiode. Het is de periode waarin zowat iedereen in het vlas werkt, rechtstreeks of onrechtstreeks.

 

De meeste vlassers rekenen erop dat de vraag hoog zal blijven en kopen hun vlas duur in. Een foute inschatting. Vanaf 1958 levert de Sovjet-Unie vlasvezels tegen dumpingprijzen en bovendien breken de kunststofvezels helemaal door. Frankrijk, een belangrijk afzetland voor de Belgische vlassers, schermt zijn markt af. Veel bedrijfjes blijven zitten met hun te duur ingekocht vlas en gaan failliet.

 

 

Een nieuw begin

 

De vlascrisis vanaf eind jaren vijftig had heel goed de genadeslag kunnen betekenen voor het bedrijfsleven in de streek van Kortrijk. In de plaats daarvan wordt ze het startpunt van een nieuw verhaal.

 

Sommige bedrijfjes hebben een goedgevulde spaarpot overgehouden aan de Koreaanse oorlog en beproeven hun geluk in andere sectoren. Ze beschikken over enkele belangrijke troeven. Hun achtergrond in het vlas – een sector met hoogtes en laagtes – heeft hen geleerd dat ze zich niet uit hun lood mogen laten slaan door tegenvallers en dat ze bereid moeten zijn af en toe risico’s te nemen. Ze weten ook allemaal wat hard werken is en ze kunnen profiteren van het internationale handelsnetwerk dat in de Leiestreek is gegroeid.

 

Die bedrijfjes starten als kmo’s met een familiale structuur, net zoals de vlasfabriekjes waaruit ze gegroeid zijn. Ze blijven ook op dezelfde plek produceren, ingekapseld in het stedelijk weefsel en nabij woonkernen. Sommige groeien dankzij hard werk, een neus voor ondernemerschap en een dosis geluk uit tot multinationals met duizenden personeelsleden.

 

Je ziet ook vaak dat ze een sector kiezen die toch nog min of meer aanleunt bij hun vlasverleden: tapijten, veevoeder (aanvankelijk op basis van lijnkoeken) en spaanplaten op basis van lemen. Er zijn er zelfs die champignons beginnen te kweken in de oude vlasschuren. Aan die ongewoon grote economische bedrijvigheid heeft de streek rond Kortrijk zijn naam ‘Texas van Vlaanderen’ te danken.

 

Het bekendste succesverhaal is misschien wel dat van Beaulieu, het tapijtenimperium van Roger De Clerck (1925-2015). De Clerck, ook bekend als ‘Boer Clerck’, neemt de vlasboerderij van zijn ouders over, maar wordt door de crisis van de jaren vijftig gedwongen naar andere inkomsten uit te kijken. Hij besluit zijn kans te wagen in de textielsector.

 

Op zijn vijfendertigste koopt hij twee weefgetouwen en zet er zelfstandige wevers mee aan het werk. Ze maken vooral meubelbekledingsstoffen. De grote doorbraak komt er als De Clerck zich in 1962 op de tapijtenmarkt stort. Zijn strategie is eenvoudig en blijft zijn hele carrière lang dezelfde: zo goedkoop mogelijk produceren en de hele keten – van grondstof tot afgewerkt product – zelf in handen proberen te krijgen. Als hij eind jaren tachtig zijn imperium onder zijn kinderen verdeelt, behoren elk van de zes bedrijven die ze erven tot de top-25 van de internationale tapijtindustrie.

 

Nog zo'n onwaarschijnlijk succesverhaal is Unilin, in 1960 in Ooigem opgericht door 40 vlassersbazen. De naam is een samentrekking van union de lin, vlasunie. Het bedrijf maakt aanvankelijk spaanderplaten op basis van lemen, een bijproduct van de vlasindustrie. Er is op dat moment een grote vraag naar goedkope bouwmaterialen. Vanaf 1967 schakelen ze over op houtspaanders. Die leveren betere platen op en bovendien zijn er simpelweg niet genoeg lemen voorhanden. Nog wat later begint het bedrijf te diversifiëren, dakelementen zijn de eerste nieuwe producten. Eind jaren 1980 komt er een nieuwe grote sprong voorwaarts: Unilin introduceert onder de merknaam Quick Step laminaatvloeren. In 2005 beslissen de aandeelhouders om Unilin te verkopen aan de Amerikaanse beursgenoteerde groep Mohawk, voor een monsterbedrag van 2,2 miljard euro. 

 

Overigens is ook de vlassector zelf nog altijd levend en wel: de streek telt zowat 50 florerende vlasbedrijven.

 


Texlab: Een vleugje verleden

 

Tijdens de hoogdagen van de vlasnijverheid baadde de hele Leiestreek in de typische weeë, zurige geur van rotend vlas. Zelfs nu, bijna zestig jaar later, kunnen mensen zich nog perfect herinneren hoe dat rook. Het geeft een idee hoe beklijvend het aroma van de rootputten moet zijn geweest.

 

Texture vroeg geurkunstenaar Peter De Cupere om die geur opnieuw tot leven te wekken. Geen eenvoudige zaak, zo bleek al snel. Gelukkig kon de kunstenaar terecht bij ondernemer Stefaan Mommerency uit Ingelmunster. Zijn vlasbedrijf beschikt over rootputten en het is één van de weinige plekken in de regio waar je de rootlucht nog kan opsnuiven.

 

De samenwerking van De Cupere en Mommerency heeft ondertussen de eerste geurcreatie opgeleverd, die is samengesteld op basis van stalen, beschrijvingen en geuranalyses en goed bevonden door een panel van ervaringsdeskundigen. De geur van het verleden wordt nu voor altijd bewaard in het museum.


 

DE SCHATKAMER - Damast en kant

 

 

 

Binnenin de ‘gouden kroon’ – de tweede verdieping van Texture – ligt de Schatkamer, een sfeervolle, donkere presentatieruimte. Hier toont het museum zijn uitgelezen collectie linnen damasten en kantwerk, de oogst van eeuwen vakmanschap en vindingrijkheid. Het meest begeerde en prestigieuze tafellinnen was eeuwenlang damast. In Kortrijk kon je de allerbeste kwaliteit kopen, maar alleen als je geld had. Veel geld.

 

 

Glansprestatie

 

Damastweven is in het Midden-Oosten ontstaan. De naam is afgeleid van Damascus, de hoofdstad van het huidige Syrië. De techniek maakt het mogelijk om een tekening in de stof te weven in dezelfde kleur als de achtergrond. De lichtinval bepaalt hoe duidelijk je ze ziet. De oorspronkelijke damasten werden met zijde geweven, maar dat verandert als de techniek in de vijftiende eeuw naar Europa overwaait.

 

Kortrijk beschikt in die tijd over uiterst bekwame wevers, die een goede naam hebben als het op hoogwaardig textiel aankomt. Ze beginnen te experimenteren met de damasttechniek en vervangen de zijde door linnengaren. Dat kan heel fijn gesponnen worden en het heeft ook een mooie glans.

 

In 1496 wordt in de stad de nering van Sint-Catharina opgericht, de eerste beroepsvereniging van damastwevers. De damastproductie is een stedelijk fenomeen, in tegenstelling tot de linnennijverheid, die je hoofdzakelijk op het platteland vindt. Ze neemt al snel een hoge vlucht. In Kortrijk en Menen ontwikkelen zich gespecialiseerde markten en het Kortrijkse bestuur neemt zelf de kwaliteitscontrole op zich. Fouten in bijvoorbeeld het dessin worden genadeloos afgestraft. Het stuk wordt in tweeën geknipt zodat het niet meer verhandeld kan worden.

 

Het hoogwaardige Kortrijkse damast krijgt snel internationale uitstraling. In de laatste decennia van de zestiende eeuw gaan veel damastwevers op de loop voor de godsdiensttroebelen, maar nadien, als het weer wat rustiger wordt in Vlaanderen, krijgt de damastweverij een nieuw elan. Opnieuw wordt Kortrijk de onbetwiste damasthoofdstad van Europa. Koningen en prinsen bestellen luxueus tafellinnen, naar aanleiding van grote gebeurtenissen als een huwelijk, een overwinning of een jachtdiner, allemaal met gepersonaliseerde versieringen.

 

De Kortrijkse ambachtslui zijn erg onderlegd en slagen erin zowat alle mogelijke onderwerpen in hun damasten te weven: van geometrische patronen over bloemmotieven en wapenschilden tot historische en mythologische taferelen. Hier en daar weven de Kortrijkzanen hun wapenschild in de doeken: een visitekaartje.

 

Het overbrengen van de tekening op het weefgetouw is een tijdrovend en precies werkje. Om tijd te besparen worden patronen vrij smal ontworpen en herhaald. Vaak worden bepaalde onderdelen gekopieerd. Je ziet bijvoorbeeld hetzelfde gebouw nu eens met een kruis op de toren, dan weer met een sikkel.

 

Een goed voorbeeld zijn de damasten tafellakens en servetten die de stad Kortrijk schenkt aan aartshertogen Albrecht en Isabella bij hun Blijde Inkomst op 2 februari 1600. Het cadeau kost de burgers 2.497,5 pond parisis. Muntwaardes omrekenen is een gevaarlijke zaak, maar ongeveer 275.000 euro zou geen slechte gok zijn – de prijs van een huis voor een collectie tafellinnen. Nog een ander cijfer om de waarde van de damasten in perspectief te zetten: het jaarinkomen van de stad lag in die tijd op 73.600 pond parisis. Eén dertigste daarvan werd dus aan dat ene cadeau besteed. Mooi detail: door het slechte weer had men het linnen nog niet kunnen bleken. Albrecht en Isabella zouden hun geschenk uiteindelijk maar rond Pasen ontvangen.

 

De Kortrijkse damastnijverheid is, met hoogtes en laagtes, eeuwenlang blijven bestaan, naast damastcentra in Ierland, Schotland, Zweden en het Duitse rijk. Ze overleeft zelfs de introductie van machinaal geweven damasten in het begin van de negentiende eeuw. Bij de producenten die het langst actief waren, horen onder meer De Witte Lietaer, La Flandre en Oosterlynck-Servais. Daardoor heeft de stad ook de belangrijkste verzameling wit linnen damasten van België: meer dan 500 historische stukken. De meeste werden in 1920 door verzamelaar baron Joseph de Bethune bij legaat aan het museum voor Oudheidkunde en Sierkunsten geschonken en behoren nu tot de collectie van Texture. Jammer genoeg liep een deel ervan schroeischade op tijdens een museumbrand in 1944.

 


Passchier Lammertijn, een Kortrijkse wever in Haarlem

 

De godsdiensttroebelen van het einde van de zestiende eeuw brengen in de Zuidelijke Nederlanden een massale emigratiegolf op gang. Het grootste deel van de vluchtelingen trekt naar het noorden, naar de Hollandse en Zeeuwse handelssteden. De Kortrijkse damastwever Passchier Lammertijn is één van hen. Hij vestigt zich in Haarlem, samen met ongeveer 20.000 lotgenoten. De stad telt op dat moment amper 20.000 oorspronkelijke Haarlemmenaars en verdubbelt dus in korte tijd haar inwonersaantal. Dat Lammertijn voor Haarlem kiest, hoeft niet te verbazen: de Haarlemse linnenblekerijen hebben nauwe contacten met Kortrijk. Wit linnen staat voor hygiëne en netheid. Hoe witter je het damast krijgt, hoe meer het gewaardeerd wordt op de markt. Bleken gebeurt buiten. Lange stukken weefsel worden ontrold vastgepind langs aangelegde grachten en steeds opnieuw bevochtigd. Het drogen in de zon levert een blekere kleur op. In Haarlem voegen ze karnemelk toe aan het spoelwater: dat werkt als extra bleekmiddel. In de Zuidelijke Nederlanden is deze praktijk verboden, vandaar dat de wevers hun linnen naar Haarlem sturen.

 

Maar omgekeerd is ook Haarlem op zoek naar kapitaalkrachtige nieuwe burgers. De stad heeft erg te lijden gehad onder de Spaanse belegering en is in 1576 getroffen door een zware brand, die zowat een derde van de stad in de as heeft gelegd. Met Passchier Lammertijn hebben ze een grote vis binnengehaald. Hij is handelaar en de beste damastwever van de Lage Landen. Er wordt gezegd dat hij ‘alles wat met de pen geschreven kan worden’ in damast kan weven. Hij voert de techniek in Haarlem in en neemt er zelfs een octrooi op. Dankzij de invoer van kennis, patronen en weefgetouwen uit Kortrijk ontwikkelt Haarlem zich in de loop van de zeventiende eeuw tot een aanzienlijk damastcentrum met zowat zeventig wevers.


 

 

Texlab: Tafelgeesten

 

“Op een dag werd ik gebeld door Ilse Dedeken van weverij Verilin: of ik geen zin had voor Texture een damasten tafellaken te ontwerpen?” Kunstenaar en acteur Wim Opbrouck moest geen twee keer nadenken: “Ik teken graag en ik ben verliefd op de gedekte tafel.” Verilin werd opgericht in 1956. Het is een Kortrijks familiebedrijf dat gespecialiseerd is in de productie van hoogwaardig linnen, ook op maat. Wim Opbrouck is dan weer aan moederskant verwant met de bekende vlasfamilie Decavele, woont in een omgebouwde vlasloods en heeft een oude rootput in de tuin. Een samenwerking met veel vlasgeschiedenis dus.

 

“Alles wat ik doe is vertellen,” zegt Opbrouck, “of het nu film is, of toneel, of tekenen. En een tafel is natuurlijk ook dé plek waar verteld wordt: je deelt dingen, je maakt ruzie, je lacht… Daarom heb ik gekozen om tekeningen van hoofden in de stof te laten weven. En de damasttechniek voegt daar nog iets aan toe: je ziet de tekeningen, maar je ziet ze ook niet. Het licht moet juist vallen. Kaarslicht is het mooiste. Dat geeft die hoofden mythische proporties. Voor een verhalenverteller en acteur die zeer romantisch is aangelegd, is dat een cadeau.”

 

Verilin produceerde 82 genummerde stuks van het tafellaken voor de heropening van Texture. Het aantal verwijst naar 1982, het jaar dat het Vlasmuseum zijn eerste bezoekers ontving. De tafellakens waren in een mum van tijd uitverkocht; enkel servetten zijn nog voorhanden.

 

 

Kant, een witte draad van 600 jaar

 

Kant is waarschijnlijk ontstaan op het eind van de vijftiende eeuw. De vroegste voorstelling van een kanten kraagje vinden we op het schilderij De Madonna van Jacob Floreins van Hans Memling uit 1490.

 

Rond die tijd verandert de mode. Het onderlinnen wordt zichtbaar onder de bovenkleding, met name aan de hals en het uiteinde van de mouwen. Die zichtbare gedeeltes worden algauw opgesierd met strookjes geborduurd en bewerkt linnen. Naaisters proberen de versieringen zo transparant mogelijk te maken en uit die zoektocht naar luchtigheid ontstaat uiteindelijk kant. De naam verwijst overigens naar de plaats waar de versieringsstrook wordt toegepast: de rand of kant van de kleding.

 

Er zijn twee methodes om kant te vervaardigen: met klossen en met de naald. En al lijken die technieken verschillend, de resultaten zijn erg gelijkend. Op foto’s of afbeeldingen kan je het verschil nauwelijks zien.

 

Kant is meer dan waarschijnlijk gelijktijdig op twee plekken ontstaan: Vlaanderen en Noord-Italië. De culturele en economische verknooptheid van Vlaanderen en Noord-Italië leidt tot aanzienlijke wederzijdse beïnvloeding. Tot het midden van de zeventiende eeuw blijft de kantproductie vooral een zaak van Vlaanderen en Noord-Italië, maar in de jaren 1660 weet Colbert, minister van financiën van Lodewijk XIV, een Franse kantindustrie uit de grond te stampen. Hij laat Italiaanse en Vlaamse kantwerkers overkomen om hun technieken aan te leren aan Franse collega's. De Italiaanse kant gaat ten onder aan de concurrentie, de Vlaamse blijft bestaan. Vanaf de achttiende eeuw ontstaan er in verschillende steden kantsoorten met duidelijke eigen stijlkenmerken: kant uit Mechelen, Brussel, Binche… wordt een begrip.

 

De kantindustrie is voor een groot deel op uitbuiting gebaseerd. Kantklossters werken in loondienst voor tussenpersonen, die het garen en de patronen leveren en de afgewerkte stukken afnemen. Duizenden meisjes en vrouwen zitten dag in, dag uit over hun kloskussen gebogen. Als er niet genoeg daglicht is, werken ze door met een straaltje kaarslicht, dat via een ordinaal (een met water gevulde fles) hun kantwerk verlicht. Soms moeten ze in vochtige kelderruimtes klossen, zodat de vlassen kantdraden niet droog worden en afbreken. Wezen en meisjes uit de armenscholen worden ook ingezet om de productie op te drijven. Kinderarbeid, dus. Frankrijk is een grote invoerder van Vlaamse kant. Vaak is die gesmokkeld, zodat allerlei reglementeringen ontweken kunnen worden.

 

In 1789 telt Kortrijk 2.200 kantwerksters. Dit cijfer loopt nog op tot 3.621 in 1846 (17% van de Kortrijkse bevolking) en 3.200 in het jaar 1855. Maar hun lonen zijn onwaarschijnlijk laag: slechts 0,3 fr. per dag in 1860. De machines hebben het werk overgenomen.

 

De invoering van het Jacquardsysteem vanaf 1830 maakt het mogelijk om elke kantsoort mechanisch na te bootsen. De eerste machines vervaardigen mechanische tule waarop bloemen geappliqueerd worden. De kant als huisnijverheid gaat achteruit ten voordele van kantwerkplaatsen of ateliers. Kortrijk telt een 20-tal kantproducenten en -handelaars. Euphrosine Pringiers bijvoorbeeld heeft een kantfabriekje in de Kapittelstraat. Ze ontwerpt een speciale soort kant bestaande uit zijde, vermengd met goud- en zilverdraad. Tijdens de wereldtentoonstelling in 1849 in Gent behaalt ze met haar Valencienne- en blonde kant een bronzen medaille eerste klasse.

 


Drie zussen en een fabriekje

 

Dokter Octave Delplanque en zijn echtgenote Flore worden in 1905 de trotse eigenaars van een statig pand aan de Broelkaai 6 in Kortrijk. Maar het noodlot slaat toe. In 1908 sterft de dokter en moet Flore, intussen mama van een drie maanden oude zoon Karel, zelf voor een inkomen zorgen. Samen met haar zussen Elise en Marguerite richt ze een mechanisch kantatelier op in de burgemeester Tayaertstraat, bereikbaar vanuit haar tuin. Op de gevel staat: Fabrique de Filet Mécanique. Karel Delplanque blijft in het huis wonen, treedt in het huwelijk en krijgt 11 kinderen. De familie verlaat het huis in 1955.


 

 

VLASDYNAMIEK

 

De afgelegde weg van Vlasmuseum naar Texture loopt niet ten einde. De uitbating van een eigentijds museum vergt grote inspanningen. De presentatie voor het publiek is immers niet de enige bekommernis. Ook collectiebeheer, publieksactiviteiten, communicatie, workshops, educatieve werking en bedrijfsvoering stellen hoge eisen aan de medewerkers.

 

Gelukkig is vlas een dankbaar thema. Het is verrassend veelzijdig en hypermodern, denk maar aan design met composieten of aan vlasvezels verwerkt in auto’s en vliegtuigen. Vlas komt aan bod in de huidige sectoren landbouw, textiel, architectuur, productontwikkeling en kunst, om maar enkele domeinen te noemen.

 

Tegelijkertijd is de vlasvezel grondig met de geschiedenis van de streek rond Kortrijk verweven. De liefde voor vlas blijft hier voelbaar, zeker maar niet enkel bij kinderen en kleinkinderen van vlassers. Ze beperkt zich ook helemaal niet tot Vlaanderen. Studies over het vlasverleden brengen je bijvoorbeeld naar Japan, waar Wevelgemnaar Constant Huybrecht in 1889 naartoe reisde om er de vlasteelt aan te leren. Of naar Argentinië, waar Jules, de broer van de bekende Kortrijkse ondernemer Baldwin Steverlynck in 1927 een vlasfabriek stichtte.

 

Als Kortrijk inzet op Texture als stedelijk museum over Leie en vlas, dan gebeurt dat met een brede blik op de wereld en met aandacht voor verleden, heden en toekomst.

 


 

Praktisch

Texture | Museum over Leie en Vlas

Noordstraat 28

8500 Kortrijk

 

Info en reservaties: 

www.texturekortrijk.be

texture@kortrijk.be

T +32 56 27 74 70

 

Openingstijden:

mei – september: di tot zo van 10u – 18u gesloten op maandag

oktober – april: di tot zo van 10u – 17u gesloten op maandag en op 24, 25, 31/12 en 01/01

 

Toegankelijkheid

Texture is volledig toegankelijk voor rolstoelgebruikers

 

Tickets

€ 6

€ 4: 65+, studenten, groepen vanaf 15 personen, andere pashouders

gratis: kinderen tot en met 12 jaar

€ 60: gids

 

Publieksaanbod

Texture heeft een gevarieerd aanbod voor volwassenen en kinderen: Rondleidingen voor jong en oud door gidsen, op maat van de groep.

Dagarrangementen combineren het museumbezoek met een stadswandeling, bedrijfsbezoek of initiatie kantklossen

Educatieve pakketten, verjaardagsfeestjes en vakantieateliers voor jongeren en kinderen

Gezinsparcours Op stap met Staf Stekel

 

Museumshop met onder meer damast en linnen

 

Kantatelier Texture

Is de thuisbasis van het Kortrijks Kantatelier dat jaarcursussen en workshops aanbiedt voor jong en oud. Het kantatelier focust zich hierbij zowel op klassieke als hedendaagse kant en kanttechniek.

 

Kaffee Damast

Een gezellige museumbistro met een voorliefde voor streekproducten.

 

Bereikbaarheid

Texture behoort tot de wandelzone Leieboorden, aangeduid met blauwe wegwijzers.

Met de fiets vlot en veilig bereikbaar via de Leie.

Het station van Kortrijk ligt op 15 minuten wandelafstand.

Parkeerplaats voor autobussen voorzien in de Gasstraat.

Regelmatige busverbindingen tussen het station en de halte Meensepoort (1 zone).

Kortrijk ligt op een knooppunt van de autowegen E17 en E403. Volg R8 richting Meensepoort.


AUTEURS


Wim Heyvaert (°1965) studeerde psychologie en Germaanse filologie aan de KU Leuven. Hij begon zijn carrière als journalist en werkte van midden jaren 1990 tot 2011 bij Humo - eerst als eindredacteur, later als adjunct-hoofdredacteur. In 2012 startte hij samen met Humo-collega Geert Jansen een redactiebureau dat zich specialiseert in teksten en research voor musea en bezoekerscentra. Texture deed een beroep op hem voor de teksten van de nieuwe museumopstelling.

 

Lies Buyse (°1984) studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Gent en cultuurmanagement aan de Universiteit van Antwerpen. Na korte Werkopdrachten in Brussel en Gent startte ze in 2008 als conservator van het toenmalig Nationaal Vlas-, Kant- en Linnenmuseum van Kortrijk. Daar specialiseerde ze zich in de geschiedenis van de vlasnijverheid en het gebruik van afgewerkte producten van vlas in het dagelijks leven. Ze zette haar schouders onder het veelzijdig overgangstraject van Vlasmuseum naar Texture. Het nieuwe museum opende de deuren op 4 oktober 2014.

 

Sylvie De Coster (°1981) studeerde moderne geschiedenis gevolgd door een advanced master in cultures & development studies aan de KU Leuven. Ze werkte nadien als projectcoördinator mee aan internationale tentoonstellingen zoals Beaufort, Triënnale voor hedendaagse kunst (2006 en 2009) of 27x27x27 / Agorafolly in het kader van het festival EUROPALIA Europa (2007). In 2010 ging ze aan de slag bij de Stedelijke Musea Kortrijk als wetenschappelijk medewerker in het Broelmuseum. Vandaag is ze conservator van Texture, museum over Leie en vlas.

 

Greet Verschatse (°1958) volgde moderne geschiedenis aan de KULAK en de KU Leuven en daarna culturele antropologie, eveneens in Leuven. Ze trad in 1985 in dienst van de stad Kortrijk met opdrachten in de bibliotheek, de infodienst en het stadsarchief. In 1993 startte ze bij de Stedelijke Musea als wetenschappelijk medewerker. Ze specialiseerde zich in de geschiedenis van Kortrijk met o.m. de Guldensporenslag en Kortrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Ze legde zich ook toe op educatieve projecten en publiekswerking. Sinds 2013 werkt ze voor Texture.


 

Meer lezen?