U bent hier

Steengoed Raeren - De Tupperware van de middeleeuwen

Steengoed Raeren - De Tupperware van de middeleeuwen

 

Eeuwenlang was het steengoed uit Raeren een populair massaproduct. Noem het zonder schroom de Tupperware van de middeleeuwen.

 

Niet alle keramiek is steengoed

 

Steengoed is aardewerk dat op hoge temperatuur gebakken wordt. Bij meer dan 1.200 graden, en mits toevoeging van een fikse greep zout, wordt het uiterst stevig, haast onbreekbaar, waterdicht en zuurbestendig. Een ideaal stuk huisraad. Men trof het overal aan: in de kroeg, bij de chirurgijn, thuis op tafel, in de voorraadkelder en zelfs onder het bed. Dus: steengoed is wel degelijk een steengoed product. En dat van Raeren was tot ver in het buitenland zeer gegeerd.

 

Om het te produceren heeft men klei van uitmuntende kwaliteit nodig en die trof men aan in het Rijnland en in het Westerwald. De meest westelijk gelegen vindplaats was Raeren, helemaal in het oosten van ons land, zowat halfweg tussen Eupen en Aken.

 

In het Töpfereimuseum (pottenbakkerijmuseum) van Raeren wordt het boeiend verhaal van het plaatselijk aardewerk helemaal uit de doeken gedaan. Het museum is ondergebracht in een romantisch kasteeltje waarvan de oudste gedeelten teruggaan tot de veertiende eeuw. Het dorp zelf is heerlijk landelijk, een amalgaam van kleine gehuchten in een glooiende groene uitloper van de Eifel. Druk is het er zeker niet. In de zestiende eeuw, op het hoogtepunt van de productie van steengoed moet dat anders geweest zijn.

 

 

Een dorp van pottenbakkers

 

Zowat heel het dorpsleven stond in het teken van het pottenbakken. Een derde van de bevolking was bezig met het produceren van aardewerk, anderen stonden in voor transport en distributie; nog anderen waren bezig met het opgraven van de klei, het kappen van hout om de ovens te stoken en andere toeleveringsactiviteiten. In de winter werd de klei gedolven en behandeld. Traditioneel begon de productie op 17 maart, feestdag van de heilige Gertrudis, patroonheilige van de pottenbakkers. De stukken werden op wiel gedraaid, een uitvergrote versie van de pottenbakkersschijf. Dan gingen ze de ovens in, en dat waren behoorlijke bouwsels: tien meter lang, drie meter breed en twee meter hoog. Daar pasten meer dan tweeduizend kannen en kruiken in. Het stapelen gebeurde uiterst nauwkeurig en nam een week in beslag. Het bakken zelf duurde ook een volle week, dag en nacht. Heel de omgeving lichtte ervan op. Het resultaat was een kwaliteitsproduct dat uiterst streng gekeurd werd. Stukken die niet voldeden gingen onverbiddelijk de grond in. En dat waren er heel wat; voor de hedendaagse archeologie een zegen en een nachtmerrie tegelijk.

 

Het grote distributiecentrum was Keulen. Daar ontmoetten de pottenbakkers uit Raeren hun collega’s en concurrenten uit het Rijnland, uit het nabijgelegen Frechen en uit Siegburg. Er werd kennis uitgewisseld en schaamteloos met de ogen gestolen. Dat merk je vooral aan de decoratie. De vroegste kruiken uit Raeren waren hoofdzakelijk voorzien van ingegrifte motieven, een tijdrovende ingreep met eerder beperkte mogelijkheden. Hun Duitse concurrenten waren ondertussen al overgestapt op een meer verfijnde techniek: het aanbrengen van reliëfmotieven, plaatjes en schilden in een hardere klei, gevormd in een mal en op de natte klei gekleefd. Raeren volgde weldra en dat werd de algemeen geldende techniek in de zestiende eeuw. Later ging met een stapje verder door de buik van de kruik te verbreden tot een soort erker. Zo ontstond een ideaal veld voor het aanbrengen van een fries. De meest uiteenlopende voorstellingen kwamen aan bod: bijbelse taferelen, mythologische verhalen, reeksen portretten van heersers, volkse uitbeeldingen met als grote favoriet de boerendans. Iedereen kon ermee leven dat de boer boertig werd voorgesteld en de pastoor worstelend met het zesde gebod. Het was een succesformule.

 

In de loop van de zeventiende eeuw verandert het klimaat. De oorlogsomstandigheden doen de distributie stokken. Van dan af gaat het bergaf, ondanks een korte heropleving dankzij beschermingsmaatregelen van keizerin Maria-Theresia. De inval van de Fransen geeft het Raerens steengoed de doodsteek, al duurt het nog tot 1850 voor de laatste oven dicht gaat.

 

En daar komt de romantiek. Verzamelaars beginnen belangstelling te tonen voor het verdwenen product. Toonaangevend is hierin de verzamelaar Laurenz Heinrich Hetjens (1830-1906) uit Düsseldorf, maar hij is lang niet alleen om de kwaliteit van het Raerense steengoed te onderkennen.

 

De Raerense heimatdichter Hubert Schiffer (1851-1923) bezingt in een gedicht de roem van zijn dorp; hij begint zelfs de oude populaire kruiken te reproduceren. Het resultaat wordt geapprecieerd en in de vakliteratuur gepubliceerd, maar de verkoop valt tegen wegens te duur. Al vlug geeft ook hij er de brui aan.

 

 

Een museum in Europees perspectief

 

Het wordt dan een hele tijd stil rond het Raerens steengoed. Plaatselijk wordt er nochtans geijverd om het patrimonium de nodige erkenning te geven. Het zijn verzamelaars en oudheidkundigen die de belangstelling levendig houden: zij houden de bouwactiviteiten en de markt goed in de gaten. Een van hen laat zijn invloed in de plaatselijke politiek gelden en zorgt ervoor dat de gemeente het kasteel aankoopt. Keer op keer komen sporen van de vroegere activiteit aan het licht, zo ook bij het opruimen van de kasteelgracht: een prachtige renaissancekruik, een pronkstuk van het museum. Dat opent eindelijk zijn deuren in 1963. Het is meteen een schot in de roos. Schenkingen en aankopen zorgen in de loop van de jaren voor een gestage aangroei van de collectie, die als zeer representatief mag bestempeld worden. Bijgevolg aarzelen eerbiedwaardige instellingen zoals het Hetjensmuseum van Düsseldorf en de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis van Brussel niet om topstukken aan het Töpfereimuseum in bruikleen te geven.

 

In 2002 wordt de opstelling opgefrist. De hoofdbetrachting blijft een coherent beeld te geven van de pottenbakkersactiviteit in Raeren, geïllustreerd met een zo breed mogelijk aanbod aan stukken uit de diverse periodes. Variatie is troef, zelfs waar je het niet zou verwachten: bij de gebruikskeramiek. Het gaat van het eenvoudig oliepitje of de drinknap uit de middeleeuwen tot de mooiste voorbeelden van versierde renaissancekruiken. Baardmankruiken zijn uiteraard ook goed vertegenwoordigd. Dit alles wordt getoetst aan voorbeelden uit de andere Rijnlandse productiecentra.

 

In een hoektoren staat een bevreemdende zuil, wellicht het meest fascinerende stuk van de collectie. Duizenden scherven vormen een chaotische, maar compacte toren van aardewerk. Graszoden op de top maken het opzet duidelijk. Dit is de inhoud van een afvalkuil met afgekeurd aardewerk, zoals de archeologen ze veelvuldig aantreffen.

 

Soms loop je letterlijk over de verrassingen: een glimmende keramiekvloer, bestaande uit honderden Krätzchen: schijfjes die in de oven tussen de potten gelegd werden om te beletten dat die aan elkaar zouden bakken. Na afloop dienden zij tot niets meer en werden daarom vaak als vloerbekleding aangewend, een zinvolle en decoratieve recycling.

 

Het Töpfereimuseum kijkt niet enkel achterom; het heeft ook een hedendaags luik. Pottenbakkerij is niet louter geschiedenis of folklore. Dat wordt jaarlijks bewezen door het uitreiken van de Euregio-keramiekprijs. Aanleiding hiertoe is de Euregio-keramiekmarkt die dit jaar op 12 en 13 september plaatsvindt en al aan zijn eenentwintigste uitgave toe is. Meer dan zestig stands toveren de omgeving van het museum om tot een groot openluchtmuseum van de keramiek. Deelname is niet evident, want de selectiecriteria zijn zeer streng. Geen gebrek aan gegadigden: de deelnemers komen uit heel Europa. Het werk van de laureaten wordt in het museum tentoongesteld en niet zelden worden er stukken voor de eigen collectie aangekocht.

 

Anderzijds wordt de verbondenheid met de vroegere concurrenten levendig gehouden door het project Rheinische Keramiek. Naast het Töpfereimuseum Raeren, stellen het Keramikon Frechen, het Töpfereimuseum Langerwehe, het Keramikmuseum Westerwald en het Stadtmuseum Siegburg gezamenlijk het Rijnlands aardewerk centraal in hun collecties (in het Duits heet dat Schwerpunktthema), met als bijkomende interessepunten: het aardewerk uit het Neder-Rijngebied en hedendaagse keramiek.

 

Hieruit blijkt dat het Töpfereimuseum van Raeren, in de meer dan vijftig jaar van zijn bestaan, het plaatselijk steengoed als een cultuurhistorisch gegeven op de kaart heeft gezet, het collectief geheugen heeft wakker geschud. Raeren en het pottenbakken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De tijden zijn wel veranderd. In het verleden was Raeren de plek van waaruit Europa bediend werd met degelijk aardewerk, vandaag zorgen pottenbakkers uit binnen- en buitenland voor een omgekeerde beweging. 

 

Rik Sauwen

 


 

INFO

 

Töpfereimuseum Raeren

Open: van dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17 uur– Gesloten: maandag 

Burgstraße 103

4730 Raeren

T 087 85 09 03

www.toepfereimuseum.org

 

 

Archief

De mens en de keramiek: OKV, 1977/5

Kasteel van Gaasbeek: OKV, 1994, 1

Volkskunst en volkskundemusea: OKV 1984, nr. 2

www.tento.be

 


 

Rik Sauwen

Rik Sauwen (°1945), licentiaat Romaanse Filologie (KU Leuven) met een lijvige scriptie over het Dadaïsme in België; vandaar een blijvende belangstelling voor de avant-gardebewegingen van het interbellum. Hij was tot 2000 als producer verbonden aan de dienst Kunstzaken (later Departement Cultuur) van de Openbare Omroep waar hij onder meer verantwoordelijk was voor de kunstmagazines ‘Kunstzaken’, ‘Stijl’, ‘Tekens’ en 'Over Kunst'. Hij is auteur van kunstboeken over José Vermeersch, Hélène Riedel, Chantal Grard, Simonne De Visscher, Piet Peere, evenals een studie over Kunstenaars aan de Westkust 1830 -1975. Hij is meer dan vijftien jaar lid van de Raad van Bestuur van Openbaar Kunstbezit Vlaanderen geweest; nu lid van de Algemene Vergadering en sinds ruim twintig jaar van het redactieteam. In 2013 publiceerde hij een historisch overzicht van Vijftig Jaar Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.