U bent hier

Power Flower - Bloemstilleven in de Nederlanden

Power Flower - Bloemstilleven in de Nederlanden
Joris Hoefnagel, Bloemenvaas – Vriendschapsminiatuur opgedragen aan Johannes Radermacher, 1589, perkament, 11,8 x 16,3 cm, Middelburg, Zeeuws Museum – Foto: Ivo Wennekes.

 

Het Gulden Cabinet is de luxueuze kunstkamer die het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en het Rockoxhuis hebben ingericht. In de vijfde focusexpo, Power Flower, wordt de ontwikkeling van het bloemstilleven in de Nederlanden vanaf het einde van de zestiende eeuw tot 1800 belicht.

 

Meer dan de bloem

Joris Hoefnagel (1542-1600) is een opmerkelijke kunstenaar, en een buitenbeentje. De schildering van planten en dieren zou er zonder zijn inbreng beslist anders uitgezien hebben. De biografische gegevens waarover we beschikken doen uitschijnen dat hij een eigenwijs man  was. Hij kwam uit een Antwerpse familie van welstellende handelaars met connecties tot in de hogere kringen. De prille Hoefnagel kreeg een humanistische opvoeding en studeerde aan de universiteiten van Orléans en Bourges. Maar als kunstenaar was hij een rasechte autodidact die zich niet aansloot bij het gilde. Hij blijkt overigens over meerdere talenten te beschikken. Naast een begenadigde linguïst die poëzie schrijft, beheerst hij ook meerdere instrumenten. Hoefnagel is een kunstenaar-zakenman die zo’n beetje overal in Europa komt. Hij verblijft enkele jaren in Spanje, onder andere in Sevilla, maar is ook in Londen te vinden. Samen met de cartograaf Abraham Ortelius (1527-1598) is hij in 1575 op weg naar Italië. Hij schetst bergen in de buurt van Napels die later een plaatsje krijgen in Georg Brauns en Frans Hogenbergs atlas Civitates orbis Terrarum. Tussen 1591 en 1594 is Hoefnagel in de keizerlijke stad Frankurt.

 

Hij moet er in contact gekomen zijn met de plantkundige Carolus Clusius (1526-1609) die, net zoals Hoefnagel, aan de wieg van het bloemstilleven staat. Clusius’ expertise kan een grote hulp geweest zijn, onder meer voor het werk dat Hoefnagel voor Rudolf II, met wie hij steevast in één adem wordt genoemd, vervaardigt. De smaak van de keizer van het Heilig Roomse Rijk, met hof in Praag, is een beslissende factor in het verloop van de natuurschildering. Zijn hof is een werk- en ontmoetingsplaats voor kunstenaars en de meest revolutionaire geleerden uit die tijd. Rudolf heeft een enorme interesse in de wereld, verzamelt al wat hij kan krijgen op het vlak van naturalia: mineralen, schelpen, fossielen, dieren. Zijn verzameling evoceerde de wereld in het klein: een microkosmos als voorafspiegeling van de macrokosmos. Daarnaast houdt hij ook dieren op het keizerlijke domein, in de diepe gracht langs het kasteel, of in de leeuwenburcht. Maar er waren ook het vogelhof, de fazantentuin, de hondentuin en de volière. Hij collectioneerde enkele van de opmerkelijkste vogelsoorten – dood of levend - zoals de uitgestorven dodo uit Mauritius, twee helmkasuarissen uit Azië en paradijsvogels uit Nieuw-Guinea. De keizer gaf de opdracht aan zijn kunstenaars om zijn collecties te schilderen, onder wie Hoefnagels zoon, Jacob.

 

Koopman en wijnhandelaar Johan Radermacher (1538-1617) kreeg van Hoefnagel een aquarel in een houten doosje. In het midden van de compositie staat een vaasje met een prominente roos. Hoefnagel sloofde zich uit om de delicate vorm en de textuur van de roos te vatten. Rond de bloem is allerlei bijwerk verzameld. Opvallend is het vliegend hert, een beeltenis die terug te leiden is tot de grote roerganger van de dierstudie, Albrecht Dürer (1471-1528). Vertaald luidt het Latijnse devies bovenaan: ‘Vriendschap is meer dan de bloem die slechts in volle bloei bekoorlijk is’. De geschilderde roos blijft inderdaad ‘eeuwig’ bestaan, een teken van de vriendschap tussen Radermacher en de kunstenaar. In 1593 krijgt ook zijn compagnon de route, Ortelius, een gelijkaardig geschenk. De naturalistische insteek van Hoefnagels miniaturistische kunst had een impact op de bloemschilderkunst. Hij verluchtte verschillende codexen en ventileert hierin zijn encyclopedische kennis over de natuurlijke wereld. Bloemstukken zijn meer dan enkel maar portretten van bloemen, ze worden vaak vergezeld van insecten, slakken, schelpen, reptielen en andere wezens. Het zijn stillevens of opgeluisterde kalligrafische folio’s die niet doods zijn maar sprankelen van het leven. Die artistieke keuze zal vooral in de volgende eeuw opgepikt worden.

 

Bloemen in vazen

Clusius superviseert vanaf 1593 de Hortus Botanicus aan de universiteit van Leiden en kweekt er als eerste tulpen. In de daaropvolgende eeuw ontstaat bij onze noorderburen een tulpomanie. Ze zijn dan ook niet weg te denken in bloemstillevens. Maar Clusius’ invloed gaat verder. In Leiden inspireert hij waarschijnlijk Jacques de Gheyn II (1565-1629) die bloemen in een vaas begint te schilderen. Zo’n schilderij van De Gheyn wordt aan Rudolf II verkocht en het sneeuwbaleffect gaat verder. Roelant Savery (1576-1639), hofschilder van de keizer, volgt de nieuwe mode, waarna ook Jan Brueghel I (1568-1625), in 1604 aanwezig aan het Praagse hof, zich toelegt op bloemenvazen. Het verkoopsucces en de hoge bedragen die daarmee gepaard gaan brengen schilders op het idee om zich te specialiseren in het nieuwe subgenre.

 

Brueghel is zo’n specialist die met zijn grote bloemenvazen de toeschouwer wil overdonderen. Het zijn boeketten met een waanzinnig aantal soorten bloemen die op verschillende tijdstippen bloeien. Vele zijn naar levend model geschilderd, maar voor sommige doet hij een beroep op prentuitgaves, zoals Florilegium van Adriaen Collaert uit 1590. Net zoals bij Hoefnagel gonst het van het leven rond de bloemen.

 

Fleurige vlinders complementeren de bloemenpracht. De vlinderkundige komt aan zijn trekken bij het zien van verschillende soorten witjes zoals het oranjetipje, blauwtjes, kleine en grote vos, atalanta, parelmoervlinders, of bontgekleurde nachtvlinders. Zelfs de nederige vlieg krijgt, zoals bij Ambrosius Bosschaert I (1573-1621), een plaatsje nabij de obligate tulp, iris, roos, vergeet-mij-nietje, een takje rozemarijn en andere bloemen en planten.

 

Variabel model

Het compositorische format van de bloemenvazen wijzigt tijdens de zeventiende eeuw: vazen tegen een neutrale achtergrond, in een nis, met een gordijntje, of in een vensterraam met panoramisch uitzicht. Kijk voor dat laatste scenario naar de Bosschaert in het Mauritshuis in Den Haag. Of er worden figuren toegevoegd. Met name in het werk van de schilderende jezuïet Daniël Seghers (1590-1661) duiken guirlandes en festoenen op die als een frame rond figuren, al dan niet in niches of in medaillons, worden gedrapeerd. De devotionele scènes laat Seghers graag aan anderen over. Gelijkaardig maar veel exuberanter zijn Brueghels luisterrijke bloemenguirlandes. Ook hij laat figuren door anderen, zoals Rubens, schilderen. Planten, bloemen, groenten en fruit krijgen het gezelschap van vele levende wezens. Brueghel pronkt met zijn kennis en kunde.

 

Aanvankelijk zijn bloemstukken frontaal belicht, maar later opteert men voor meer licht-donker contrasten. Bij Seghers zien we vanaf 1630 een levendige schildering van bloemen in natuurlijk ogende arrangementen. Zijn bloemen lichten op tegen de donkere achtergrond en hebben een sculpturaal karakter. Ook collega’s, zoals Jan Davidsz. de Heem (1606-1684), verkiezen een organische schikking en assymetrische composities, waarin bloemen minder secuur gecomponeerd zijn en waarbij niet elke bloem perfect zichtbaar hoeft te zijn. De Heems Bloemen en insecten bestaat uit bloemen en vruchten die op een basisguirlande van klimop zijn vastgezet. Mieren lopen af en aan. Een krekel houdt zich verborgen en een waterjuffer zit op een koekoeksbloem. Verder spotten we onder andere een kruisspin, harige vlinderrupsen, een grote groene sabelsprinkhaan, een klein koolwitje en een atalanta. Er mag dan wel sprake zijn van evolutie, in bloemstillevens gaat het altijd om naturalistische details. Ze prikkelen onze zintuigen en ons intellect. Schilders deden goede zaken met het vereeuwigen van lucratieve en vergankelijke bloemen.

 

Matthias Depoorter

 


INFO

 

Tentoonstelling

Power Flower - Bloemstillevens in de Nederlanden

Van 28 november 2015 tot 27 maart 2016

Open: van dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17 uur

Gesloten: maandag

 

Rockoxhuis

Keizerstraat 10-12

2000 Antwerpen

T 03 201 92 50

www.rockoxhuis.be

 

ARCHIEF

Brueghel, de Fluwelen, Bloemen in een vaas: OKV, 1964, 17

Nicolaas Rockox, burgemeester van de Gouden Eeuw: OKV, 2011, nr. 1, blz. 20-25

www.tento.be


 

Runners Alliance

Matthias Depoorter

Matthias Depoorter (1980) is schrijver en kunsthistoricus. Hij schrijft boeken, essays, kunstkritieken en columns voor diverse instellingen en tijdschriften, o.a. voor Knack, Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, Staalkaart en Collect. Depoorter schreef bezoekersgidsen voor het Hospitaalmuseum en het Gruuthusemuseum in Brugge. Van 2011 tot 2018 werkte hij voor de Vlaamse Kunstcollectie (VKC) en was hij VKC-verantwoordelijke van de Summer Course for the Study of the Arts in Flanders. In 2018 vervoegde Depoorter het Museum voor Schone Kunsten Gent (MSK). Hij was assistent-curator en assistent-projectcoördinator van de tentoonstelling Van Eyck. Een optische revolutie (2020) en coördinator van het gelijknamige boek. Daarnaast cureerde hij de collectiepresentatie Gaspar de Crayer en Gent. Onlosmakelijk verbonden (MSK, 2018). Depoorter voert onder andere onderzoek naar natuur en natuurfenomenen in de kunst van de vijftiende tot en met de zeventiende eeuw. In 2015 publiceerde hij het boek Vliegwerk. Vogels in de kunst. Foto: Dirk De Cubber