U bent hier

Portretten van bekende schilders uit de Lage Landen

 

In het themanummer over en bij de tentoonstelling Van Eyck, een optische revolutie (OKV 2020, nr. 1) staat een portret van Hubert van Eyck dat geplukt is uit het boekje Pictorum aliquot celebrium Germaniae Inferioris effigies, dat verscheen in 1572. Het gebeurt wel vaker dat wie op zoek is naar een afbeelding van bijvoorbeeld de gebroeders Van Eyck, van Rogier van der Weyden of Pieter Bruegel teruggrijpt naar deze bundel met 23 gegraveerde portretten van bekende schilders uit de Lage Landen. Elk portret is begeleid door een gedicht in het Latijn over de kunstenaar en zijn kunst, geschreven door Dominicus Lampsonius (1532-1599), een humanist uit Brugge die in Luik werkte als secretaris van drie openvolgende prins-bisschoppen.

 

Het boekje is nu voor het eerst volledig in het Nederlands en in het Latijn verschenen bij uitgeverij Polis. De vertaling is van classicus Paul Claes en Leen Huet schreef de commentaren bij elk van de portretten. Lezers van OKV kennen Leen Huet van de themanummers over Rogier van der Weyden en Jan van Eyck. Ze is ook de auteur van de artikels over de Vlaamse Meesters in Situ die in elk nummer worden voorgesteld. De inleiding bij deze Polis-uitgave schetst het verhaal achter Portretten van bekende schilders uit de Lage Landen. Het boekje is uitgegeven door Volcxken Dieriicx, de weduwe van Hiernonymus Cock, die in 1570 was overleden. Beiden hadden sinds de jaren 1550 in Antwerpen uitgeverij In de Vier Winden uitgebouwd. De onderneming specialiseerde zich in een nieuw medium, de grafiek. Cock bestelde ontwerpen bij jonge kunstenaars en nam de beste graveurs in dienst. Het publiek in de winkel kreeg een brede kijk op de wereld: landkaarten en landschappen, portretten van beroemde mensen, afbeeldingen van gebouwen en kunstwerken, scènes uit de mythologie en de geschiedenis.

 

Omstreeks 1560 had Cock het idee een overzicht te maken van de schilderkunst uit de Lage Landen. Er was het voorbeeld van schilder Giorgio Vasari die in 1550 in Firenze Le Vite had gepubliceerd, een boek met meer dan honderd biografieën van Italiaanse kunstenaars uit de veertiende, vijftiende en zestiende eeuw. Dat was een dikke turf zonder illustraties. Cock wou het helemaal anders doen. Hij koos voor de kracht van het beeld, de kracht van de grafiek.

 

Het moet heel wat moeite en tijd hebben gekost om betrouwbare afbeeldingen te vinden van de oude meesters die in het overzicht zijn opgenomen. Maar hoe betrouwbaar zijn de portretten? Bij die van Hubert en Jan van Eyck worden grote vraagtekens geplaatst want, zo schrijft Leen Huet in haar commentaar, de graveur baseerde zich op de vermeende zelfportretten van de broers in het paneel met de Rechtvaardige Rechters van het Lam Gods. Bij Pieter Bruegel is te lezen dat het nog onduidelijk is wat de bron is voor dit portret. Een kandidaat is een figuur die is afgebeeld op de triptiek van Viglius d’Aytta (Sint-Baafskathedraal, Gent), geschilderd door Frans Pourbus in 1571. Het blijft een hele opgave te achterhalen op welke afbeeldingen de gravures zijn gebaseerd, want vaak gaat het om verloren gegane werken.

 

Nagenoeg alle portretten hebben een neutraal gearceerde achtergrond, bij enkele is een kleine symbolische verwijzing toegevoegd. Het meest opvallend is Jan Vermeyen (1500-1559), die als ‘beeldverslaggever’ meereisde met keizer Karel V tijdens diens veldtocht naar Tunis. De gravure is allicht gebaseerd op een verdwenen zelfportret van Vermeyen met als levendige achtergrond een gezicht op Tunis.

 

Welke kunstenaars graveerden de prenten? Acht dragen het monogram van Johannes Wierix, een van de productiefste graveurs van zijn tijd, die ook veel voor Christoffel Plantijn heeft gewerkt. In het gedicht bij Patinir vermeldt Lampsonius dat Cornelis Cort de gravure maakte. Op basis van stijlverwantschap zijn vier andere afbeeldingen aan hem toegeschreven. Cort was een uitmuntend graveur in dienst van Hieronymus Cock.

 

De portretten zijn chronologisch gerangschikt en tekenen het beeld van een organische ontwikkeling van de kunst in de Lage Landen. De gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en Dirk Bouts vertegenwoordigen de vernieuwende meesters van de vijftiende eeuw. Bernard van Orley is geselecteerd omdat hij de topontwerper van wandtapijten was. Bosch en Breugel mochten uiteraard niet ontbreken, evenmin als Joachim Patinir en Henri met de Bles, de uitvinders van het landschap. Dan volgen de meesters die zich lieten inspireren door de Italiaanse kunst, zoals Gossaert, Scorel en Floris, en de intellectuele schilders Pieter Coecke en Lambert Lombard. Willem Key vertegenwoordigt de portretschilderkunst. Lucas van Leyden was een genie van de vroege grafiek. Het boekje is de oer-canon van de kunstgeschiedenis van de Lage Landen en toont ook schilders die vandaag nagenoeg vergeten zijn of van wie weinig of geen werk is bewaard gebleven.

 

Mark Vanvaeck

Meer lezen?