U bent hier

Het ontstaan van de Gruuthusecollectie - In 1865 kwamen in Brugge ‘eenige kunstminnaren’ bijeen

Het ontstaan van de Gruuthusecollectie
Floris Van Acker, Affiche voor de Exposition d’Art Ancien in het Gruuthusemuseum, 1905 Collectie Prentenkabinet Musea Brugge.

 

Het Gruuthusemuseum in Brugge is op dit ogenblik gesloten voor restauratiewerken. Het stadspaleis van Lodewijk van Gruuthuse is een bouwwerf, de rijke collectie vertoeft in de museumdepots. Een selectie van de vroegste collectiestukken is momenteel te zien in het Gezellemuseum in de tentoonstelling Passé Composé. Het ontstaan van de Gruuthusecollectie. Ze laat kennismaken met de oprichters van het museum en hun drijfveren.

 

 

Identiteit en inspiratie

 

Aanleiding voor de tentoonstelling is een verjaardag. In 2015 is het 150 jaar geleden dat in Brugge de Société Archéologique de Bruges (of: het Oudheidkundig Genootschap van Brugge) werd opgericht. Op 23 maart 1865 zetten twaalf heren hun handtekening onder de statuten van de nieuwe vereniging. Hun streven: oudheidkundige en kunstvoorwerpen opsporen en verzamelen en deze bewaren in een openbaar museum. De heren zetten er vaart achter. Op 6 mei 1866 opent het museum de deuren in de thesaurie van het Belfort. Kort voor de Eerste Wereldoorlog verhuist de inmiddels flink aangegroeide collectie naar het door de stad aangekochte Gruuthusepaleis. In 1955 draagt de vereniging haar collectie officieel over aan de stad.

 

De oprichting van een dergelijke vereniging is geen unicum in het negentiende-eeuwse België. Vooral in de tweede helft van die eeuw worden in heel wat steden en gemeenten oudheidkundige kringen opgericht. Dat voltrekt zich tegen een achtergrond van het zoeken naar een eigen identiteit en het voeden van de trots voor eigen stad en land (België is nog jong in die dagen). De leden wilden het verleden op een systematische manier bestuderen aan de hand van de oudheden (materiële resten van het verleden) die ze verzamelden. Hoe meer kennis men had over het verleden van het jonge België en de eigen stad, hoe trotser de inwoners zouden zijn.

 

Maar ook het stimuleren van kunsten en ambachten noemen sommige verenigingen expliciet als doel. Zo ook de Société Archéologique de Bruges. In een terugblik op het tienjarige bestaan zegt Adolf Duclos dat de marsrichting van het Genootschap is geweest: “étaler l’enseignement des siècles devant les yeux des ouvriers et des artistes, et conserver tout ce qui se rapporte à l’histoire de notre ville et à l’histoire des arts et des métiers. (…) Les collections … servent à répandre la science archéologique, à former le goût et à empêcher que de regrettables actes de vandalisme ne se commettent dans la suite. ”

 

De ‘actes de vandalisme’ die de Société Archéologique wil voorkomen, situeren zich niet enkel op het vlak van het roerend erfgoed. Zij zet zich eveneens volop in voor het onroerend erfgoed in Brugge. Om nogmaals Duclos aan te halen: het bestuur van de Société “a secondé de son mieux le goût renaissant depuis quelques années de notre ancienne architecture brugeoise.” Dit doet men onder andere door felicitatiebrieven te sturen naar inwoners die hun huis restaureren. Het bestuur aarzelt niet om de hoogste gezagsdragers aan te spreken. Zo stuurt men brieven naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en de koning om te pleiten voor het gebruik van de ‘oude Brugse stijl’ voor belangrijke nieuwbouwprojecten in de stad. Liefst worden deze bouwwerken uitgevoerd door een Brugse architect want “wie zou beter in state zijn van de eischen onzer kunst te verstaan en hare grondstelsels toe te passen, dan zij die in zulke kunstrijke stad geboren zijn, die dagelijks omringd zijn van zulke schoone werken onzer vaderlandsche kunst, en die om zoo zeggen doordrongen worden van den geest die ze heeft voortgebracht,” zo schrijft men in een ook in de lokale pers gepubliceerde brief over de bouw van de Normaalschool (1878).

 

 

Met de steun van

 

De twaalf stichters van de Société Archéologique zijn mannen met een grote culturele bagage. Velen zijn doordrongen zijn van het neogotische gedachtengoed. James Weale (1832-1917) bijvoorbeeld, één van de belangrijkste stichters van de Société. Hij richtte enkele jaren eerder samen met enkele vrienden de Gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas op, een internationale vereniging voor “l’étude des antiquités chrétiennes et pour la propagation des vrais principes de l’art chrétien.” Eén van die vrienden was Jean-Baptiste de Bethune, de gangmaker van de neogotiek in België. Een familielid van hem, Felix de Bethune (1824-1909), is medeoprichter van de Société. Hij is docent ‘christelijke archeologie’ aan het Grootseminarie in Brugge. Andere stichters die de neogotiek genegen zijn, zijn priester-dichter Guido Gezelle (1830-1899), architect Karel Verschelde (1842-1881), de kunstenaars Henri Dobbelaere en William Brangwyn (1837-1907).

 

Van in het begin zoekt de Société steun bij de verschillende overheden. In de statuten wordt ingeschreven dat de gouverneur van West-Vlaanderen, de bisschop en de burgemeester van Brugge erevoorzitter worden. Vanaf de jaren 1870 kan de vereniging rekenen op subsidies van stad, provincie en nationale overheid. Regelmatig sturen deze overheden ook objecten naar het museum van de Société. Soms gebeurt dat op (hevig) aandringen van het genootschap. Zo wordt het provinciebestuur regelmatig aan de mouw getrokken om archeologische vondsten die bij bouwwerken boven komen niet naar het museum in Brussel (‘le Musée centralisateur’) te sturen maar naar het museum van de Société. De relatie met het stadsbestuur is het nauwst (er treden overigens ook gemeenteraadsleden en schepenen tot de vereniging toe).
Naast subsidies en objecten heeft het stadsbestuur de Société en haar collectie ook onderdak verschaft, eerst in het Belfort en de Hallen, later in Gruuthuse.

 

 

De start van een verzameling

 

De eerste objecten worden geschonken door leden van het Genootschap. Al gauw vinden ook particulieren de weg. Getuige hiervan de tentoonstelling met oudheidkundige voorwerpen die de Société in 1867 organiseert. Van de 346 tentoongestelde voorwerpen komen er 210 uit een privécollectie en 103 uit religieuze instellingen allerhande. In 1876 brengt Duclos in zijn al vernoemde verslag hulde aan bakker Schelpe die regelmatig bouwfragmenten schonk aan de Société en daarom, samen met Karel Verschelde, grondlegger van de collectie steensculptuur wordt genoemd. De bestuursleden trekken eveneens naar veilingen binnen en buiten Brugge om interessante stukken aan te kopen.

 

Zo groeide doorheen de jaren een rijke collectie toegepaste kunst. De bouwfragmenten, meubels, sculpturen, textilia, huisraad, de objecten in (edel)metaal en aardewerk zijn inspirerend voor de Brugse architecten en kunstenaars die in neostijlen werken. Ze vormen ook een bron van inspiratie voor het neogotische drukwerk dat door firma’s als Petyt wordt geproduceerd, bijvoorbeeld de vele bidprentjes of ‘heilige beeldekens’. De Société-leden hebben ook aandacht voor de objecten die voor de Brugse ambachten en gilden gemaakt werden. Zo belanden de tafelbel van het kleermakersambacht en het ivoren reliëf met Christus aan het kruis van de gilde van de stoeldraaiers al vroeg in de collectie.

 

Net als in andere musea gebruikelijk was, neemt men niet alleen originele stukken in de collectie op. Ook afgietsels en wrijfprenten verzamelt men actief. Op die manier staan objecten die elders bewaard worden, toch voor studie ter beschikking. Het is ook een manier om bedreigd erfgoed toch in een of andere vorm te bewaren. In de Gruuthusecollectie zitten vandaag nog verschillende wrijfprenten van grafstenen die door James Weale aan de Société verkocht werden. Soms zijn de originele grafplaten verloren gegaan.

 

Belangrijke stukken uit de Gruuthusecollectie blijken terug te gaan tot de vroegste verzamelperiode: een veertiende-eeuwse Sedes Sapientiae, de portretbuste van de Engelse koning Karel II uit de Sint-Jorisgilde, de buste in terracotta van Karel V, de koperen grafplaat van Abel Porcket, een romaans ruiterkandelaartje, het spinet van Hans Ruckers… Met deze stukken werd de basis gelegd van de Gruuthusecollectie, die 150 jaar later is uitgegroeid tot een verzameling van 20.000 objecten.

 

Inge Geysen,

adjunct-conservator Bruggemuseum

 


INFO

Tentoonstelling

Passé Composé. Het ontstaan van de Gruuthusecollectie

Nog tot 3 januari 2016

Open: van dinsdag t.e.m. zondag van 9.30 tot 12.30 uur en van 13.30 tot 17 uur

Gesloten: maandag

 

Gezellemuseum

Rolweg 64 

8000 Brugge 

T 050 44 87 43 

www.museabrugge.be.

Zie ook blz. 25 in dit nummer: Beelden uit Brugge in Leuven

 

ARCHIEF

Gruuthusemuseum Brugge (OKV 2002, nr. 1)

Liefde en devotie. Het Gruuthusehandschrift (OKV 2013, nr. 1)

www.tento.be 


 

Inge Geysen

Meer lezen?