U bent hier

Het Laatste Avondmaal naar Leonardo da Vinci - Een wonderlijke geschiedenis

 

Vorig jaar herdacht men in Milaan en Parijs de sterftedatum van Leonardo da Vinci (1452-1519). Ook bij ons was er extra aandacht, onder andere voor de beroemde kopie van Het Laatste Avondmaal dat al jaren schittert in de abdij van Tongerlo. Het verhaal over en rond dit unieke stuk bevat voldoende stof voor een boek van de historici Greet Verschatse en Piet Boncquet, uitgegeven bij sterck & de vreese.

 

In vijf hoofdstukken, goed voor zo’n 160 bladzijden, gaan beide auteurs dieper in op het verhaal van dit meesterwerk. Eerst schetsen ze een beeld van de Lage Landen in de eerste helft van de zestiende eeuw. Het was in die tijd niet zo evident dat Arnold Streyters, abt van Tongerlo van 1530 tot 1560, zijn vernieuwde abdijkerk versierde met het enorme doek Het Laatste Avondmaal naar Leonardo da Vinci. Hij kocht het in Antwerpen in 1545. De auteurs stellen zich de vraag waarom de abt een topwerk uit de renaissance naar de Nederlanden haalde, die toen “nog doordrenkt waren van gotiek en Vlaamse primitieven.” Ze hebben geen pasklaar antwoord, maar de tijd was wel rijp voor een werk gebaseerd op Bijbelteksten en zeker speelde de persoonlijkheid en de intellectuele interesse van de abt een rol. Hij trad onder andere op als mecenas voor talrijke humanisten en geleerden. De auteurs besluiten dat verschillende kunstenaars uit de Lage Landen naar Italië reisden en dat er bij ons sporen zijn van navolging van het Milanese Laatste Avondmaal.

 

Een intrigerend hoofdstuk verhaalt de “wonderlijke” geschiedenis van Het Laatste Avondmaal in Tongerlo, al zou men evengoed over een miraculeuze geschiedenis kunnen spreken. De eerste tweehonderd jaar hing het werk relatief vredig in de abdij. Het is pas met de Franse Revolutie dat alle ellende begon. Nog voor de Fransen aan de poort van de abdij klopten, had de abt het doek al toevertrouwd aan notaris Constantinus Verhaert. Maar, zo onderstrepen de auteurs, dat zegt de mondelinge overlevering want over wat er werkelijk met het doek gebeurde tussen de Franse Revolutie en de terugkeer naar de abdij rond 1868 bestaan geen geschreven bronnen. Volgens sommigen heeft het lang op een zolder opgerold tussen het gebinte verstopt gezeten. Andere bronnen beweren dat het in een kasteel bij Felix de Mérode was en nadien zelfs in de verzameling van koning Leopold I. Wat er ook van zij: ongeschonden kwam het werk niet uit de avontuurlijke reis. Omdat de abdij voor de wederopbouw geld nodig had, besloot men uiteindelijk het schilderij te verkopen. Ondanks de reputatie van het meesterwerk ging dit niet vanzelf. De weinige musea die geïnteresseerd waren vonden het een minderwaardige kopie of de vraagprijs te hoog. Ten einde raad stuurden de Norbertijnen hun topstuk naar Spalding in het Verenigd Koninkrijk waar zich een stichting van de abdij bevond.

 

Na zeventien jaar in Engeland kwam het doek terug naar Tongerlo, in een nog slechtere staat dan het was vertrokken. Nadien volgde er een brand in 1929, waarbij het schilderij met een broodmes uit de omlijsting werd gesneden en scheurde. Uiteindelijk kwam het tot een eerste restauratie in 1933 en een tweede, meer professionele door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium in Brussel, in 1958. Om het enorme schilderij uit de kerk te krijgen werden twee grote ‘sleuven’ gekapt in de muren. Nadien kreeg het werk een eigen museumgebouw, maar in de jaren tachtig ging het weer mis toen dieven zich letterlijk een weg door het doek sneden om in het museum te komen.

 

In het belangrijkste hoofdstuk behandelen de auteurs de hamvraag: wie schilderde de kopie van Tongerlo? De auteurs nemen de verschillende hypothesen onder de loep. Een opvallend onderzoek kwam van de Duitser Emil Möller, die in 1952 beweerde dat Andrea Solario (1460-1524), een van de leerlingen van da Vinci, het monumentale doek schilderde. Uitgangspunt is de grote liefde van de Fransen voor da Vinci en meer concreet een inventaris van een inboedel van het kasteel van Gaillon in Frankrijk dat eigendom was van Georges I d’Amboise (1460-1510). Die inventaris dateert van 1540 en vermeldt een schilderij dat met de afmetingen van Tongerlo overeenstemt. Solario werkte bovendien in het kasteel van Gaillon voor Georges I. Maar de auteurs ontdekken dat het bewuste schilderij nog altijd voorkomt in een inventaris van 1550, vijf jaar later dan dat abt Arnold Streyters het kocht.

 

De meest spectaculaire theorie komt van de Nederlandse kunsthistoricus Jean-Pierre Isbouts, die in 2017 opnieuw Solario naar voor brengt en zelfs de betrokkenheid van da Vinci zelf suggereert. Samen met professor Christopher Brown zamelde hij geld in voor een technisch onderzoek, dat werd uitgevoerd door het Vlaamse bedrijf IPARC. David Lainé, restaurateur en senior onderzoeker, nam een reeks IRR-beelden (infraroodreflectografie) die vooral de ondertekening en de opbouw van de verflaag zichtbaar maken. Er bleek dat er gebruik is gemaakt van een soort kartons om de omlijning te kunnen kopiëren, alleen bij Johannes is er sprake van andere tekeningen, wat Isbouts doet besluiten dat hier Leonardo da Vinci zelf aan het werk is geweest. Ook de hele opzet om het geheel een fresco-achtige indruk te geven bewijst volgens hem dat het schilderij van Tongerlo hetzelfde is als datgene wat Georges I d’Amboise zou hebben besteld. Ook de aanwezigheid van de sfumato-techniek, zo kenmerkend voor da Vinci, zou een en ander nog eens bewijzen. Jean-Pierre Isbouts gaat zelfs zo ver om de schilders van de andere apostelen te identificeren. Allemaal leerlingen van da Vinci volgens hem. Dat het schilderij in 1550 nog altijd voorkomt in de inventaris van het kasteel vermeldt hij niet. Dat onderzoek gebeurde na het verschijnen van het boek.

 

Deze publicatie is vlot geschreven en leest soms als een echte detective. De auteurs laten zich nergens meeslepen in hypotheses en houden zich aan de feiten. Het is uiteindelijk aan de lezer zelf om bepaalde hypotheses te geloven. Feit is dat de kopie in Tongerlo één van de beste kopieën ter wereld is en dat de uitvoering van een zeer hoog niveau is wat David Lainé die er toch een week met zijn neus opzat bevestigt. Dat illustreert nog eens de behoefte voor een nieuwe en hedendaagse restauratie en vooral voor een betere plek dan het huidige museum dat na 60 jaar onoplosbare tekortkomingen vertoont om het Topstuk van de Vlaamse Gemeenschap in goede omstandigheden voor de komende generaties te bewaren.

 

Peter Wouters

Meer lezen?