U bent hier

Het Design Museum Gent herboren - Gesprek met Katrien Laporte en Frank Huygens

Het Design Museum Gent herboren - Gesprek met Katrien Laporte en Frank Huygens
Zicht op de tentoonstelling Lightopia, november 2014-maart 2015

 

“We hebben de luxe een museum te zijn.”

 

In 1993 maakte OKV een themanummer over het net vernieuwde Museum voor Sierkunst en Vormgeving in Gent. Auteur was Lieven Daenens die in 2013, na een carrière van bijna veertig jaar als conservator/directeur van Design museum Gent, met pensioen ging. Katrien Laporte nam de fakkel over van het enige designmuseum dat Vlaanderen rijk is en dat dit voorjaar de Award voor Beste Toeristische Marketingcampagne 2014 van Toerisme Vlaanderen ontving. In het gesprek schoof Frank Huygens, stille kracht achter de schermen, mee aan tafel.

 

Van voorbeeld naar veelzijdig

 

Het Design museum Gent heeft een vrij unieke ontstaansgeschiedenis die teruggaat tot het begin van de twintigste eeuw. Ondertussen toont design zich op verschillende manieren aan het publiek. Zowat elke stad in Vlaanderen maar ook Brussel heeft zijn designevent. We denken aan Design September in Brussel, InterieurKortrijk, Designcenter Winkelhaak in Antwerpen... Hoe verhoudt een designmuseum zich tegenover dit aanbod?

 

Frank: We hebben de luxe een museum te zijn. Het merendeel van wat je opnoemt zijn commerciële evenementiële activiteiten. Wij hebben een unieke positie. Tussen Rotterdam, Keulen, Parijs en Londen zijn wij het enige designmuseum. Le Grand Hornu is een beetje onze Waalse tegenhanger.

 

Katrien: Wij zijn een cultureel erfgoedorganisatie. Eerst en vooral moeten we voldoen aan de vier internationale ICOM-normen en in ons tentoonstellingsbeleid moeten we ook reflecteren vanuit de collectie zelf. We kunnen een stapje terugzetten met voldoende kritische afstand en dingen vergelijken door terug te grijpen naar het verleden of naar het buitenland. Wat hier een hype is, is misschien al enkele jaren in het buitenland aan de gang. We willen ook meer het accent leggen op jonge Belgische designers. Zowel in de tentoonstellingen als in het verwerven van stukken. Ons voordeel is ook ons groot publieksbereik en een grotere zichtbaarheid in het stadscentrum, want hier komen toch ook heel wat passanten en toeristen langs.

 

 

De oorspronkelijke doelstelling van het museum was het aanleggen van een verzameling modellen en voorbeelden. Is dit nu nog het geval?

 

Frank: We zijn in 1903 begonnen als Belgisch antwoord op het Londense Victor & Albert Museum, toen nog het South Kensington Museum. Dit museum wilde aan de vakman tonen hoe de verschillende stijlen eruit zagen. Wij waren toen een voorbeeldmuseum, met een uitstekende bibliotheek en heel veel modelboeken. Het ging dan vooral over de tijd van toen: hoe maak je een goede kopie van een Louis XV bijvoorbeeld. Nu hebben we niet meer de pretentie om het voorbeeldige museum te zijn. Design is nu zo veelzijdig dat er niet één weg of stijl is.

 

Katrien: Het begrip design heeft sowieso een veel bredere betekenis gekregen. Ecodesign, design in de openbare ruimte, design thinking, service design. We moeten daar partners voor zoeken, want dat is ook een credo van onze nieuwe visie: dat we niet voortdurend zelf het warm water moeten uitvinden.

 

Katrien: We gaan naar een maatschappij waarin je veel meer verbindingen en verknopingen moet maken, ook met andere sectoren. Ik denk dat er in het verleden teveel vanuit de museale context werd gedacht, teveel vanuit het culturele erfgoedverhaal. We moeten nu veel meer de banden aanhalen met onderwijs, economie, wetenschap, onderzoek, hier en in het buitenland.

 

Frank: We komen van onze museumberg af.

 

 

Aankopen en afstoten

 

 

Het museum ontstond voor een deel dankzij het legaat Fernand Scribe (1851-1913). Hoe staat het met legaten vandaag? Kan dit een nieuwe aanwinstenpolitiek worden? Welke aankooppolitiek heeft het museum en welke middelen? In de jaren 1990 werd een deel van de Oosterse collectie verkocht. Zou dit nu nog kunnen?

 

Frank: We hebben nu een nieuw collectieplan. We gaan Belgische design centraal stellen. Dat is ook onze taak natuurlijk. Nu ontbreken er meerdere toonaangevende Belgische designers van de voorbije twintig jaar. Een heel duidelijk voorbeeld is Le Banc van Xavier Lust, een Belgisch designicoon dat we nog niet hebben.

 

Katrien: Maar ook werk van de Designer of the Year, zowat de Oscar van het Belgische design, hebben we zelden of nooit aangekocht. We hebben onlangs ook een exemplaar van de Book Table van de Nederlandse designer Richard Hutten aangekocht. Het is meteen het eerste in museumbezit, dus we beperken ons niet louter tot Belgische design. Zeker niet.

 

 

Hebben jullie een flink aankoopbudget?

 

Katrien: We hebben een zeer beperkt jaarbudget van € 60.000 vanwege Stad Gent. Enerzijds is het onze taak – denk ik – om jonge designers die zich bewezen hebben, te verwerven. Wat het verhaal van de legaten en privécollecties betreft, het is iets waar we ons in de toekomst zeker op moeten gaan toeleggen want als de Vlaamse overheid ons geen instrumenten geeft om zaken te verwerven dan moeten we naar andere mogelijkheden uitkijken.

 

 

Zijn er veel designverzamelaars in Vlaanderen waar jullie een beroep op zouden kunnen doen?

 

Frank: We zijn dat terrein nu aan het verkennen. De privé-kunstverzamelingen in België zijn van zeer hoog niveau en we zijn nu aan het prospecteren voor designverzamelingen. We zullen nog meer moeite gaan doen om die verzamelaars, galeries, producenten mee in ons verhaal te betrekken. Een legaat is een ding, maar schenkingen of langdurige bruiklenen kunnen ook. Ook van bedrijven of ontwerpers zelf.

 

 

Het afstoten van stukken of het verkopen van een deel van de collectie is onbespreekbaar?

 

Frank: We hebben een collectieplan met een duidelijk profiel van het museum: wat willen we echt verzamelen en wat willen we ontzamelen, is de kernvraag. Ontzamelen is zo’n gevoelig verhaal in België dat we eerst met een duidelijke en onderbouwde strategie  naar buiten willen komen.

 

Katrien: Maar bij legaten of langdurige bruiklenen moeten we ons de vraag stellen of al die objecten voor onze collectie wel relevant zijn. Wij moeten verhuizen naar een centraal erfgoeddepot voor de Gentse musea. We krijgen maar een beperkte ruimte, dus we zullen sowieso moeten zien wat we kunnen bijhouden. We zijn momenteel in gesprek met een verzamelaar over zijn langdurige bruiklenen om te kijken welk deel van zijn verzameling we willen behouden en welk deel niet. Hij gaat met deze selectiewijze akkoord. Wat de aankopen betreft: we gaan ons meer toeleggen op Belgisch design, maar het is natuurlijk belangrijk dat je nog de toets hebt van een internationale collectie. Hoe verhouden die Belgische producten zich ten opzichte van een internationale markttendens? We moeten op beide kunnen inzetten.

 

Frank: Ik denk dat we nu sneller en gerichter kunnen aankopen. We gaan geen tien jaar meer wachten. We hebben net de Solo Chair van David Van Severen en Kersten Geers gekocht Dat is net op de markt verschenen. Naar aanleiding van de expo Design Derby BE-NL 1815-2015 die in oktober 2015 opent, gaan we ook enkele Belgische toppers aankopen.

 

 

Jullie bewaren zeer uiteenlopende stukken: van meubels, zilverwerk tot vloerkleden. Dit vraagt veel kennis over conservatie. Is die voldoende in huis? Ik dacht dat er een tijdje geleden houtworm was gevonden in houten lambrizeringen in Hotel de Coninck, het achttiende-eeuwse herenhuis aan de straatzijde van het museum?

 

Katrien: We hebben een restauratrice in huis met heel veel internationale ervaring. Ze heeft een deel van onze collectie die last had van houtworm behandeld met een vergassingssysteem. Geen enkel museum kan al die disciplines aan. Binnen het AGB verhaal (Autonoom Gemeentebedrijf waarvan ook het Museum voor Schone Kunsten en het SMAK deel uit maken) kunnen we de competenties van die verschillende musea wat betreft behoud en beheer bundelen en samenbrengen.

 

Katrien: De Vlaamse overheid heeft terecht de lat zeer hoog gelegd. Gevraagd om naar buiten te komen, te internationaliseren. We zijn het enige Belgische designmuseum en we maken dit jaar een coproductie met Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, en de kwaliteitseisen voor collectiepresentatie liggen zeer hoog. We zijn er de voorbije tien jaren op achteruit gegaan wat onze middelen betreft. Onze dotatie van Vlaanderen vertegenwoordigt niet meer dan 13% van het totaalbudget terwijl we het enige designmuseum in Vlaanderen zijn. De stad betaalt het meeste maar we generen ook eigen middelen die we nu als verzelfstandigde organisatie kunnen toevoegen aan dit budget. We hebben zo’n 80.000 bezoekers.

 

 

Naar een nieuwe opstelling

 

 

Heeft het gebouw wel genoeg uitstraling? De inkompartij aan de Jan Breydelstraat was jaren toch wat kneuterig en donker.

 

Katrien: Dat is het eerste wat we veranderd hebben. Alles is nu veel lichter en opener. De confrontatie tussen het historische en het nieuwe gebouw is wel een meerwaarde en dat moeten we nog sterker uitspelen.

 

 

De relatie tussen kunst en design is de laatste jaren fel in opmars. Ik denk aan de vele expo's van Z33 in Limburg en aan bepaalde galeries op Art Brussels. Hoe gaan jullie hier mee om?

 

Katrien: Z33 heeft een andere functie dan wij. Zij moeten de mogelijkheid scheppen om kunst te creëren.

 

Frank: Op zich zijn niet tegen kunstig design, integendeel. Onze collectie is nu vooral interieurdesign: privéwoningen en kantoren. We gaan proberen de reikwijdte van design te verkennen. We zitten in het centrum van het designspectrum maar met onze vorige expo’s over ecodesign en de recente expo Lightopia verkennen we toch de grenzen van design. Eén van de grensgebieden is ook het raakvlak tussen design en kunst.

 

 

Jullie voorganger Henri Nowé ging in de jaren dertig van de vorige eeuw voor een sfeeropstelling met veel achttiende-eeuwse meubels. Dat idee vind je hier en daar nog terug in het museum. Zal hier iets aan veranderen?

 

Katrien: We zijn aan het nadenken over een nieuwe opstelling, samen met een befaamd architect. Die herinrichting herbekijkt het concept van de zogenaamde stijlkamers. Met de expo Lightopia liepen we er al een beetje op vooruit. Het is een soort oefening. Een tiental lichtdesigners kregen vrij spel in de stijlkamers. Maar die hebben daar ook een aantal voorwaarden aan gekoppeld waardoor er nu sowieso enkele ingrepen gebeurd zijn in de stijlkamers. Die opstelling gaat terug tot 1923. Tegen 2016-2017 willen we een nieuw verhaal in een zich steeds vernieuwende wisselende opstelling. Alles is in beweging, is onze leuze.

 

 

Gaat dat dan ten koste van stijleenheid ?  

 

Frank: Het werkt in twee richtingen. Het designmuseum is meer dan een stijlkamermuseum. Dat is een negentiende-eeuwse visie. Dat vertelt enkel over stijlen en dan verval je in krullen en ornamenten. Maar design gaat over wooncultuur, alles is met elkaar verbonden en er bestaat geen éne designstijl meer.

 

 

Bestaat dan niet het gevaar dat die stijloverzichten volledig gaan verdwijnen en jongeren niet meer weten hoe zo’n stijlkamer eruit zag?  

 

Katrien: Ja, maar daar komt dan die collectiemobiliteit op de proppen. In Gent heb je het Hotel d’Hane-Steenhuyse uit de achttiende eeuw. Er staan nu reeds meubelen uit onze collectie in het gebouw, dat ook voor bezoekers toegankelijk is. Dat gaan we nog uitbreiden. Ik denk aan het stadhuis.

 

Frank: Met die nieuwe opstelling willen we objecten ook in een context plaatsten. Niet alleen chronologisch, maar ook met thematische dwarsverbanden. Anderzijds gaan we ook meer volledige interieurs tonen.

 

 

Hoe zit het met de collectiemobiliteit in de wereld van de design. Ik denk dan aan zilverwerk, jullie meubels, de Mechelse meubels, affiches? Wat met de topstukken?

 

Katrien: Beeldende kunst heeft altijd een historische voorsprong gehad. Ook beeldhouwkunst werd wat stiefmoederlijk behandeld. Voor design is dat schijnbaar hetzelfde. Het is een mentaliteit. Op de Topstukkenlijst staat geen design. We moeten in Vlaanderen wel afspreken wie wat gaat doen. We hebben hier in Gent duidelijke afspraken wie wat gaat verzamelen. Een deel van onze verzameling gaan we overdragen aan het MIAT en onze maquettes zijn reeds aan het STAM gegeven. 

 

Frank: Doordat we ons nu meer gaan toeleggen op Belgische design zullen we daar ook expertise in ontwikkelen en kunnen we de sleutelwerken beter definiëren. Ik denk aan het fifties winkelinterieur van Renaat Braem dat helemaal versnipperd is over diverse privécollecties. We gaan moeten zoeken naar dergelijke topstukken en eventueel externe partners inschakelen, zoals de Koning Boudewijnstichting, om die te verwerven als ze op de markt komen.

 

 

Blijft de tentoonstellingspolitiek zoals die nu is? Er zijn relatief veel expo's over buitenlandse design.

 

Katrien: Er waren in het verleden zeer veel tentoonstellingen. Zes tot acht en telkens in blokken van drie maanden. Je moet dan op de markt tentoonstellingen gaan inkopen. Ten tweede waren sommige van die tentoonstellingen op de rand van productplacement. We willen zeker minder expo’s doen. Dat had ook te maken met het feit dat de vaste collectie nooit veranderde. Het eigen publiek uit Gent kwam nog enkel voor de tentoonstellingen. Die zouden opnieuw komen als we de vaste collectie op een wisselende manier opstellen. Die twee bewegingen moeten een beetje samengaan.

 

 

Men sprak in het verleden van een nieuwe inkompartij in de Drabstraat en van de uitbreiding van de exporuimte in de gotische kelders en op de zolderverdieping. Hoever staat het met die plannen?

 

Katrien: Tja, dat was een masterplan van twintig jaar geleden maar dat is er om verschillende redenen niet gekomen. Ik denk dat het plan onvoldoende gedragen was. Heel de binnentuin wou men overkappen met een glasconstructie zoals in het Vlaams Parlement. Het was zeer ambitieus. We zitten nu op een heel ander spoor, een ander verhaal. In heel Europa blijkt dat men economische componenten koppelt aan cultureel erfgoed, onderwijs en de creatieve industrieën. Een designmuseum wordt zo gekoppeld aan een designcenter. We maken een plek van 300 m² voor jonge ontwerpers, een soort ‘designhub’. Een toonruimte waar de relatie met de verzameling, het historische voelbaar is. De hoofdingang zou aan de Jan Breydelstraat blijven omdat mensen graag in zo’n historische ingang binnenkomen. De Breydelstraat is bovendien een aantrekkelijke straat waar toeristen uit binnen- en buitenland graag in kuieren.

 

Frank: We willen meer een levend museum zijn.

 

Katrien: Het museum had te weinig contact met de vormgevers zelf. Dat zal nu sterk veranderen, mede dankzij ons samenwerkingsverband met het net opgerichte Designplatform Gent/Oost-Vlaanderen, The Ministry of Makers. We hebben het voorstel voor het Designcenter zo geformuleerd dat we het verhaal samen vertellen. In Barcelona werd er een nieuw designmuseum gebouwd en het designcentrum van business en economie zit daar ook in.

 

Katrien: De kracht van dit museum is de ligging, het achttiende-eeuwse gebouw in combinatie met de moderne architectuur. Toeristen houden ervan. Die combinatie wordt gewaardeerd. Onze nieuwe collectiepresentatie, de creatie van een Designcenter in samenwerking met The Ministry of Makers en de natuurlijke band met ontwerpers en producenten maken een sterk verhaal. Het is een mooi voorbeeld van verknoping in de werking en in de werkelijkheid. Het museum als ontmoetingsplaats. Een voorsmaakje van dit alles zal reeds te zien zijn in onze najaarstentoonstelling Design Derby BE-NL 1815-2015 waar een luchtige scenografie, een verrassende en toegankelijke selectie van klassieke en gedurfde ontwerpers het hele museum herscheppen in één design belevenis.

 

Peter Wouters

 


INFO

Design Museum Gent

Jan Breydelstraat 5

9000 Gent

T 09 267 99 99

www.designmuseumgent.be

 

ARCHIEF

Museum voor Sierkunst Gent: OKV 1993 nr. 4

Kunstambacht in Vlaanderen: OKV 1989 nr. 2

www.tento.be


 

NIKE AIR MAX

Peter Wouters