U bent hier

Gaston Eysselinck

Openbaar Kunstbezit Vlaanderen Gaston Eysselinck

 

De monografie van Marc Dubois over architect Gaston Eysselinck (1907-1953) is het kroonstuk van jarenlang research rond een van de interessantste architecten die in de vorige eeuw in ons land werkzaam was. Die lange vertrouwdheid met werk en persoonlijkheid van Eysselinck laat de auteur toe ze juist in te schatten en een ruim publiek van de waarde ervan te overtuigen.


Van meet af aan maakt Marc Dubois een zaak duidelijk, in de ondertitel al: noem Eysselinck geen modernist, wel een functionalist. Het onderscheid wordt stapsgewijs duidelijk gemaakt. Eysselinck behoort inderdaad niet tot de kleine groep pioniers van het modernisme, zoals Victor Bourgeois, Huib Hoste of Louis Herman De Koninck. Hij is een generatiegenoot van Léon Stynen en Renaat Braem.


Eysselinck gaat als architect aan de slag in het jaar 1929, het beginjaar van een wereldwijde crisis. Dit betekent dat hij in het decennium dat aanbreekt niet moet rekenen op grootse projecten, en dan breekt de oorlog uit. Het is pas na 1945 dat hij de volle maat kan geven van zijn kunnen, met het postgebouw te Oostende. De jaren dertig zijn evenwel geen inloopperiode. Eysselinck is geen architect die zoekend en tastend een eigen stijl ontwikkelt. Hij heeft zijn studiejaren goed besteed; de innovaties van De Stijl, Bauhaus, de Russische avant-garde en Le Corbusier heeft hij grondig bestudeerd. Daar kwamen ook enkele fietstochten door Nederland aan te pas; zij leverden notities op en een overvloed aan tekeningen, schetsen, foto’s en zelfs becommentarieerde ansichtkaarten. In 1930 tekent hij de plannen voor een eigen woning in Gent, op een onmogelijk spievormig hoekperceel zonder diepte. Het is een eerste meesterwerk, een manifest van zijn opvattingen omtrent woningbouw. Het levert hem zijn eerste gevecht op met de diensten van stedenbouw. Het zal zeker iet zijn laatste worden. De woning komt er, mits een aantal aanpassingen. Die ervaart hij allemaal als persoonlijke nederlagen. Hij weet wat hij wil en ook waarom. De woning is een buitenbeentje in het Gentse miljoenenkwartier, maar jij levert heerlijke lessen in architecturaal denken op. Net als Le Corbusier heeft Eysselinck het huis geconcipieerd als een machine à habiter. Het uiterlijk is bepaald door de functie van de binnenruimten. Dit is een vaste regel waarvan hij praktisch nooit zal afwijken. Ook logisch dat hij het eigen meubilair ontwerpt, waaronder onder meer stapelbare buismeubels. Die meubels zijn een verhaal op zich, met hoogten en laagten, dat Marc Dubois ons ook helder uit de doeken doet.


In 1945 verhuist Eysselinck naar Oostende, de stad die erg door de oorlog is geteisterd en waar de wederopbouw een aantal onverhoopte kansen biedt. Jean-Jules Eggericx tekent een nieuw urbanistisch plan uit. Hierin passen een nieuw stadhuis, Victor Bourgeois zal het bouwen; een nieuw casino, gebouwd door Léon Stynen en een nieuw postgebouw, waarvoor de opdracht aan Eysselinck wordt toegewezen. Het wordt zijn magnum opus, maar ook zijn ondergang. Het gebouw dat hij voor ogen heeft zal optimaal functioneren als postgebouw en als telegraafkantoor, met een verschillende invulling naargelang het om de publieksruimte gaat, om het distributiecentrum van de posterijen of de ruimten voor het personeel, zoals vergaderzalen, auditorium of kantine. Met deze laatste legt hij het hardwerkend personeel extra in de watten: hij situeert het personeelsrestaurant op de hoogste verdieping met een ruim terras en een onovertroffen uitzicht over stad en zee. Eysselinck heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij een raszuiver socialist is en dit is waar de arbeider recht op heeft. Het gebouw moet ook in het stadsweefsel passen, zo zorgt hij er onder meer voor dat de lichtinval in de zijstraten gewaarborgd blijft.


Het hoeft niet te verwonderen dat Eysselinck het aan de stok krijgt met de diensten van stedenbouw. Zijn kwelgeest is stadsarchitect Arnold De Vos, een man die hem ook bij de stedenbouwkundige vergunning van woonhuizen in Oostende stokken in de wielen zal steken. Eysselinck weet maar al te goed waar zijn prioriteiten liggen: de functionaliteit van het gebouw is primordiaal, met aandacht voor licht en hygiëne. Niet uit tegendraadsheid, maar uit vrouwvriendelijkheid plaatst hij in een woning de keuken aan de straatzijde. Het is niet enkel een aandachtspunt; het is een essentiële vereiste waaraan hij zelden verzaakt.


Eysselinck is geen betweter zoals zijn tegenstrevers beweren; koppig is hij wel. Hij is ook niet bang om kritiek te leveren, als hij dat terecht vindt. Zo klaagt hij mankementen aan in de boekentoren van Henry Van de Velde te Gent, het urbanisatieplan van Eggericx voor Oostende, de Unité d’Habitation van Le Corbusier in Marseille. Gaandeweg vervreemdt hij van de esthetiek van Le Corbusier om meer aan te leunen bij het functioneel bouwen van de Oostenrijker Adolf Loos. In Oostende gaat het met de verstandhoudingen van kwaad naar erger, niet enkel de stad ligt dwars, ook het ministerie wil hem tot andere inzichten dwingen en het komt tot een definitieve breuk. Ook een ander Oostends project loopt niet zo lekker: hij krijgt het aan de stok met de directeur van de coöperatieve SEO. De bouw van de hoofdzetel met winkel op het gelijkvloers – het huidige gebouw van Mu.ZEE – loopt vertraging op. Hij zal de voltooiing ervan niet meer beleven, evenmin als die van het postgebouw. Op 6 december 1953 ontneemt hij zich het leven. Hij is moegestreden en heeft kort voordien zijn levensgezellin ten grave gedragen. Marc Dubois stelt terecht dat Eysselinck de schepper is van ‘een klein, maar intens werk’. Stap voor stap wordt ons die intensiteit duidelijk. De biografie is de leidraad van het verhaal en hierbij heeft Dubois altijd de bredere context voor ogen. Eysselinck was iemand die een enorme belangstelling aan de dag legde voor het architecturaal denken van zijn tijd. Het is de verdienste van Marc Dubois dat hij de bronnen er van heeft nagetrokken in het privéarchief van de architect: de onuitgevoerde projecten, de aanzetten, maar ook de boeken en tijdschriften uit zijn eigen boekenkast.


Eysselinck hechtte veel belang aan de presentatie van zijn werk: zijn tekeningen waren uiterst verzorgd; zijn plannen voorzag hij van een grafische inkleding naar eigen ontwerp. In het boek krijgen die tekeningen een ruime plaats toebedeeld. Ook zo de plantekeningen die het verdienen bestudeerd te worden. Laat je niet afschrikken door hun ogenschijnlijke complexiteit. De tekst van Dubois maakt alles extra duidelijk. Een grote bonus ten slotte is de inpassing van twee fotografische katernen van Filip Dujardin, een over de eigen woning te Gent, een tweede over het postgebouw te Oostende. De kwaliteit ervan is uitmuntend. De foto die de kaft van het boek siert is trouwens ontleend aan de katern over Eysselincks eigen woning.


Kortom Gaston Eysselinck heeft het monument gekregen waarop hij al lang recht had. Dit is een verrijking voor de boekenkast, maar voorzie een tweede exemplaar op de koffietafel. Op beide plekken zal dit prachtboek tot zijn recht komen.

 


INFO

Marc Dubois

Gaston Eysselinck (1907-1953)

In de voetsporen van Le Corbusier

328 blz.

Hardcover

ISBN 978-94-6161-567-1

€ 36,00

Uitgevrij Snoeck


 


Meer lezen?