U bent hier

De meester portretteert zijn familie - Ten huize van P.P. Rubens

De meester portretteert zijn familie - Ten huize van P.P. Rubens
Peter Paul Rubens, Helena Fourment met haar kinderen Frans, Clara-Johanna en Isabella-Helena, ca. 1636-1637, olieverf op paneel, 115 x 85 cm Parijs, Musée du Louvre, inv.nr. 1795 © RMN-Grand Palais (musée du Louvre) / Hervé Lewandowski.

 

Peter Paul Rubens’ (1577-1640) intieme kant wordt zelden bezongen. Het is een facet dat opduikt in werken die bijna uitsluitend voor zijn eigen familie bestemd waren. Daarenboven zit het overgrote deel van die stukken in collecties in het buitenland. Het Rubenshuis leende een puike selectie voor de expo Rubens privé. De meester portretteert zijn familie.

 

 

Vaker dan goed is voor het moreel van een liefhebber van de oude meesters valt het voor dat ik iemand hoor verzuchten dat Rubens een overgewaardeerde schilder is. Op een emotioneel niveau lijkt men geen affiniteit met zijn werk te voelen. Nochtans is dat oeuvre zo rijk geschakeerd, dat er voor elk wat wils zou moeten zijn. Ooit – gelukkig vliedt de tijd - behoorde ik ook tot dat vooringenomen kamp. Erop terugkijkend kan ik, in mijn geval, enkel concluderen dat onwetendheid de oorzaak van zoveel dwaling was. Mijn standaardantwoord voor ongelovigen luidt: ga tien minuten voor de Kruisafneming in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal zitten, zodanig dat je elk kopje en elke snik in je opgenomen hebt. Sceptici kunnen ook op andere gedachten gebracht worden als ze beeltenissen van Rubens’ familie onder ogen krijgen. Staren in de kijkers van zijn kinderen zou het moeten doen. Intimiteit is een kwaliteit die men al te weinig met Rubens associeert. Zijn familie- en zelfportretten beslaan geen uitgebreid corpus, en bitter weinig voorbeelden zijn Vlaams openbaar kunstbezit.

 

Tussen Rubens’ knappe herneming van het portret van de humanist Baldassare Castiglione, dat Rafaël rond 1515 schilderde, en een korzelige Ecce Homo van Anthony van Dyck (1599-1641), hangt in de Courtauld Gallery in Londen het innemende De familie van Jan Brueghel de Oude. Rubens vervaardigde dit familieportret van zijn goede vriend, met wie hij samen enkele weergaloze schilderijen maakte; voor wie hij in opdracht zakelijke brieven schreef; en van wiens kinderen hij de voogdij op zich nam na diens dood. Nadat in 1603 zijn eerste vrouw waarschijnlijk het leven liet tijdens de bevalling van hun dochter Paschasia, trouwde Brueghel in april 1605 voor de tweede keer. Met Catharina van Mariënburg kreeg Brueghel acht kinderen, waarvan in dit werk Pieter en Elisabeth door Rubens werden vereeuwigd. De puike compositie is een toonbeeld van huiselijk geluk.

 

In Rubens’ portretten van niet-intimi is de oogopslag doorgaans weinig expressief. Familiariteit is in deze context, het decorum indachtig, niet aan de orde. Figuren uit de beau monde hebben het air van superieure zelfverzekerdheid of zelfbewuste charme. Ze behouden vooral een afstandelijke cool. Heel anders zijn de dromerige blik van Jan Brueghel en de oogopslag van Catharina die een blijk van vertrouwelijkheid is. De jonge Pieter Brueghel blijkt een karakter, te oordelen naar zijn vurige, dwarse blik. Rubens hield de intieme ruimte zeer compact. Het handenspel onderaan vormt een symbolische cirkel van verbondenheid tussen moeder en kinderen. De patriarch Brueghel is het fysieke sluitstuk van de compositie.

 

 

Kinderportretten

 

Werken met kinderen en dieren is geen evidentie, zeker niet als je hen langdurig wil laten poseren voor een portret. Een beproefde methode om een kind gerust te stellen en bij de les te houden is het inschakelen van een huisdier. De Hellenistische sculptuur van een kind met een zwaan, waarvan het oorspronkelijk ontwerp waarschijnlijk uit de derde eeuw voor Christus stamt, is een vroeg voorbeeld (Staatliche Antikensammlungen und Glyptothek, München). Het blijkt geen pretje voor de vogel, die door het kind in een wurggreep wordt gehouden. Net zo bij De kinderen Balbi (National Gallery, Londen) van Van Dyck. Drie aristocratische kinderen zijn op uitmuntende wijze gekarakteriseerd – een talent dat Van Dyck deelt met Rubens. Het jongste kind knijpt een gedomesticeerde kanarie zodanig hard, dat de vogel een doodsstrijd voert. Ook Rubens kende het trucje. In zijn portret Albert en Nicolaas Rubens (The Princely Collections, Liechtenstein) typeert hij zijn beide zonen uit zijn eerste huwelijk met Isabella Brant. Albert is een prille puber. Nicolaas is net geen tien. De scène heeft iets van een relaxed snapshot. Nicolaas gaat helemaal op in het spel met zijn puttertje. De vinkachtige tracht te ontkomen, maar wordt door de jongen met een touwtje in de buurt gehouden. Albert is zich wel bewust van het momentum. Hij is stijlvol uitgedost en poseert trots, quasi nonchalant, met enkele boeken onder de arm. Twee karakters: spel en studie broederlijk naast elkaar.

 

Nog spontaner is Rubens’ beeltenis van zijn eerste kind: Clara Serena. Zijn dochter is ongeveer vijf jaar oud en wordt in een busteportret frontaal opgevoerd. Haar jonge gezichtje is gedetailleerd uitgewerkt, de rest is schetsachtig en draagt bij tot de focus op haar wezen. Plasticiteit en kleuropbouw zijn verweven. De close-up en de levendigheid van het kind verlenen dit kleinood een opmerkelijke intensiteit. De kinderlijke levenslust spat van het werkje af. Clara Serena’s blozende wangen doen denken aan de de woorden van sir Joshua Reynolds (1723-1792): “Rubens’ figuren lijken wel rozen gegeten te hebben.”

 

Al even vertederend is Helena Fourment en haar kinderen. Rubens’ eerste vrouw, Isabella Brant, stierf jong. In 1626 kwam ze op 34-jarige leeftijd om het leven. Op 6 december 1630 trouwde Rubens Helena Fourment, een zestienjarige schone. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, waarvan er twee, Clara-Johanna en Frans, in het schilderij opgenomen zijn. De stoïcijn die in zijn vele brieven nauwelijks emotie toonde, loopt hier over van genegenheid voor zijn kroost. Wie smelt niet voor de onschuldige oogopslag van Fransje? Het werk vibreert door Rubens’ gekende zwierige schildertoets. De onaffe staat, vergelijkbaar met het portretje van Clara Serena, vergroot de spankracht.

 

 

Rubens en de vrouwen

 

De National Gallery of Art in Washington bewaart Portret van Isabella Brant dat Anthony van Dyck vervaardigde en vervolgens aan zijn oude leermeester Rubens aanbood. Rubens maakte zelf een verrukkelijke tekening van het hoofd van zijn vrouw, dat qua houding en gezichtsuitdrukking dicht bij het schilderij van Van Dyck aanleunt. Isabella is luxueus uitgedost met brokaatpatronen, parels en gouden kettingen: dress to impress. Ze is getroond, gedistingeerd maar toch menselijk. Het cachet wordt nog verhevigd door de statige achtergrond, waarin we de portiek herkennen die Rubens in zijn tuin bij het huis aan de Lange Wapper liet optrekken. Het lijkt wel een staatsieportret. Maar wat hiervan afwijkt is de onderdrukte glimlach. In de schets van Rubens komt dit nog beter tot uiting: priemende ogen als gloeiende kooltjes en lippen die, ietwat krampachtig, stijf op elkaar gehouden worden. Het lijkt wel alsof ze zich tegenover haar man met moeite een serieuze houding weet aan te nemen.

 

Slechts één werk is een ongecontesteerd synoniem voor Rubens privé: Helena Fourment in een bonten mantel (Kunsthistorisches Museum, Wenen), beter bekend als Het Pelsken. Helena Fourment bedekt zich halvelings met een mantel van bont. Bruine pels en vrouwelijke curves innig en plagerig tegen elkaar. Rubens deed geen moeite om zijn aanminnige gemalin fraaier voor te stellen dan ze was. Een vrouw van vlees en bloed. Geen fotoshop. Maar minder anekdotisch dan het portret op het eerste gezicht lijkt. Ma-XRF scanning, een geavanceerde natuurwetenschappelijke methode, toonde aan dat onder de bovenste verflagen, rechts van pin-up Helena, ooit een fontein met een plassend jongetje prijkte. Een manneken pis dat jeugdigheid en erotiek symboliseert? Rubens had met Helena immers een veel jongere bruid gehuwd. De meester overschilderde nadien het tafereel. Conclusie: Rubens had de iconografische traditie van de Venus Pudica, of kuise Venus, in het gezelschap van Cupido voor ogen. Seks met een laagje mythologische intertekstualiteit.

 

Waren de andere besproken schilderijen uitsluitend voor de intieme familiekring bedoeld, dan lijkt dit levensgroot schilderij enkel voor de beslotenheid van de slaapkamer van het echtpaar Rubens bestemd. Enkele dagen voor zijn dood liet de schilder optekenen dat de portretten van zijn echtgenotes niet op de kunstmarkt mochten verhandeld worden, en dat ze aan zijn kinderen moesten geschonken worden. Het Pelsken moest zelfs rechtstreeks naar Helena gaan.

 

De meester portretteerde zijn familie om hén te plezieren, niet ons. Net daarom vinden we deze werken zo prikkelend en atypisch voor Rubens. Rubens legde zijn masker van überintellectueel gedeeltelijk af en werd voor even een schilder die niet geknecht werd door het decorum. Minder beginselvast en gefocust op een plaatsje in de eregalerij van de schilderkunst? Tekenen en schilderen zonder rem. Zonder opgelegde filter.

 

Matthias Depoorter


Info

Tentoonstelling

Rubens privé

De meester portretteert zijn familie

Nog tot 28 juni 2015

Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17 uur

Gesloten: maandag

 

Rubenshuis

Wapper 9-11

2000 Antwerpen

Tel. 03 201 15 55

www.rubenshuis.be

 

Archief

Het Rubenshuis: OKV, 1988, nr. 4

Rubens: OKV 2004, nr. 1

De erfenis van Rubens: OKV 2014, extra nummer

www.tento.be

 

Extra

Openbaar Kunstbezit Vlaanderen brengt een extra themanummer over deze unieke tentoonstelling.

U kan het bestellen via: Themanummer Rubens Privé


 

Matthias Depoorter

Matthias Depoorter (1980) is schrijver en kunsthistoricus. Hij schrijft boeken, essays, kunstkritieken en columns voor diverse instellingen en tijdschriften, o.a. voor Knack, Openbaar Kunstbezit Vlaanderen, Staalkaart en Collect. Depoorter schreef bezoekersgidsen voor het Hospitaalmuseum en het Gruuthusemuseum in Brugge. Van 2011 tot 2018 werkte hij voor de Vlaamse Kunstcollectie (VKC) en was hij VKC-verantwoordelijke van de Summer Course for the Study of the Arts in Flanders. In 2018 vervoegde Depoorter het Museum voor Schone Kunsten Gent (MSK). Hij was assistent-curator en assistent-projectcoördinator van de tentoonstelling Van Eyck. Een optische revolutie (2020) en coördinator van het gelijknamige boek. Daarnaast cureerde hij de collectiepresentatie Gaspar de Crayer en Gent. Onlosmakelijk verbonden (MSK, 2018). Depoorter voert onder andere onderzoek naar natuur en natuurfenomenen in de kunst van de vijftiende tot en met de zeventiende eeuw. In 2015 publiceerde hij het boek Vliegwerk. Vogels in de kunst. Foto: Dirk De Cubber