U bent hier

Vikingen!

Vikingen!
Op een runensteen in het Zweedse Bro staat een tekst die laat uitschijnen dat de Vikingen ook in Scandinavië gevreesd werden.

 

De Vikingen blijven fascineren. Meer dan duizend jaar geleden doemden ze op voor de kusten van Engeland en het Europese vasteland. Ze drongen met hun snelle schepen door tot ver in het binnenland. Uit geschiedenisboeken kennen we ze als bloeddorstige barbaren die vreselijke verwoestingen hebben aangericht. Maar wat weten we nu eigenlijk van dit volk? Hoe leefden ze en hoe zag hun wereldbeeld er uit? Waren het werkelijk alleen maar duivelse plunderaars en waren ze zo veel gewelddadiger dan de troepen van Karel de Grote?

 

De tentoonstelling Vikingen! in het Gallo-Romeins Museum Tongeren stelt het stereotiepe beeld bij. Ze zoemt in op het dagelijks leven van de boerengemeenschappen in Scandinavië tijdens de Vikingtijd. Honderden objecten tonen het uitzonderlijke vakmanschap van de ambachtslui en kunstenaars. Een boeiende tocht trekt door de oudnoordse godenwereld, van Asgaard en Midgaard, bevolkt door reuzen en dwergen, met Odin, Thor en de Walkuren…

 

De Vikingen waren vooral uitstekende handelaars. Halverwege de achtste eeuw ontstonden in Scandinavië grote handelscentra. Met hun schepen voeren de Vikingen oost- en westwaarts, op handelsmissie en op rooftocht. Exotische waren stroomden de havens binnen: Frankische glazen bekers, Ierse kruisen, juwelen uit Zuidoost-Europa, schelpen uit de Indische Oceaan, Arabische munten, zijde, specerijen… Maar ook nieuwe ideologieën, religieuze systemen en politiek gedachtegoed bereikte Scandinavië. Die hebben meer bijgedragen aan het einde van de Vikingtijd dan verloren veldslagen. 


 

VIKINGEN!

  • Ontmoeting met de Vikingen

  • Boeren en krijgers

  • De religie van de Vikingen

  • Vakmanschap

  •  ‘Op viking’ de wereld rond

  • Vikingen in de Lage Landen (800-1100)

  • Praktisch

 


 

ONTMOETING MET DE VIKINGEN

 

 

DE AANVAL OP LINDISFARNE

 

Op 8 juni 793 werd het eiland Lindisfarne, voor de noordoostelijke kust van Engeland, opgeschrikt door een verrassingsaanval vanop zee. De lage zandbanken langs de kust van het grotendeels vlakke eiland waren een ideale aanlegplaats voor de ranke schepen van de aanvallers. Die hadden het gemunt op het rijke klooster, dat ze plunderden en platbrandden. De geestelijken op het eiland werden gedood of geketend meegenomen om later als slaaf verkocht te worden. 

 

Op een enkel incident na, was de aanval op Lindisfarne de eerste Vikingaanval die we kennen via eigentijdse getuigenissen. In Aken bereikte het nieuws Alcuinus, een geleerde uit York die zich had opgewerkt tot persoonlijke raadgever van Karel de Grote, de koning van het Karolingische Rijk die met zijn hofhouding vaak in Aken verbleef. De aanval maakte zo een indruk op Alcuinus dat hij verschillende brieven naar Engeland verstuurde, onder andere naar de koning van Northumbria, het koninkrijk waar Lindisfarne toe behoorde. Hij liet zijn wanhoop nadrukkelijk blijken, al was zijn toorn niet zozeer gericht op de Vikingen maar op de Angelsaksische bevolking van de Britse eilanden die volgens hem haar verdiende loon had gekregen. De aanval was niet minder dan een straf van God voor hun zondig gedrag. Een dramatische beschrijving van de gebeurtenissen in Lindisfarne kennen we ook uit de zogenaamde Angelsaksische Kroniek, een verzameling eigentijdse manuscripten die de geschiedenis van de Angelsaksen beschrijft. Er wordt gesproken over slechte voortekenen die aan de aanval vooraf zouden gegaan zijn, in de vorm van stormwinden, bliksems en angstaanjagende, vuurspuwende draken die door de lucht vlogen. 

 

Het is niet helemaal duidelijk wie achter de raid in Lindisfarne zat. De geschriften refereren nergens aan Scandinavische Vikingen. Eerder is sprake van heidenen die uit het noorden kwamen. Vermoedelijk waren het mensen van ‘Noorse’ afkomst, mogelijk ook ‘Denen’ of Saksen. De weerklank van de aanval was alleszins enorm. Het nieuws zorgde voor een schokgolf door christelijk Europa. Net als Alcuinus zagen heel wat mensen er het resultaat in van een bijbelse voorspelling. Het stereotiepe beeld dat de Vikingen tot vandaag achtervolgt, hebben ze in grote mate te danken aan de ‘slechte pers’ die ze in die tijd gekregen hebben. 

 

 

WE NOEMEN ZE VIKINGEN 

 

De aanval op het klooster van Lindisfarne wordt vaak genoemd als het begin van de Vikingtijd. Zonder twijfel brak met de Vikingaanvallen op het einde van de achste eeuw voor Europa een nieuw tijdperk aan. Het is echter de vraag of de aanval ook werkelijk iets te betekenen had voor de mensen die wij vandaag ‘Vikingen’ noemen. Zowel de omschrijving van het woord ‘Viking’ als de chronologische afbakening van de ‘Vikingtijd’ zijn in grote mate bedacht door wetenschappers uit de negentiende en twintigste eeuw, voor de mensen die ermee worden aangeduid had die karakterisering weinig of geen betekenis. Met de plundertochten van het jaar 793 was er voor hen wellicht ook niet veel nieuws onder de zon. Er zijn aanwijzingen dat er ook voordien al belangrijke handelscontacten bestonden tussen Scandinavië, de Britse eilanden en het Europese vasteland. We kunnen veronderstellen dat deze expedities soms ook wel eens in geweld en plunderingen uitmondden, maar bij gebrek aan geschreven bronnen kunnen we dat niet met zekerheid zeggen. 

 

Het woord ‘Viking’ is waarschijnlijk afgeleid van het Germaanse woord ‘Viken’, de toenmalige naam van de Oslobaai. ‘Viking’ betekent dan zoveel als een ‘man afkomstig van Viken’. Later zou dat uitgebreid zijn tot alle mannen uit het Noorden die er met hun schip op uittrokken. ‘Viken’ zelf zou zijn afgeleid van het woord ‘vik’, dat ‘baai’ of ‘kreek’ betekent. De weinige keren dat het woord ‘Viking’ voorkomt op runenstenen of in schriftelijke bronnen uit die tijd, wordt nadrukkelijk een activiteit beschreven: mannen, en misschien zelfs vrouwen en jongelingen gingen ‘op Viking’, en dus ‘op handelsreis’ of ‘op rooftocht’. In geen geval ging het om de naam van een volk. Zelf noemden of voelden mensen in Scandinavië zich geen Viking. In schriftelijke bronnen wordt soms de neutralere term ‘Norræner menn’ (‘Noormannen’) gebruikt. Die omschrijving is echter zo algemeen dat ook daar weinig mensen uit die tijd zich mee zullen vereenzelvigd hebben. En al gaat de prille staatsvorming van Noorwegen, Denemarken en Zweden terug tot de tijd van de Vikingen, ook van Noren, Denen of Zweden in de moderne betekenis was geen sprake. Waarschijnlijk gebruikten de meeste mensen gewoon de naam van hun boerderij of dorp, zoals vandaag iemand ‘van Tongerlo’ of ‘van den Wijngaard’ genoemd wordt. De oudnoordse samenleving was dan ook overwegend agrarisch, het leven speelde zich af op de boerderij of in het dorp. Met plundertochten op de Britse kusten hadden de meeste mensen weinig van doen. De boer, hij ploegde gewoon voort, ook in het jaar 793 in Scandinavië.

 

Van een echt Vikingvolk of Vikingrijk was dan misschien nooit sprake, toch lijken er in een uitgestrekt gebied in het huidige Noorwegen, Zweden en Denemarken vanaf de achtste eeuw groepen mensen geleefd te hebben waarvan de cultuur heel wat gemeenschappelijke kenmerken vertoonde. Ze spraken eenzelfde taal, het Oudnoors, deelden religieuze opvattingen en mythologische verhalen en ontwikkelden een verfijnd en hoogstaand kunstrepertoire dat regionaal heel wat overeenkomsten vertoonde. Hoewel het steeds om een minderheid van de bevolking ging, trok een aantal er blijkbaar ook graag op uit: via handelsreizen, plundertochten en de stichting van kolonies verspreidde de cultuur van de Noormannen zich in een gebied dat zich uitstrekt van Noord-Amerika tot het Verre Oosten en van Scandinavië tot de kusten van Noord-Afrika. Tegelijkertijd kreeg de cultuur van de Noormannen gestalte door de ontmoetingen met die andere volkeren. Een homogene cultuur was dat nooit. Tussen verschillende regio’s bestonden overeenkomsten, maar ook grote verschillen. Die kwamen vooral tot uiting in de specifieke decoratie van sieraden, de klederdracht en de manier waarop de doden begraven werden. Ook de populariteit van goden varieerde van streek tot streek. Net als voor het begin wordt ook voor het einde van de Vikingtijd vaak verwezen naar gebeurtenissen die zich buiten Scandinavië afspeelden. Tijdens de veldslag bij Stamford Bridge (Yorkshire, Verenigd Koninkrijk) op 25 september 1066 sneuvelde Harald II, koning van Noorwegen, in een poging de Engelse troon op te eisen. Het was het officiële einde van een langdurige aanwezigheid van Vikingen in Engeland. Volgens heel wat onderzoekers markeerde de gebeurtenis ook het einde van het expansieve Vikingtijdperk dat ongeveer driehonderd jaar geduurd had. Vanuit Scandinavisch perspectief levert het jaar 1066 echter opnieuw problemen op. Wanneer we kijken naar de materiële cultuur, blijkt daar niet meteen een breuk in op te treden. Het grootste deel van de runenstenen, die als het ware symbool staan voor de Vikingen, dateert van na het midden van de elfde eeuw. Hetzelfde geldt voor de jongste varianten van de Vikingkunst. Vandaag gaan we ervan uit dat de Vikingtijd op verschillende manieren gedefinieerd en afgebakend kan worden, afhankelijk van de gebeurtenissen die men bestudeert en hoe ze geïnterpreteerd worden. 

 


 

BOEREN EN KRIJGERS

 

 

SOCIALE STATUS

 

In de Vikingtijd bestond de samenleving uit boerengemeenschappen. Bezit van grond was bepalend voor de sociale positie en de levensloop. De sociale status van een individu was afhankelijk van zijn of haar positie binnen de familie. Er bestond een groot onderscheid tussen vrije en onvrije mensen. Bij de vrijen was er bovendien een groot verschil tussen boeren en aristocraten. Die verschillen kwamen tot uiting in de taakverdeling, de klederdracht en het soort wapens die ze droegen.

 

Bovenaan de maatschappelijke ladder stond de elite. Ze leefde op een aristocratische manier en bezat de grootste landerijen. De oudste zoon erfde alles en stond aan het hoofd van de familie van zodra zijn vader stierf. Mannen uit de elite lieten zich graag aanspreken als hoofdman of zelfs als koning. Als krijgsheren lieten ze zich omringen door een klein leger van vertrouwelingen en gingen ze allianties aan met andere families. Om hun macht en rijkdom te etaleren, liet de elite kostbare voorwerpen maken door de beste vakmensen: sieraden, wapens en paardentuig, maar ook luxueuze schepen, wagens en sleeën met fraai versierd houtsnijwerk. Aristocratische mannen en vrouwen werden met veel pracht en praal begraven, een manifestatie van hun rijkdom en sociale positie.

 

De meeste vrije mannen waren als boer of knecht werkzaam op de boerderij. Zij vormden de ruggengraat van de samenleving. De vrije mannen vertegenwoordigden hun familie in het ‘Ding’, een volksvergadering die verantwoordelijk was voor het bestuur en de rechtspraak in een bepaald territorium. Vrouwen bleven ogenschijnlijk op de achtergrond. Ze hadden het op de boerderij en in het huishouden nochtans voor het zeggen. Dat kan vandaag als een beperking voor de vrouw worden gezien, maar de boerderij stond wel centraal in het wereldbeeld van de Vikingen. Bovendien werd de bijdrage van vrouwen aan productie en nakomelingen erg gewaardeerd.

 

DE BOERDERIJ  

 

De meeste mensen in Scandinavië leefden van landbouw en veeteelt, aangevuld met jacht en visserij. Het leven speelde zich grotendeels af op de boerderij. Mannen en vrouwen, vrijen en onvrijen, deden er samen het werk. In het zuiden van Scandinavië lagen de boerderijen vaak dicht bij elkaar in dorpen. Verder naar het noorden was veel meer sprake van losse boerderijen. In beide gevallen stond er op het erf een groter woonhuis omringd door een aantal kleinere bijgebouwen. De zogenaamde langhuizen hadden meerdere functies, als woonhuis maar ook als stal of opslag. Ze waren soms wel twintig meter lang.

 

 

WAPENS

 

Vrije mannen hadden het recht wapens te dragen. De meesten droegen een mes of bijl. Het zwaard was het meest prestigieuze wapen, maar werd enkel gedragen door de mannen uit de bovenlaag van de samenleving, vaak om mee te pronken. De zwaarden van de Vikingen waren tweesnijdende slagzwaarden. De greep was meestal gemaakt van massief ijzer en eindigde in een knop. Tussen de greep en de kling was dwars een pareerstang aangebracht. Klingen werden vaak stevig gemaakt door ze te damasceren. Daarbij werden staven koolstofarm ijzer en koolstofrijk staal in een ingewikkelde techniek met elkaar versmolten en vervolgens uitgesmeed. De kling werd dan zowel hard als elastisch. De beste damastsmeden maakten prachtige, kleurrijke torsiepatronen en voorzagen de kling zelfs van letters. Ook aan het gevest van het zwaard werd veel zorg besteed. Vaak werd dat versierd met edelmetaal of brons. Voor de productie van zwaarden keken de Noormannen naar het Frankische Rijk. Daar was een staal ontwikkeld dat nauwelijks moest onderdoen voor ons hedendaagse, roestvrije staal. De sterke Frankische zwaardklingen waren in Scandinavië een gegeerd importproduct. Ze werden er voorzien van een greep naar eigen smaak en gewoonte.

 

 

HELMEN MET HORENS

 

We weten dat Vikingen ijzeren helmen droegen. Daarop wijzen afbeeldingen op stenen, tapijten en inscripties. Er zijn ook een handvol echte helmen uit de Vikingtijd gekend. Die werden gedragen door hoofdmannen, arme krijgers moesten zich behelpen met leren kappen die heel wat minder bescherming boden. Van de bewaarde helmen heeft geen enkele horens. Het beeld van de Vikinghelm met horens is een misverstand dat ontstaan is in de negentiende eeuw. Geïnspireerd door teksten van antieke auteurs en eigentijdse beeldvorming, gaf de Zweed Gustav Malmström Vikingen als eerste horens in zijn illustraties bij het dichtwerk Frithiofs saga. Het boek verscheen in meerdere talen en verspreidde de mythe. In 1876 werd Der Ring des Nibelungen, de opera van Richard Wagner, voor het eerst opgevoerd. Hunding, een van de boosaardige karakters in de opera, droeg een gehoornde helm als deel van zijn kostuum. Hoewel de opera niet expliciet over de Vikingen gaat, werd met deze uitvoering het verband gelegd tussen helmen, horens, de oudnoordse mythologie en de Vikingen. De voorstelling van de gehoornde helm is in de twintigste eeuw uitgegroeid tot een krachtig symbool en een commercieel handelsmerk.

 


 

DE RELIGIE VAN DE VIKINGEN

 

 

OUD GEBRUIK

 

De oudnoordse religie was niet gebaseerd op een gemeenschappelijke theologische leer of een heilig schrift. Er bestond zelfs geen woord om de religie te benoemen. Soms wordt over ‘forn siðr’ gesproken, wat zoiets als ‘oud gebruik’ betekent. Dat omvatte alle aspecten van het leven en de dood. Het was meer dan alleen de verering van een of meerdere goden, het functioneerde ook als een systeem van opvattingen en normen en stoelde op cultusuitoefening en rituelen. Er zijn geen eigentijdse bronnen die het geloof en de religieuze gebruiken van de Noormannen beschrijven. Veel mythen zijn waarschijnlijk nooit opgetekend, terwijl andere, die later zijn neergeschreven, in de loop der tijd verloren zijn gegaan. Het meest samenhangende verslag dat we kennen, is de zogenaamde prozaïsche Edda. Die verzameling teksten werd rond 1220-1230, meer dan eeuw na het einde van de Vikingtijd, opgetekend door de IJslandse dichter Snorri Sturluson. Bepaalde elementen vinden we ook terug in de poëtische Edda, die vermoedelijk geschreven werd door de IJslandse hoofdman Sæmundr Sigfusson (1056-1133). Naast de Edda’s zijn er nog heel wat gedichten die door anonieme hofdichters geschreven zijn. Ook daarin zijn vroege beschrijvingen van de oudnoordse religie en mythologie terug te vinden.

 

In de teksten vinden we expliciete beschrijvingen van de godenwereld, maar ook van het ontstaan en de ondergang van de wereld. We leren dat er aanvankelijk een gapende leegte was, Ginnungagap. Aan de ene kant van de kloof lag het vuurrijk Muspel en aan de andere kant het rijk van de koude, Nifel. Toen het vuur en het ijs elkaar troffen, ontstond de reus Ymer. Zijn benen kregen kinderen met elkaar en schonken het leven aan de reuzen. Buri, de stamvader van de goden, werd door Ymer’s koe Audhumla uit een zoutsteen te voorschijn gelikt. Zijn kleinkinderen – Odin, Vili en Ve – doodden Ymer en schiepen de wereld uit zijn lichaam. Uit hen ontstonden ook alle andere oudnoordse goden.

 

De goden schiepen vervolgens negen verschillende werelden. Een eerste wereld is die van de mensen, Midgaard. Hij werd gemaakt van de wenkbrauwen van de reus Ymer. Midgaard wordt omgeven door een oceaan van water om de mensen tegen de reuzen te beschermen. In het water bevindt zich de verafschuwde Midgaardslang, die door de goden in de zee gegooid werd en daar steeds langer wordt. Ze houdt het heelal bij elkaar door zichzelf in de staart te bijten. De goden zelf wonen in de versterkte burcht Asgaard, die met Midgaard verbonden is door de brug Bifröst. Het koude en dorre Jotunheim wordt bevolkt door reuzen en dwergen. De reuzen zijn kwaadaardige wezens die Asgaard en Midgaard voortdurend bedreigen en de wereldorde omver trachten te werpen. Dwergen zijn kleine wezens die in de grond of in stenen wonen. In Midgaard en Asgaard heersen orde, in Jotunheim wanorde. Er zijn nog heel wat andere werelden, zoals Alfheim, Helheim en Nifelheim. De wereldsamenhang wordt gezien als een boom, Yggdrasil, waarin de verschillende werelden hun plaats hebben in ruimte en tijd.

 

 

DE GODEN

 

De goden zijn verdeeld in twee families. De Asen zijn de volgelingen 17 van Odin, de Wanen zijn de volgelingen van Vili en Ve. Volgens de mythen was de relatie tussen beide godenfamilies aanvankelijk vijandig. Een oorlog brak uit toen de Asen de reuzin Gullveig mishandelden en haar tot drie keer toe probeerden te vermoorden. De reuzin, bijgestaan door de Wanen, overleefde alle pogingen. Het kwam tot een wapenstilstand waarbij beide partijen gijzelaars uitwisselden. De Wanen vervoegden de Asen voortaan in Asgaard. De negatieve gevoelens verdwenen en beide godenfamilies leefden in vrede met elkaar. 

 

De Asen vormen de grootste godenfamilie. Odin is de slimste en machtigste van alle goden. Hij is een tovenaar en kan de toekomst voorspellen. Odin kan mensen de dood in sturen, hun verstand en kracht nemen om het aan anderen te geven. Sleipner is het achtbenige paard van Odin, Hugin (‘gedachte’) en Munin (‘geheugen’) zijn twee raven. Ze vliegen elke dag over de wereld en vertellen Odin wat ze gezien hebben. Odin is getrouwd met Frigg, die het huwelijk en het moederschap beschermt. Hij heeft veel kinderen bij zowel godinnen als reuzinnen. Hij is de vader van onder andere Thor en Balder. De naam van Odin, in het Oudgermaans ook wel Wodan genoemd, leeft in het Nederlands en het Engels voort in het woord ‘woensdag’. Thor is gigantisch sterk. Hij draagt ijzeren handschoenen die hem helpen zijn hamer Mjölner vast te houden. Wanneer Thor in een door bokken getrokken wagen langs de hemel trekt en zijn hamer wegslingert, breekt onweer met donder en bliksem los. Thor gaf zijn naam in het Nederlands, Duits en Engels aan het woord ‘donderdag’. Balder is de zoon van Odin en Frigg. Hij is de mooiste god en iedereen houdt van hem. 

 

De Wanen zijn vruchtbaarheidsgoden. Er zijn er maar drie: de zeegod Njord en zijn kinderen Freyr en Freya. Freya spreekt wellicht het meest tot de verbeelding. Ze woont in Folkvang en heerst over liefde en oorlog. Freya beheerst de kunst om in de toekomst te kijken. Ze is erg mooi en draagt de broche Brisingamen, die door vier dwergen voor haar gemaakt werd nadat ze met hen naar bed is geweest.

 

DE WALKUREN

 

De Walkuren zijn oorlogsgodinnen in dienst van Odin. Ze rijden over de slagvelden en zoeken de krijgers uit die in de strijd gaan sneuvelen. Ze begeleiden de helft van de gevallen krijgers naar Walhalla, de woonplaats van Odin in Asgaard. De gevallen krijgers genieten er van grootse feestmaaltijden, waarbij eten en drank nooit opraken. Walhalla is een gigantisch legerkamp waar de krijgerselite wordt getraind voor Ragnarok, de mythologische eindstrijd van de goden tegen reuzen en monsters. Freya, de belangrijkste en bekendste Walkure, ontvangt de andere helft van de gevallen krijgers, die niet naar Walhalla gaan, in haar woonplaats Folkvang. Mannen die niet op het slagveld om het leven komen maar van ouderdom of ziekte gaan net als vrouwen en kinderen naar Hel.

 

 

HET LOT VAN DE GODEN

 

De wereldsamenhang was geen eeuwig leven beschoren. Ooit zou hij verloren gaan, om daarna opnieuw te verrijzen in de vorm van een nieuwe, betere wereld. Dat verhaal wordt Ragnarok genoemd. Het is het verhaal over de geschiedenis en het lot van de heersende machten. Het gaat terug op de profetie van een zieneres en vormt als het ware de kern van het oudnoordse geloof en wereldbeeld. 

 

De onmiddellijke aanleiding van Ragnarok is de dood van Balder. Nadat Frigg verneemt dat Balder met een tak zou worden gedood door zijn broer, de blinde god Hodr, bedenkt ze een plan om haar zoon te redden. Ze laat alles en iedereen zweren Balder geen kwaad te doen. Loki, een wrede onruststoker, komt echter te weten dat ze daarbij de maretak over het hoofd heeft gezien, een zo zwakke plant dat er geen gevaar van te verwachten valt. Loki maakt een pijl uit maretak en haalt Hodr over op Balder te schieten, die sterft. Frigg vraagt daarop Hel, de heerseres van de doden, om Balder terug te sturen, maar Loki steekt daar opnieuw een stokje voor. Als straf wordt hij vastgeketend aan drie scherpe rotsen, waar hij moet wachten tot de dag dat Ragnarok aanbreekt.

 

Na de dood van Balder breekt een vreselijke winter aan die drie jaar zou duren. De wolven verslinden de zon en de maan, de sterren verdwijnen en de wereld wordt in complete duisternis gehuld. De wereld gaat daarbij zo hevig schudden dat alle bomen ontworteld worden en alle bergen instorten. Loki komt vrij en ook zijn zoon de Fenrirwolf weet zich van zijn ketenen te ontdoen. De Midgaardslang rijst op vanuit de oceaanbodem en doet de zeeën overlopen. Drie hanen kraaien om aan te geven dat de krachten van het kwaad eindelijk zijn ontketend. De reuzen, de monsters en de doden die niet in de strijd zijn gesneuveld, trekken onder leiding van Surt, Loki en Hel naar de Vigridvlakte, waar ze zich opmaken voor de eindstrijd tegen de goden. Heimdall slaat alarm door met alle kracht op zijn hoorn te blazen. Daarop gaat de wereldboom Yggdrasil koortsachtig daveren, waarna alles op aarde, in de hemel en in de hel aan het schudden gaat. De goden trekken met alle helden uit Walhalla naar het slagveld en nemen de wapens op. Bij het treffen sneuvelen bijna alle goden. Tot slot verspreidt Surt vuur over de negen werelden, waardoor alles vernield wordt in een alomvattende wereldbrand. De aardestructuur zinkt uiteindelijk geheel weg in de oeroceaan. 

 

Ragnarok is het einde van de wereld, maar ook het begin van een nieuwe wereld waarin een nieuw evenwicht ontstaat tussen orde en chaos. Enkele goden overleven Ragnarok, Balder en zijn broer Hodr, die nog voor Ragnarok stierven, komen terug uit Hel en verblijven in de vroegere hal van hun vader Odin (Walhalla). Ook twee mensen overleven Ragnarok: Liv (‘leven’) en Lifthrasir (‘levensdrang’). Uit hun komt een nieuwe generatie van mensen voort.

 

 

DE KOMST VAN HET CHRISTENDOM 

 

Aan het begin van de Vikingtijd, rond 750, waren grote delen van Europa al eeuwenlang christelijk. In de daaropvolgende eeuwen liet het christendom zich ook steeds meer gelden in het Noorden. De nieuwe leer kwam in de diverse gebieden in contact met verschillende tradities. Het ging niet om één, maar om meerdere bekeringen en bekeringsgolven. Pas rond 1100 werd het christendom overal de enige religie, althans officieel. Meer dan eender welke politieke gebeurtenis betekende de komst van het christendom het einde van het Vikingtijdperk. Scandinavië werd in grote mate geïntegreerd in de cultuur van de rest van het continent.

 

De Vikingen kwamen in contact met het christendom tijdens hun handels- en plundertochten. Daarnaast was er een langzame maar zekere bekering in Scandinavië zelf. Vooral vanuit de Angelsaksische en Germaanse wereld arriveerden missionarissen. Met de steun van lokale heersers ondernam de Frankische missionaris Ansgarius een weinig succesvolle poging in de streek van het huidige Denemarken en Zweden, waar hij in 832 een eerste kerk oprichtte. In Zweden zou het christendom pas rond het midden van de twaalfde eeuw echt helemaal doordringen. In de regio van het huidige Denemarken gebeurde de bekering in de tijd van koning Harald Blauwtand, rond het jaar 960. Blauwtand stond er, net als het draadloze communicatieprotocol Bluetooth dat vandaag naar hem genoemd is, om bekend mensen ‘samen te brengen’ in vreedzame onderhandelingsposities. Hij bracht ook de regio’s van het huidige Denemarken en Noorwegen samen in een gemeenschappelijk territorium. Aan het begin van de elfde eeuw bestendige Knut de Grote, koning van Denemarken en Engeland, definitief de macht van het christendom in Denemarken. In Noorwegen voltrok het proces zich kort daarna. 

 

Er waren cruciale verschillen tussen de inheemse, oudnoordse religie en het christendom. De eerste was gebaseerd op cultusuitoefening en rituelen, er was geen uitgesproken theologische leer. Ze was collectief van aard met de familie als middelpunt. De godenwereld werd bevolkt door vele goden en godinnen. Het christendom was een universele godsdienst met uitzicht op verlossing en met een leer en dogma’s. Deze was individueel, had één enkele god en was hiërarchisch en patriarchaal van aard. Beide geloofssystemen hebben waarschijnlijk vaak naast en door elkaar gefunctioneerd. Dat zien we ook in de materiële cultuur, waar het christelijke en het oudnoordse gedach¬tegoed soms tot een soort hybride gecombineerd worden.

 

RUNEN

 

Voor de Vikingen was het gesproken woord belangrijker dan het geschreven woord. Ze spraken Oudnoors, net als vandaag het Duits, het Engels en het Nederlands, een Germaanse taal. Schrijven deden de Noormannen met runen. Dat schrift hebben ze zeker niet zelf ontwikkeld en evenmin hadden ze er een patent op. Het werd gebruikt door Germaanse volkeren van Noord-Europa, Groot-Brittannië, Scandinavië en IJsland vanaf ongeveer de derde tot de zeventiende eeuw. Het runenschrift bestond uit letters samengesteld uit meestal rechte en hoekige lijnen die gemakkelijk in steen of hout konden worden gekrast. Voor teksten op metaal werden ook wel ronde vormen gebruikt. Elk teken van een runenreeks stond voor een klank. Het schrift wordt ook wel ‘Futhark’ genoemd, naar de fonetische klanken die aan de eerste zes karakters worden toegeschreven. Er bestaan verschillende soorten runenschriften. Iedere periode en iedere streek kende zijn eigen runenreeksen. De Vikingen gebruikten het jongere Futhark, met 16 tekens.

 

Veel teksten staan als inscripties op runenstenen, herdenkingsstenen die waren opgesteld op goed zichtbare plekken in het landschap. Oorspronkelijk waren ze in felle kleuren geschilderd zoals rood, zwart, wit en blauw. Er zijn ongeveer 3.000 runeninscripties gekend op stenen, gladde rotsen en rotsblokken, waarvan het merendeel in Zweden. De tekst op runenstenen volgt vaak de vorm van het lange, verstrengelde lichaam van een draak, mogelijk de Midgaardslang uit de oudnoordse mythologie. Tegelijkertijd speelden de runenstenen een belangrijke rol in de verspreiding van het christelijke geloof. In vele gevallen maakt het christelijke kruis deel uit van het ontwerp van de steen. De inscriptie zelf wordt vaak afgesloten met een christelijk gebed.

 


 

VAKMANSCHAP

 

 

MANUSJES-VAN-ALLES 

 

De ambachtslui uit de Vikingtijd werkten met veel verschillende materialen: textiel, ijzer, staal, brons en edelmetalen, beenderen en hoorn, leer, glas en leem. Getalenteerde vaklui beheersten meerdere ambachten. Ze waren erg bekwaam en beschikten over een kennis en ervaring die was opgebouwd gedurende meerdere generaties. In de literaire bronnen worden ambachten vooral als een mannelijke bezigheid beschreven. Het is niet duidelijk in hoeverre ook vrouwen ambachten uitoefenden. Smeden en ambachtslui reisden van plaats naar plaats en boden hun diensten aan, aan degene die het best betaalde. Er bestaat nog onenigheid tussen wetenschappers of ze maatschappelijk tot de vrijen of onvrijen behoorden. 

 

Hout was de grondstof voor huizen, schepen en boten maar ook voor huishoudelijk gerei, gereedschap, bedden, stoelen en banken. Met kleine bijlen, hamers, beitels en messen versierden de timmerlui en houtbewerkers de voorwerpen heel vakkundig of voorzagen ze van metaalbeslag;

 

Het textielhandwerk was goed ontwikkeld. Op een weefgetouw werden kleurrijke wandtapijten en dekens geweven van wol en linnen dat op plantaardige wijze geverfd was. Met weefkaartjes en kleine weefkammen werden zijden bandjes met een patroontje er in gemaakt voor op de kleren of als bies op kussens of kleden. Met zilver- en gouddraad werden exclusieve patronen en motieven gemaakt. Van bot en gewei van elanden of herten werden tal van voorwerpen gemaakt: kammen, naalden, spinklosjes, weefkaartjes en glissen, maar ook huishoudelijk gerei en gereedschappen werden van dit materiaal gemaakt. Vindingrijke beenbewerkers maakten speelstukken uit de tanden van eland. Uit walrusbot of -tanden kon exclusief beslag vervaardigd worden.

 

Uit ijzeroer en andere ertsbronnen werd in de smederij het ijzer gewonnen. Dat werd vervolgens tot halffabricaten verwerkt. Die werden na verhardingsprocessen met houtskool door de smeden vakkundig tot wapens en gereedschap gesmeed. Met inlegwerk van brons of zilver konden de wapens fraai versierd worden. Bronsgieters, goud- en zilversmeden maakten kunstige sieraden en gebruiksvoorwerpen: halsringen, armbanden, kledingspelden, riembeslag en gespen. Ze verleenden status aan de hoofdmannen en de elite. De ambachtslui beheersten alles, van het gieten en smeden tot het vergulden van brons en het werken met de filigraan- en granulatietechnieken. Bij de filigraantechniek wordt fijne goud- of zilverdraad in allerlei patronen op het oppervlak van een sieraad bevestigd. Bij granulatie worden minuscule gouden korreltjes tegen elkaar op een ondergrond bevestigd. Dergelijk precisiewerk werd in donkere ruimten binnenshuis uitgevoerd. Veel van wat de ambachtslui in de Vikingtijd maakten, is kwalitatief zo hoogstaand dat het vandaag de dag moeilijk na te maken is.

 

 

KUNST VAN DE VIKINGEN

 

De kunst uit de Vikingtijd was vooral decoratief en werd toegepast om allerlei voorwerpen mee te versieren. Ze was de erfgenaam van de kunst die in de vijfde en zesde eeuw elders in Europa ontwikkeld was, maar daar met de opkomst van het christendom intussen weer verdwenen was. De patronen die gebruikt werden, waren levendig, verfijnd en sprongen in het oog. Naast vlechtwerk waren de basismotieven vaak op de natuur gebaseerd. Voorstellingen van gestileerde dieren en planten waren erg populair, soms gecombineerd met menselijke gezichten die in vergelijking erg naturalistisch werden weergegeven. Typisch was het motief van het ‘grijpende beest’, waarbij een dier met zijn klauwen de overige elementen omklemde. De vorm en aard van de motieven veranderde in de loop der tijd en zo ontstonden verschillende stijlen, van de primitieve ‘Broastijl’ aan het begin van de negende eeuw tot de ‘Urnes-stijl’ op het einde van de elfde eeuw. 

 


 

'OP VIKING' DE WERELD ROND

 

 

OP HANDELSREIS

 

De Vikingen staan dan misschien vooral als woeste barbaren en plunderaars bekend, in de eerste plaats waren het uitstekende handelaars. Aanvankelijk nog kleinschalig en lokaal van aard, ontstonden halverwege de achtste eeuw op vele plaatsen in Scandinavië grotere handelsplaatsen. In de nieuwe handelscentra leefden de meeste mensen van het maken en verkopen van andere dingen dan landbouwproducten. Het verschil met vroegere nederzettingen is dat de huizen dicht op elkaar en volgens een plan werden gebouwd. Maar het waren geen steden in de huidige zin. De bekendste waren Birka (Zweden), Kaupang/ Skiringssal (Noorwegen), Ribe (Denemarken) en Hedeby (Duitsland).

 

Nieuwe ideologieën, religieuze systemen en politiek gedachtegoed bereikten Scandinavië. Exotische waren stroomden de havens binnen. Degenen die het zich konden veroorloven, kochten of ruilden Frankische glazen bekers, een Iers kruis, een zilveren hanger met bergkristallen uit Zuidoost-Europa of zelfs schelpen uit de Rode Zee of de Indische Oceaan. Ook zilveren Arabische munten, zijde, specerijen, wijn en aardewerk waren erg gegeerd. Bont, honing, bijenwas, slaven en diensten gingen de andere kant op. 

 

 

OP ROOFTOCHT 

 

Handelsplaatsen, in Scandinavië maar ook in de rest van Europa, trokken luxeartikelen van heinde en verre aan en waren dus geschikte plekken voor rooftochten. Handelaars die terugkeerden van buitenlandse reizen, vertelden verhalen over onbewaakte kloosters en steden waar de rijkdom voor het rapen lag. Diegenen die niet het geduld hadden om rijk te worden door de handel, trokken er plunderend op uit. Rooftochten en handel waren waarschijnlijk nauw met elkaar verbonden. Naast raids en handelsmissies trokken Noormannen er op uit op zoek naar nieuw land, dat al dan niet gewapenderhand werd ingenomen. Vaak speelde een mengeling van motieven een rol.

 

De vroegste reizen gingen oostwaarts, over de Oostzee in de richting van het huidige Rusland. Ze gingen vooral uit van mensen uit de streek van het huidige Zweden. De reisweg liep langs stromen en rivieren, maar moest soms onderbroken worden om een stuk over land af te leggen. Het was het begin van een langdurige band met de regio, waarbij Rusen, Noormannen uit Oost-Scandinavië die zich als kolonist in de regio gevestigd hadden, een rol zouden spelen in de stichting van het Kievse Rijk, een voorloper van wat later Rusland zou worden. Maar het was ook de start van een verdere expansie oostwaarts. Noormannen doken op in de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel, die in 860 en 907 zelfs geplunderd werd. Ook met Jeruzalem en Bagdad onderhielden de Noormannen nauwe contacten. Westwaarts trokken Noormannen, vooral van ‘Deense’ en ‘Noorse’ oorsprong, aan het einde van de achtste eeuw richting de Britse eilanden, de Noordzee¬kust en het Frankische Rijk. De contacten waren aanvankelijk nog op handel gericht, maar mondden al gauw uit in heuse plundertochten.

 

De Noormannen profiteerden optimaal van de politieke situatie en verdeeldheid in West-Europa. Na de dood van Karel de Grote was het eens zo machtige Frankische Rijk beginnen verzwakken, een proces dat in 843 (Verdrag van Verdun) nog versterkt werd door de verdeling van het rijk onder zijn drie kleinzonen: Lodewijk de Duitser, Karel de Kale en Lotharius. Aan de andere kant van het Kanaal ondervonden de Vikingen niet veel meer weerstand. De regio was verdeeld in een aantal kleine koninkrijkjes die er niet in slaagden zich efficiënt te organiseren om het dreigende gevaar af te wenden. Tegelijkertijd wisten de Noormannen hun troeven optimaal uit te spelen. Ze kenden een nauwelijks te stuiten expansiedrang en waren heer en meester op zee. Mogelijk heeft ook een lichte klimaatsverbetering een rol gespeeld. Door het smelten van gletsjers, zachtere winters en het terugvallen van de kindersterfte in Scandinavië zagen misschien wel meer jongemannen de kans schoon om op avontuur te trekken, waardoor de intensiteit van de Vikingtochten toenam.

 

Als de Vikingen de lokale bevolking niet konden verdrijven, gingen ze een tijd lang in het land te keer om zo een overeenkomst af te dwingen. Zo werd Frankrijk al vanaf het begin van de negende eeuw door Vikingaanvallen geteisterd. In 845, na de eerste plundering van Parijs, betaalde Karel de Kale maar liefst 7.000 pond zilver aan de Vikingleider Ragnar, met als verzoek het gebied van de Seine zo snel mogelijk te verlaten. Aan dergelijke afspraken blijken de Vikingen zich goed gehouden te hebben. Vaak gebeurde de betaling in de vorm van een stuk land dat 31 hen werd toebedeeld. Zo hielden de leiders niet enkel de Vikingen kalm, maar zorgden ze er ook voor dat die de streek verdedigden tegen aanvallen van andere Noormannen. Nog meer raids op Parijs en het Seinegebied dreven de Fransen tot wanhoop. In 911 kreeg de mythische hoofdman Rollo van koning Karel de Eenvoudige een gebied in Noordwest-Frankrijk als leengoed. Het werd nadien naar de Noormannen ‘Normandië’ genoemd. Ook Engeland kreeg in de loop van de negende eeuw te maken met een aantal Vikinginvasies vanuit Deens gebied. Net als in Frankrijk betaalden zij ‘Danegeld’ aan de Vikingen, in de hoop dat ze weg zouden gaan. Zaligmakend was dat niet, en in 878 werd Alfred de Grote, die zich ‘koning van de Angelsaksen’ liet noemen, gedwongen om grote delen van het oosten en noorden van Engeland aan de Noormannen af te staan. In de ‘Danelaw’, zoals het gebied genoemd werd, golden voortaan de wetten van de ‘Deense’ Vikingen.

 

 

EEN NIEUWE WERELD

 

Al vanaf het begin van de Vikingtijd vestigden Noorse Vikingen zich in zo goed als onbewoonde gebieden, zoals het noorden van Schotland, de Shetlandeilanden en de Hebriden. Vanaf ongeveer 860 verkenden en koloniseerden Noormannen de kusten van IJsland. Rond 930 was zowat alle beschikbare landbouwgrond er in gebruik, en werd op zoek gegaan naar nieuw land. Eén man speelde een bijzondere rol in deze verdere expansie westwaarts. Erik de Rode was eerder vanuit Noorwegen naar IJsland getrokken nadat hij in een familieruzie twee tegenstanders had vermoord. Ook in IJsland kwam hij in de problemen en hij werd er tijdelijk verbannen. Rond 985 meerde hij aan in Groenland, waar nieuwe kolonies gesticht werden. In 1001 zou Leif Eriksson, de zoon van Erik de Rode, voet aan wal gezet hebben op Newfoundland, in het huidige Canada. Hij zou daarmee, eeuwen voor Christoffel Colombus, de eerste Europeaan geweest zijn in Noord-Amerika. Er werden pogingen ondernomen er een kolonie te stichten, maar dat werd nooit een groot succes.

 

HET PAARD VAN DE ZEE

 

Schepen speelden een belangrijke rol in het leven van de Vikingen. Ze worden regelmatig genoemd in oudnoordse gedichten, en krijgen poëtische namen als ‘het paard van de zee’ of ‘het paard van de golven’. Ook in het begrafenisritueel speelden schepen een belangrijke rol. De schepen uit de Vikingtijd associëren we meestal met de snelle oorlogsschepen. Die hadden naast zeilen ook roeiers en konden zo heel hoge snelheden halen. De snek was een vrij klein oorlogsschip, terwijl het langschip een lengte kon hebben van 20 tot 40 meter. Om de vijand te intimideren was het langschip vaak versierd met houtsnijwerk op de boorden en de voor- en achterstevens. Uit afbeeldingen uit die tijd blijkt die versiering soms de vorm van een slangen- of drakenkop te hebben aangenomen. De meeste schepen, zoals de knarr en de karve, waren geen oorlogsschepen maar vrachtschepen gevuld met goederen. Ze zeilden langzaam. De knarr was het grootste vrachtschip. Het had een grote diepgang met een hoge romp en was daarom geschikt om op open zee te zeilen. Er waren tot slot nog heel wat andere schepen, zoals kleine boten die men over land kon trekken om zo van de ene naar de andere rivier te gaan.

 


 

VIKINGEN IN DE LAGE LANDEN (800-1100)

 

 

GEWELDDADIGE ACTIES

 

Rond 800, kort na de eerste plundertochten van de Vikingen op de Britse eilanden, liet Karel de Grote verdedigingswerken optrekken langs de kusten en de mondingen van de grote rivieren aan de noordflank van het Frankische Rijk. Waaruit de versterkingen van Karel de Grote bestonden is niet geweten, we kennen ze enkel uit geschreven bronnen. Korte tijd heeft dit verdedigingssysteem blijkbaar naar behoren gefunctioneerd, en was er sprake van rust, maar na verloop van tijd bleek het niet afdoende tegen nieuwe en veel intensievere raids. De aanvallen door Noormannen in de Lage Landen, op enkele uitzonderingen na alle afkomstig uit het gebied van het huidige Denemarken, werden in de loop van de negende eeuw steeds frequenter. Vanaf de jaren 830 werden de kusten rond de Noordzee regelmatig geteisterd door Vikingen. In eerste instantie vielen ze vooral snel bereikbare en moeilijk verdedigbare nederzettingen langs de kust en op eilanden aan. Geleidelijk drongen ze via de rivieren ook dieper het binnenland in. Kerken en kloosters, die traditioneel niet omwald waren, waren een gemakkelijk doelwit. Ook handelsplaatsen, die door de aard van hun activiteiten per definitie open waren, waren kwetsbaar. Bovendien waren er voor de komst van de Vikingen geen aanvallen van over water te vrezen, men was in zijn geheel niet voorbereid op hun komst. Dorestad, het Friese handelscentrum aan de Rijn (bij het huidige Wijk bij Duurstede in Nederland) dat de Vikingen als handelaren en zeevaarders goed kenden, werd vanaf 832 vier jaar achtereen geplunderd en platgebrand. Volgens geschreven bronnen werd Antwerpen in 836 door de Noormannen gebrandschat. In 837 was ook Walcheren, een schiereiland in het westen van Zeeland, aan de beurt. De acties uit die tijd waren vooral politiek geïnspireerd. De Karolingische vorsten hadden geen verweer tegen de gewelddadige acties en probeerden de ‘Deense’ aanvoerders aan zich te binden door hun de kustgebieden in leen aan te bieden. 

 

Op die manier hoopten ze hen aan de Karolingische zaak te binden. Zo kwamen in de tweede helft van de negende eeuw delen van Nederland onder controle van de ‘Deense’ Vikingen Rorik en Harold. Ook een stad als Antwerpen stond een tijd de facto onder Vikinggezag. Pas in 885, na de moord op Godfried de Noorman, zou de macht van de ‘Denen’ in de regio weer afnemen.

 

Onrust in het thuisland bracht vanaf het jaar 850 een nieuwe stroom van inwijkelingen uit de streek van het huidige Denemarken op gang. In het hele Noordzeegebied, maar ook ver daarbuiten, leidde dit tot een sterke toename van het aantal Vikingactiviteiten. In Nederland kregen onder andere Dorestad en Utrecht het zwaar te verduren. Er werden ook heel wat plundertochten ondernomen in het gebied van de Schelde en de IJzer. Onder andere Gent zou in vlammen opgegaan zijn. Pas rond het jaar 864 kwam er dankzij de krachtdadige aanpak van graaf Boudewijn I van Vlaanderen weer wat stabiliteit. De Lage Landen bleven grotendeels gespaard van Vikingraids, waarschijnlijk omdat die hun aandacht verlegden naar Engeland. Enige tijd later, in 879, stak een groot leger – in feite een alliantie van bendes met een verschillende herkomst, van Noormannen van ‘Deense’ en ‘Noorse’ oorsprong tot allerhande vrijbuiters die zich de jaren voordien bij de groep hadden aangesloten – vanuit Engeland opnieuw het Kanaal over. Er werden vooral in Vlaanderen, Brabant en de Ardennen strooptochten georganiseerd. 

 

Aanvankelijk waren de plundertochten vooral een seizoensactiviteit. Voor de winter voeren de Vikingen met hun schepen weer naar huis. Vanaf de tweede helft van de negende eeuw bleven ze vaker permanent in de regio en trokken ze tijdelijke nederzettingen of winterkampen op, ook in de Lage Landen. Het liet hen toe langere expedities op het getouw te zetten en verder landinwaarts te trekken dan voorheen. Zo bereikten Noormannen ook de Maasvallei. Twee koningen, Godfried en Siegfried, vestigden zich in Ascloa, een plaats die meestal geïdentificeerd wordt met Asselt in Nederlands Limburg. Van daaruit zetten de Noormannen hun tocht verder met in 881 aanvallen op Luik, Maastricht en Tongeren. Nadien volgden onder andere nog de steden Keulen, Bonn en Aken en de kloosters van Malmedy en Stavelot. Archeologisch is van de doortocht van de Vikingen in bijvoorbeeld Tongeren, Luik en Maastricht geen spoor te bekennen. We kennen deze feiten dankzij de geschriften van Regino van Prüm, de abt van de abdij van Prüm (Duitsland), die in 892 zelf voor de tweede keer slachtoffer werd van een Vikingraid. In zijn wereldkroniek schrijft hij: “Bij hun eerste strooptocht verwoestten zij de omgeving en brandden zij de stad Luik, de vesting Maastricht en de stad Tongeren plat.” Meer details geeft hij niet. De aanwezigheid van de Noormannen zal hoe dan ook kortstondig geweest zijn. Uit recent DNA-onderzoek in Vlaanderen is gebleken dat Scandinaviërs uit de tijd van de Vikingen geen genetisch materiaal in onze regio hebben nagelaten. 

 

In 882 vond een vernietigende overval in het lJsselgebied plaats, waarbij Zutphen en Deventer gebrandschat werden. De aanvallen zijn gekend uit schriftelijke bronnen, maar in Zutphen werden uitzonderlijk ook archeologische bewijzen aangetroffen. Als reactie op de verwoestende Vikingaanvallen uit deze tijd werden in de tweede helft van de negende eeuw in de Lage Landen een aantal versterkte nederzettingen of ringwalburchten opgetrokken. Mensen trokken zich daar terug bij gevaar. Dergelijke burchten zijn gekend in Zeeland, het IJsselgebied en mogelijk ook in Vlaanderen. 

 

In 891 leden de Vikingen volgens kroniekschrijvers een belangrijke nederlaag in Leuven. Nadien werden nog strooptochten ondernomen in oostelijke richting, maar kort daarop verlieten de Noormannen de streek richting Engeland. Over plundertochten in de tiende eeuw zwijgen de historische bronnen. Wellicht waren de contacten in die periode vreedzamer van aard: we kunnen denken aan handel en het afkopen van geweld door het schenken van grote sommen geld en waardevolle voorwerpen aan Vikingen.

 


PRAKTISCH

 

TENTOONSTELLINGEN

 

VIKINGEN!

Van 18 oktober 2014 tot 15 maart 2015

 

Gallo-Romeins Museum

Kielenstraat 15, 3700 Tongeren

Tel. 012 67 03 30

grm@limburg.be

www.twitter.com/GalloRomeinsMus

www.facebook.com/galloromeinsmuseum

www.galloromeinsmuseum.be

 

Openingsuren

Dinsdag tot en met vrijdag van 9 tot 17 u. Zaterdag, zon- en feestdagen, schoolvakanties van 10 tot 18 uur.

Het museum is gesloten op maandag, behalve als dat een feestdag is.

 

Toegangsprijzen

Vikingen!

Volwassenen: € 10,00

Kinderen en jongeren van 4 tot 26 jaar: € 1,00

55+, andersvaliden, kortinghouders en groepen: € 8,00

Gezinnen: € 21,00

 

Vikingen + de permanente collectie

Volwassenen: € 15,00

Kinderen en jongeren van 4 tot 26 jaar: € 1,00

55+, andersvaliden, kortinghouders en groepen: € 10,00

Gezinnen: € 31,00

 

De audioguide en deelname aan de creatieve kinderworkshops zijn inbegrepen in de toegangsprijs.

 

De tentoonstelling kwam tot stand in samenwerking met The Swedish History Museum en MuseumsPartner.

 

 

VIKINGEN IN DE LAGE LANDEN (800-1100)

Van 18 oktober 2014 tot 16 maart 2015

 

Centre Céramique

Avenue Céramique 50

6221 KV Maastricht Nederland

Tel.: + 31 43 35 05 600

www.centreceramique.nl

 

Openingsuren

Dinsdag van 9 tot 21 u. woensdag, donderdag en vrijdag van 9 tot 18 u. Zaterdag en zondag van 13 tot 17 u.

De expo is gesloten op maandag.

 

Toegangsprijzen

De toegang tot de tentoonstelling is gratis.

Bezoekers met een bibliotheekpasje van Centre Céramique krijgen op de tentoonstelling ‘Vikingen!’ in het Gallo-Romeins Museum een korting van twee euro op het vol tarief. 

 


 

AUTEUR

Bart Demarsin studeerde in 1998 af als archeoloog aan de KU Leuven. Hij was betrokken bij de opgravingen van het antieke Sagalassos (Turkije) en Herdonia (Italië) en bij een aantal internationale onderzoeksprojecten in Hawara en El-Hosh (Egypte). Sinds 2001 is Bart Demarsin tentoonstellingscoördinator in het Gallo-Romeins Museum in Tongeren. Hij zette er mee zijn schouders onder succesvolle tentoonstellingen als Neanderthalers in Europa (2003-2005), Sagalassos, City of Dreams (2011-2012) en De Etrusken – Una storia particolare (2013). Hij was ook nauw betrokken bij de ontwikkeling van het nieuwe Gallo-Romeins Museum, dat in 2011 als eerste Belgische museum de felbegeerde European Museum of the Year Award ontving van de Raad van Europa.