U bent hier

Richard van der Spek - B.K.R. syndroom

Richard van der Spek - B.K.R. syndroom
Wanneer een kunstenaar door middel van zijn werk iets wil zeggen van algemene strekking en wanneer hij bovendien wil dat datgene wat hij te zeggen heeft verstaanbaar is en doordringt tot het publiek, dan staan hem in ieder geval twee dingen te doen. Hij moet gebruik maken van algemeen bekende symbolen, als het ware spreken in een taal die iedereen verstaat, en hij moet dit doen op een manier die de aandacht trekt. Richard van der Spek doet beide. In zijn recente werk uit hij felle krtiek op alle wandaden die in naam van orde en gezag in de wereld gepleegd worden. Hij houdt, om zo te zeggen, de mensheid een spiegel voor. Onder het dunne laagje menselijke beschaving ziet Van der Spek beesten, die onbekommerd hun minder weerbare broeders martelen, vermoorden en verslinden. De manier waarop hij dit weergeeft doet in zekere zin denken aan laatmiddeleeuwse hellevoorstellingen, zoals we die bijvoorbeeld bij Andrea Orcagna vinden (zie afbeelding). In dit soort voorstellingen zien we groeperingen die per definitie 'goed' zijn, altijd met herkenbare eretekenen, blijmoedig en geheel gekleed in de hemel zetelen, terwijl de zondaars in de hel, naakt, aan de meest afgrijselijke martelingen worden blootgesteld, uitgevoerd door duivels. In de schilderijen van Van der Spek zijn de rollen anders verdeeld. De rol van de duivels wordt nu gespeeld door de vroegere hemelbewoners, te weten vertegenwoordigers van bijvoorbeeld kerk, leger en koningshuis, kortom alle dragers en uitvoerders van gezag in vol ornaat. De gemartelden, nog steeds naakt, zijn nu de per definitie onderdrukte of weerloze groeperingen zoals bijvoorbeeld kinderen, vrouwen, negers, armen of kunstenaars. In de tijd van Orcagna (midden veertiende eeuw) nam de schilderkunst, in dienst van de kerk, nog de plaats in van het geschreven woord voor de grote massa. De voorstellingen waren moraliserend bedoeld en dienden geen twijfel te laten over goed of kwaad. Het is niet zo verwonderlijk dat Van der Spek, die in feite hetzelfde effect beoogt, ook naar een gelijksoortige uitdrukkingswijze grijpt. Een van de belangrijkste overeenkomstige kenmerken in die uitdrukkingswijze is de overdrijving, die ieder misverstand uitsluit. Van der Spek doet geen moeite om 'mooi' te schilderen. Dat versterkt het gruwelijk effect van zijn werk aanzienlijk. De schilderwijze onderstreept de inhoud en geeft de toeschouwer geen kans om van de onlustgevoelens, die de voorstelling op zo'n schilderij bij hem veroorzaakt, over te stappen op een verdovende esthetische beleving van de vorm. Het schilderij 'B.K.R.-Syndroom' verwijst, in tegenstelling tot al het andere werk van Van der Spek, naar een reële politieke situatie. Hij heeft hiermee de Beeldende Kunstenaars Regeling aan de kaak willen stellen, beter bekend als de Kontraprestatieregeling (sociale regeling vanwege de Nederlandse staat ten voordele van de beeldende kunstenaars), zoals die eruit is gaan zien nadat de regering Biesheuvel er allerlei bepalingen aan had toegevoegd, die een beperking van het aantal kunstenaars, dat van de regeling financieel afhankelijk is, tot gevolg moet hebben. De verscherpte selectie treft vooral de jongste kunstenaars, voor wie het, aldus letterlijk de toelichting op de B.K.R., 'nog best mogelijk is, om zich op ander werk te richten'. De aspiranten voor de regeling zowel als de kunstenaars die er al 'in zitten' zijn overgeleverd aan plaatselijke commissies (o.a. bestaande uit drie plaatselijke kunstenaars die bij voorkeur niet aangewezen zijn op financiële steun van de B.K.R.), die het 'artistiek niveau' van hun werk moeten beoordelen. Dat dit een onmogelijke opgaaf is hoeft geen betoog. In 'B.K.R.-Syndroom' zien we duidelijk welk soort overdrijvingen Van der Spek gebruikt om zijn bedoelingen duidelijk te maken. Het lichtelijk overtrokken beeld van een commissiezitting laat geen twijfel omtrent zijn visie op dit gebeuren. De commissie bestaat in zijn ogen uit een stelletje sadisten, dat met kennelijk genoegen in opdracht van de overheid de ene kunstenaar na de andere afslacht. Met het hakenkruis tegen de achterwand maakt hij een vergelijking tussen de B.K.R. en de kultuurkamer, zoals die in de oorlog bestond. Toen Van der Spek, die in de regeling zat, dit schilderij bij de commissie B.K.R. in den Haag inleverde werd hij prompt uit de regeling gezet en aldus, in termen van zijn eigen schilderij aan de stapel lijken van de commissietafel toegevoegd.