U bent hier

Parkbegraafplaats Schoonselhof

Parkbegraafplaats Schoonselhof
Ik hecht mij of ik sterf.

 


INHOUD:

  • Inleiding
  • Een domein voor de doden
  • Père-Lachaise: de eerste parkbegraafplaats
  • Kunstenaars vrienden voorbij de dood
  • Het steenhouwersbedrijf Cl. Jonckheer fils
  • Pat en Grijp
  • Eigen werk op eigen graf
  • Weldadigheid: een gerust gemoed en een groot graf
  • Twee Antwerpse musea uit de grond
  • Spoken op het kerkhof
  • Leven in het park

 


Inleiding  

 

Begraafplaatsen herinneren aan wat voorbij is. Maar ze geven ook uitzicht op een toekomst, hoe onvermijdelijk eindig ook. Zo zit de natuur in elkaar: ontstaan, leven, vergaan, en herinneren. Tegenover de natuur staat de mens uiteindelijk machteloos, ook al heeft hij de natuur beter leren kennen en meent hij haar ook redelijk en ingenieus te kunnen beheersen. De eeuw van de rede, de tijd van de Verlichting, had echter niet genoeg aan natuurwetenschappelijk inzicht en aan vernuftig ingrijpen. Wetenschap heeft haar grenzen en dat geeft de mens een onzeker gevoel. Daarom hebben we ook behoefte aan geschiedenis: het historische bewustzijn ontstond met de natuurwetenschappen - die men niet voor niets ook histoire naturelle noemde - en met de industriële revolutie. Als de mens zijn geschiedenis kent, heeft hij tenminste het nog enigszins geruststellende gevoel in staat te zijn zelf vorm te geven aan deze ontwikkeling.

 

Tijdens de Verlichting krijgt het historische bewustzijn gestalte met behulp van nieuwe wetenschappelijke disciplines: de geschiedschrijving en als een toegepaste historische wetenschap, de monumentenzorg. De redelijke mens is in staat zich bewust iets te herinneren, een verleden te fabriceren, een geschiedenis te schrijven. Hij bouwt monumenten ter herinnering aan wat verleden is, erkent bouwwerken en oorden als plekken van kennis en verheerlijking van het verleden. Geschiedenis en herinnering zijn essentieel om te overleven. Begraafplaatsen zijn vol van geschiedenis, herinnering en soms van een geruststellende natuur.

 

Jef Van Hoof en Ferre Grignard, Peter Benoit en Robert Mosuse, Hendrik Conscience en Herman de Coninck, Lode Zielens en Paul van Ostaijen, Henri De Braekeleer en Jan Cox, Camille Huysmans en Lode Craeybeckx en ook Armand Preud'homme, Jan Van Rijswijck, Vie Gentils, Marnix Gijsen, Alice Nahon, Maurice Gilliams, Isidoor Opsomer, Renaat Braem, Frans van Cauwelaert, Leopold de Wael, Joris Minne en gasthuiszusters en slachtoffers tijdens een betoging voor algemeen stemrecht en van de ontploffing van de kruitfabriek Corvillain... Allen hebben ze hun laatste rustplaats op de parkbegraafplaats Schoonselhof, ook wel het Père-Lachaise van Antwerpen genoemd.

 

Schoonselhof is een eeuwenoud kasteelpark van 90 hectaren. Het Antwerpse stadsbestuur kocht het in 1911 aan om er een stedelijke begraafplaats van te maken. In 1915 werden gesneuvelde soldaten op Schoonselhof begraven, alhoewel het pas in 1921 officieel in gebruik werd genomen.

 

Rang en stand gaan mee naar het kerkhof. Dat is vooral zichtbaar in het toekennen van ereplaatsen, een voorrecht verleend door het college van burgemeester en schepenen. Op het groot erepark N van Schoonselhof hebben politici de overhand. Podiumkunstenaars, componisten en letterkundigen zijn goed vertegenwoordigd. Plastische kunstenaars kregen er veel minder ereplaatsen. Op het verzoek om voor Eugeen van Mieghem (1875-1930) "een klein stukje grond van Schoonselhof af te staan om aan de begraafplaats van de kunstenaar een eeuwigdurende betekenis te geven" antwoordde het schepencollege negatief en de schilder werd in gewone grond begraven.

 

Deze publicatie wandelt door de geschiedenis van het domein Schoonselhof en staat stil bij graven van kunstenaars en bij enkele markante monumenten. Soms blijven de namen klinken, soms zijn het vergeten helden. Want eeuwige roem kan kort van duur zijn.

 

Luc Verpoest


Een domein voor de doden 

 

 

Van kerkhof tot begraafplaats

 

Sinds de vroege middeleeuwen kregen overledenen een laatste rustplaats in kerken of op kerkhoven rond de kerk. Vanaf het midden van de achttiende eeuw gingen stemmen op om begraafplaatsen - en ook gevangenissen, ziekenhuizen en slachthuizen - uit de wooncentra te bannen. Pleitbezorgers voor deze verhuizing argumenteerden dat het de volksgezondheid, de orde en netheid zou ten goede komen en dat het de steden een mooier uitzicht zou geven. Tegen het einde van de achttiende eeuw ontstond in Frankrijk een nieuw concept voor begraafplaatsen: de jardin paysager, een landschapstuin met afzonderlijke grafmonumenten. Het afschrikwekkende van de dood moest plaats maken voor 'een zachte rust', zoals het woord cimetière werd vervangen door champ de repos.

 

In 1794 stelde de Franse Administration des Traveaux Publics voor in Parijs een cimetière-parc aan te leggen: "Ze wordt niet omgeven door hoge muren en ossuaria, maar ligt helemaal open naar het omliggende landschap, en is omringd door een gracht, overigens kenmerkend voor landschapstuinen. Het champ de repos is overdekt met cipressen, iepen, treurwilgen en andere struiken en papavers, met een overvloed vooral van perken van rozen, jasmijnen en geurende planten. Het rijk beplante terrein moet ook verhoogd liggen om zich aangenaam te presenteren aan de naderende familieleden en vrienden." In 1804 ging Père-Lachaise open als eerste parkbegraafplaats van Parijs.

 


Père-Lachaise: de eerste parkbegraafplaats
 

Het kerkhof Père-Lachaise ligt op de Champ-l'Evêque, een van de zeven heuvels rond Parijs. Zoals de naam aangeeft, behoorde die in de middeleeuwen toe aan de bisschop van de Franse hoofdstad. Vanaf 1430 kende het domein diverse eigenaars. In 1626 kwam de heuvel in handen van de jezuïeten die hem in 1652 omdoopten tot Mont-Louis. Een van de bewoners van het landhuis was Pére de la Chaise, biechtvader van Lodewijk XIV.

 

In 1762 verdreven schuldeisers de jezuïeten van de Mont-Louis, die uiteindelijk in handen kwam van de stad Parijs. Alexandre Brongniart, de architect van onder andere het Palais de la Bourse, kreeg de opdracht van het domein een parkbegraafplaats te maken. Brongniart liet de gebouwen slopen, behield de lanen omzoomd met linden en kastanjebomen, en legde Engelse tuinen en stille plekjes aan. In 1804, het jaar dat Napoleon de burgerlijke begraafplaatsen decreteerde, opende het Cimetière de l'Est- dit is de officiële naam - als begraafplaats voor de overledenen van vier arrondissementen op de rechteroever. De rijke Parijzenaars protesteerden: ze zagen het niet zitten om hun familieleden zo ver buiten de stad, in een arme volksbuurt, te begraven. In 1806 telde de begraafplaats van zeventien hectaren amper 49 graven, in 1812 iets meer dan achthonderd.

 

Het stadsbestuur erkende dat de 'lancement' van Pére-Lachaise een mislukking was en dat er nood was aan 'publicité'. Die kwam er in 1817 met de overbrenging van de stoffelijke resten van Molière en La Fontaine. Van toen af steeg het aantal begravingen spectaculair, in die mate dat tussen 1824 en 1850 vijf uitbreidingen plaatsvonden. Nu is Père-Lachaise met 44 hectaren de grootste begraafplaats van Parijs. De tweede is Montparnasse (1824), de belangrijkste groene ruimte in de Franse hoofdstad, en de derde Montmartre (1825). Ook elders in en buiten Europa kreeg Père-Lachaise navolging, onder meer in La Recoleta te Buenos-Aires (1822), het Cimetero de Prazeres te Lissabon (1833), het Cimitero Monumentale in Milaan (1866) en het Waldfriedhof in Ohlsdorf-Hamburg (1877).


 

Keizers en de doden van Antwerpen

 

In 1784 decreteerde keizer Jozef II dat begraafplaatsen in onbewoonde gebieden buiten de stadskernen dienden aangelegd te worden. Twee jaar later sloot in Antwerpen het Groenkerkhof aan de kathedraal en zo ontstond de huidige Groenplaats. In 1786 openden twee kleine parochiale begraafplaatsen, één op het Kiel voor de overledenen van Onze-Lieve-Vrouw- Zuid, Sint-Joris, Sint-Andries en de Elisabethzusters, één op Stuivenberg, voor de parochianen van Onze-Lieve-Vrouw-Noord, Sint-Walburgus en Sint-Jacob.

 

Met een decreet van 12 juni 1804 gebood Napoleon de aanleg van burgerlijke begraafplaatsen, onder de bevoegdheid en het toezicht van de gemeentelijke overheid. Tegelijkertijd voerde hij het systeem van concessies of vergunningen in. Particulieren konden een perceel grond verwerven voor het begraven en voor het oprichten van een grafmonument.

 

In 1804 werd de bescheiden parochiale Stuivenberg-begraafplaats uitgebreid en omgevormd tot stedelijke begraafplaats. Na het slopen van wallen en stadspoorten en na de aanleg van de Brialmontvesting vanaf 1864, kwam Stuivenberg midden in bewoond gebied te liggen. In 1875 ging deze begraafplaats dicht en werd in 1906 omgevormd tot Stuivenbergplein. Kiel nam haar plaats in als stedelijke begraafplaats. Ook de twee kerkhoven die toen binnen de nieuwe vesting kwamen te liggen verloren hun functie. Nog in 1875 sloot het Sint-Laurentiuskerkhof aan de Markgravenlei. De ontruiming vond plaats tussen 1928 en 1930. Het Sint-Willibrorduskerkhof kende in 1874 de laatste begrafenis en maakte in 1891 plaats voor de nieuwe kerk. Een aantal grafmonumenten van de drie gesloten begraafplaatsen werd overgebracht naar de Kielbegraafplaats.

 

Aan het begin van de twintigste eeuw raakte Kiel overvol. Op 6 november 1911 maakte de Antwerpse gemeenteraad bekend dat het college in openbare veiling het domein Schoonselhof, gelegen in de gemeenten Wilrijk en Hoboken, had gekocht voor 806.790 BF. Het ging om 84 hectaren, "begrijpende kasteel, park, bossen, vijvers, stallingen, pachthoeven, velden en weiden". En de raad voegde er aan toe: "Het domein is bestemd voor het inrichten van een nieuwe gemeentelijke begraafplaats, waarvan de noodzakelijkheid niet moet bewezen worden".

 

 

Van 'huys van plaisantie' tot begraafplaats

 

De naam Schoonselhof zou afgeleid zijn van scon-cele of schoon huis. Sconcele was de naam van een hoeve, gelegen ten oosten van de Schansvelden, voor het eerst vermeld in het begin van de veertiende eeuw. In 1540 is er sprake van een "steenen huysinghe geh. Schoensele". Door de eeuwen heen is het omgebouwd tot huys van plaisantie, een buitenplaats.

 

In 1543 verwierf de Florentijnse bankier Gaspare Ducci het landgoed. Hij schreef in 1570 dat hij er had "gemaeckt een zeer costelycke huysinghe" en dat hij er een neerhof aan toegevoegd had. In het begin van de zeventiende eeuw bewoonde de Spaanse specerijenhandelaar Jehan Francisco de Sevilla het domein. Een volgende eigenaar, Alfonso Carillo, legde een tuin aan en verbreedde de toegangswegen.

 

Naar aanleiding van een verkoop in 1730 is sprake van "een schoon ende wel-gheleghen Hoff van plaisantie, met de groote Huijsinghen, Stallinge, Pachters wooningen, rontomme bemuert, ende om-watert, met diversche optreckende Bruggen, met de Schure, Landerijen, groote Dreven, Plantagien, gronde, ende allen den toebehoorten, genaemt Schoonsel, ghenietende den vrijheid van accijns van Water ende Bier".

 

In 1749 kwam Schoonsel in het bezit van jonkheer Joannes-Anthonius du Bois de Vroylande, die na het overlijden van zijn eerste vrouw hertrouwde met Dymphe della Faille, dochter van de baron van Nevele. Bekend is het schilderij dat Bathasar Beschey in 1767 maakte. Het toont het echtpaar en de zeven kinderen in de tuinen van Schoonsel, met op de achtergrond een sierlijke arcade en rechts een berceau, een met loofgewelf overdekt wandelpad. Een kaart van landmeter P. Stijnen uit 1768 geeft een beeld van het kasteel: een U-vormig grondplan en een entree met risaliet - een vooruitspringend deel van de gevel dat over de hele hoogte doorloopt -in achttiende-eeuwse stijl.

 

Marie-Louise-Joséphine du Bois de Vroylande liet in het begin van de negentiende eeuw het kasteel streng neoclassicistisch verbouwen en wijzigde de interne structuur. Verder vergrootte de familie het domein tot ongeveer 110 hectare.

 

Na de dood van Marie-Louise-Joséphine du Bois de Vroylande in 1825 kocht Augustin Moretus della Faille het landgoed. In 1871 erfde zijn ongehuwde zoon Jules Jean Thomas Moretus het domein. Bij zijn dood in 1911 verkocht men het openbaar en begint het verhaal van Schoonselhof als parkbegraafplaats.

 

 

Park of begraafplaats?

 

Na de aankoop van Schoonselhof in 1911 waren niet alle Antwerpse gemeenteraadsleden het eens over de bestemming. Gemeenteraadslid Terwagne merkte op: "Ik vind het Schoonselhof zo schoon; het is jammer daar een kerkhof van te maken." Schepen Frans van Kuyck repliceerde: "Men zegt: waarom van een park een begraafplaats maken? Ik antwoord: er gaan meer mensen naar het kerkhof dan naar een park. Ik bedoel vooral de werkende klasse. Onze bevolking heeft een ware verering voor haar doden." Van Kuyck verwees naar de stadsbegraafplaats Waldfriedhof in Hamburg-Ohlsdorf, geopend in 1877: "Een parkbegraafplaats waar diegenen welke hun doden komen bezoeken, zullen kunnen wandelen. Die de begraafplaats van Hamburg bijvoorbeeld gezien hebben, zullen er niet over klagen dat wij het Schoonselhof tot begraafplaats willen inrichten." Frans van Kuyck (1852-1915) was van 1895 tot aan zijn dood schepen voor Schone Kunsten. Als kunstschilder was hij bijzonder gevoelig voor het pittoreske karakter van Schoonselhof. Na zijn overlijden werd hij begraven in het Sterrenbos op het domein om pas in 1941 overgebracht te worden naar het erepark.

 

 

Minder steen en meer groen

 

Het concept van de huidige aanleg gaat terug op een ontwerp uit 1911 van de Brusselse landschapsarchitect Jules Janiet en de Antwerpse ingenieur-architect Marcel Schmitz. Janiet genoot enige bekendheid als tuinarchitect en als ingénieur agricole-jardiniste. Hij ontwierp onder meer een rozentuin in het koninklijk domein van Laken. De Vrienden der Parken van Antwerpen legden het project voor aan de Antwerpse bevolking voorgelegd. Een brochure lichtte de uitgangspunten toe: "De begraafplaats mag geen oppervlakte zijn zonder tekening, zonder lijn, overdekt met een koude, stenen vegetatie; zij dient te wezen een rustoord vol vrede en schaduw, stilte en geheimzinnigheid. Zij moet én eenvoudiger, én toch smaakvoller versierd zijn. Minder steen en meer groen, minder uitstalling van banale pronk, meer ware rijkdom, meer orde en edele eenvoud." Janiet en Schmitz plaatsten hun ontwerp uitdrukkelijk in de context van eigentijdse stedenbouwkundige ontwikkelingen, op zoek naar de moderne stad van de toekomst: "weinig vraagstukken van stedenesthetiek die de aandacht der openbare besturen zouden moeten vestigen worden zozeer verwaarloosd als dat van de aanleg der kerkhoven."

 

Het plan Janlet-Schmitz tekent de erebegraafplaats in het bos voor het kasteel, voorzien van concentrisch en straalsgewijs aangelegde dreven. Langs die dreven en op de kruispunten ervan kunnen grote grafmonumenten en praalgraven worden aangelegd. Voor de bijzondere vergunningen voorziet het plan twee terreinen, ten oosten en ten westen van de Franse tuin en het Sterrenbos. Het zijn omsloten tuinen van elkaar gescheiden door hagen. Voor de gewone begravingen wordt plaats gevonden door het park aan beide zijden van het centrale gedeelte uit te breiden. Diagonale lanen en cirkel- of halfcirkelvormige wegen doorkruisen loodrecht elkaar snijdende paden, wat het beeld oproept van een barokke stadsaanleg met monumentale perspectieven en complexe knooppunten, kruisvormige en halfcirkelvormige waterpartijen. Janiet en Schmitz voorzagen ook gebedshuizen voor de katholieke, protestantse en joodse godsdiensten en eventueel een crematorium. Het kasteel zou omgebouwd worden tot 'Huis der doden'. De begraafplaats zou niet omsloten zijn door een traditionele kerkhofmuur maar door een brede, diepe gracht.

 

 

Drijfzand en grondwater

 

Een groot probleem voor de omvorming van Schoonselhof tot begraafplaats was de ongeschiktheid van de ondergrond. Tussen een meter en drie meter diepte bevindt zich een laag drijfzand. Onderzoek had uitgewezen dat de grondwaterspiegel zich op sommige plaatsen slechts veertig centimeter onder het maaiveld bevond. Voor begraafplaatsen is 2,5 meter vereist. Daarom werden grachten van vijf en vijftien meter breed aangelegd, die het grondwater draineren naar de Hollebeek. Het zand uit de grachten deed dienst voor het ophogen van de grafparken. Ook voor het ontwerp van dit systeem keek Antwerpen naar het voorbeeld van het Waldfriedhof in Hamburg-Ohlsdorf.

 

 

Het uiteindelijke ontwerp en de uitvoering

 

Alexis van Mechelen (1864-1919) werkte het ontwerp van parkbegraafplaats Schoonselhof verder uit, duidelijk in de geest van het plan van Janiet en Schmitz. Als stadshoofdbouwmeester heeft Alexis van Mechelen onder meer de Koninklijke Opera en de Stadsfeestzaal ontworpen. Begin 1916 bezorgde Van Mechelen zijn plannen aan het stadsbestuur. Zijn uitgangspunt was de bestaande toestand van het domein maximaal in stand te houden en een zorgvuldige combinatie van park en begraafplaats uit te werken. Hij gaf ook een technische oplossing voor het grondwaterprobleem. Van Mechelen vereenvoudigde het plan Janlet-Schmitz en koos voor een regelmatiger patroon van elkaar kruisende wegen en grachten, slechts in beperkte mate doorbroken door diagonalen. Alexis van Mechelen werd na zijn dood in 1919 als stadsarchitect opgevolgd door Emiel van Averbeke (1876-1946), architect van onder meer de Boerentoren. Hij wijzigde slechts lichtjes het ontwerp van zijn voorganger.

 

Op 1 september 1921 vond de eerste officiële begrafenis plaats op Schoonselhof. Dit betekende het einde van de gewone begravingen op Kiel. Vergunningen mochten nog tot 1936 afgestorvenen ontvangen. Tussen 1936 en 1948 werden 1.300 vergunningen met of zonder grafteken van Kiel naar Schoonselhof overgebracht. Een aantal daarvan kwam oorspronkelijk van Stuivenberg, Sint-Willibrordus en Sint-Laurentius.

 

Bij de openstelling in 1921 was zeven hectaren van Schoonselhof geschikt gemaakt voor begraving. Beetje bij beetje werden de parken aangelegd, bestaande gebouwen aangepast aan de noden van de begraafplaats en nieuwe opgetrokken. Sinds 1942 is Schoonselhof beschermd als landschap, in 1991 werden het kasteel en het neerhof beschermd als monument.

 

 Anne-Mie Havermans


Kunstenaars vrienden voorbij de dood

 

 

Rond de kunstenaarsfamilie De Braekeleer

 

De Antwerpse kunstenaarsfamilie De Braekeleer had vele artistieke telgen. Vandaag wordt Henri De Braekeleer (1840-1888) als de belangrijkste beschouwd. In zijn vroege werken overheersten het historische, het anekdotische en het sentimentele. Deze maakten in de jaren 1870 plaats voor een eigen concept van het genreschilderij. Hij is geïnteresseerd in de picturale problemen van licht en kleur en verwerkt dit op een persoonlijke wijze. Zijn gedurfde penseelvoering wijst soms al in de richting van het expressionisme.

 

Henri De Braekeleer kreeg steun van de Brusselse mecenas Henri Van Cutsem (1839-1904). Die verkocht, na het overlijden van zijn echtgenote en zijn zoon, de familiezaak Hôtel de Suède en installeerde zich als verzamelaar in een huis op de Kunstlaan dat hij liet verbouwen door Victor Horta. Henri De Braekeleer ontmoette er vaak een groep jongeren die Van Cutsem samenbracht rond de zondagse tafel: Guillaume Van Strydonck, Guillaume Charlier (1854-1925), Theodoor Verstraete, Piet Verhaert... De waardevolle verzameling Van Cutsem bleef volledig bewaard. Beeldhouwer Guillaume Charlier, in 1904 zijn universeel erfgenaam, zorgde er voor dat dit legaat in 1925 aan Doornik werd overgemaakt, en realiseerde er het huidige Museum van Schone Kunsten, een ontwerp van Victor Horta. De eigen verzameling van Guillaume Charlier vormt nu het Charliermuseum in Brussel. Guillaume Charlier was een voorloper van het sociaal realisme. Hij behaalde de Prijs van Rome in 1882 en exposeerde in grote Europese steden.

 

Henri Van Cutsem gaf aan Charlier de opdracht voor het grafmonument van Henri De Braekeleer. Het werd in 1949 van de Kielbegraafplaats overgebracht naar Schoonselhof. Op het voeteinde van een verhoogde arduinen zerk met afgeschuinde zijden ligt een uitbundig bronzen boeket. Een palmtak en een schilderspalet met penselen zijn verbonden met een rouwkrans door een breed lint. Op het lint staat: 'Henri De Braekeleer' en 'Son admirateur et ami Henri Van Cutsem'. Het is duidelijk dat dit grafmonument door een kunstenaar is ontworpen: krachtige vormen, evenwichtige verhoudingen en een weloverwogen plaatsing van de versiering. Kracht door eenvoud.

 

Henri De Braekeleer volgde opleiding bij zijn oom Henri Leys (1815-1869). Baron Leys was als historie-, genre- en portretschilder een belangrijk vertegenwoordiger van de Antwerpse School. Aanvankelijk schilderde Leys historische gebeurtenissen gesitueerd in Antwerpen tijdens de Spaanse periode, later evolueerde hij naar meer burgerlijke thema's zoals landelijke feesten en markten. Dat in 1850 Nicaise De Keyser, en niet Leys, directeur van de academie werd, gold als een nederlaag voor de 'progressieven'. Leys werd in 1917 van Berchem naar Schoonselhof overgebracht en kreeg een voorlopige begraafplaats in het Sterrenbos. Samen met zijn echtgenote en dochter werd hij in 1941 overgebracht naar de rotonde tussen park R en U. Een simpel gedenkteken ontving hij pas in 1957.

 

Jaak De Braekeleer (1823-1906), neef van Henri, was een overgangsfiguur tussen romantiek en realisme. Hij exposeerde op het driejaarlijkse Antwerpse salon met allegorieën, religieuze en volkse onderwerpen en portretten. In 1867 toonde hij er het gipsen model van het grafmonument voor Jozef Lies (1821-1865), een historie-, genre- en portretschilder. Lies onderging invloed van Henri Leys en situeerde zijn voorstellingen bij voorkeur in een gefantaseerd achttiende-eeuwse klimaat. Lies was een veelzijdig kunstenaar en een fijnzinnig kolorist. Hij was een van de eersten die, trouw aan zijn vrijzinnige overtuiging, eraan hield burgerlijk begraven te worden.

 

De beeldengroep die Jaak De Braekeleer voor het graf van Jozef Lies maakte, heeft een klassieke, idealiserende en statische stijl. Vooral zijn talrijke marmeren portretbustes van eigentijdse vooraanstaanden en kunstenaars zijn precies en natuurgetrouw. Op Schoonselhof siert een portretmedaillon van de hand van Jaak De Braekeleer het graf van architect Pierre Bourla (1763-1866). Een bronzen afgietsel ervan is in 1938 in een gedenkplaat aangebracht op de zijgevel van de Bourla Schouwburg.

 


Het steenhouwersbedrijf Cl. Jonckheer fils

 

Op Schoonselhof ligt ook Clement Jonckheer (1871-1932) begraven. Hij was beeldhouwer en de stichter van het steenhouwersbedrijf Cl. Jonckheer fils, het atelier dat instond voor de graven van de belangrijkste overledenen van Antwerpen en de omliggende gemeenten. Enkele voorbeelden van graven op Schoonselhof: burgemeester Jan De Vos, kunstschilder Karei Verlat, acteur-zanger Jules Dirickx, wisselagent Louis Dousselaere.

 

Clement Jonckheer leerde het vak bij zijn vader Bernard, die een steenhouwerij had op de Sint-Bernardsesteenweg te Kiel, waar toen de grote stedelijke begraafplaats lag. In 1894 richtte Clement Jonckheer een eigen onderneming op aan de Nieuwe Steenweg. Hij zette 'fils' achter zijn naam om aan te duiden dat hij de zoon was van. De zaak floreerde. Jonckheer kreeg opdrachten in binnen- en buitenland. In 1907 nam hij het steenhouwersatelier F. Berger over, gelegen op een strategische plaats vlak naast de Kielbegraafplaats. Gedurende de Eerste Wereldoorlog verbleef de familie in Groot-Brittannië. In de jaren 1920 kwam de oudste zoon, Walter, mee in de zaak. Vanaf 1929 werd het gebied rond de Kielbegraafplaats door de stad onteigend en ontruimd. Walter Jonckheer bracht het atelier over naar de Sint-Bernardsesteenweg, dichter bij Schoonselhof. Na de dood van Walter Jonckheer, die kinderloos stierf in 1969, werd de steenhouwerszaak geliquideerd. Niets bleef bewaard: geen steen, geen modelboek.

 

Het atelier Cl. Jonckheer fils heeft vele, kwaliteitsvolle funeraire monumenten gemaakt. Clement Jonckheer noemde zichzelf sculpteur en niet entre-peneur, al was hij op technisch gebied de andere steenhouwers vaak voor. Hij had als eerste een tractor zodat hij stenen op ver afgelegen begraafplaatsen kon brengen. De stenen ging hij zelf uitzoeken in de Jure. De firma kreeg ook opdrachten voor het bekleden van gebouwen met natuursteen, zoals Hotel Century aan de Keizerlei, en plaatste de blauwe steen van de kaaimuur.  Ook wat betreft de interactie tussen architect, beeldhouwer en steenhouwer is de grafkunst een weerspiegeling van de kunst in de levende wereld. Wilde de klant een unieke creatie, dan deed Clement Jonckheer een beroep op beeldhouwer Arthur Pierre. De vriendschap en samenwerking tussen beiden is eveneens terug te vinden in burgerlijke bouwwerken. Zo maakte Arthur Pierre de vier gevelbeelden van de Boerentoren en verzorgde Clement Jonckheer de gevelbekleding met natuursteen. De veelzijdigheid van het atelier was gekend. Clement Jonckheer stond open voor nieuwe zaken. Zo lanceerde hij op de Kielbegraafplaats de art nouveau pijler.


 

Jules Pecher en Karel Verlat

 

Via Jaak De Braekeleer kwam Jules Pecher (1830-1899) in de ban van de beeldhouwkunst. Na zijn studie aan de Antwerpse academie startte Pecher als schilder van bijbelse en historische taferelen. Hij maakte religieuze schilderijen voor de Sint-Andreas en Sint-Pauluskerk te Antwerpen. Na de dood van zijn vrouw vroeg Jules Pecher aan Jaak De Braekeleer een borstbeeld van de overledene te maken. Bij het assisteren ervan werd de veertigjarige kunstschilder aangetrokken tot de beeldhouwkunst. Zijn eerste sculpturale werk was het bronzen portret van dichter Hendrik Lenaerts, opgericht in 1873 op de Stuivenbergbegraafplaats en later overgebracht naar Schoonselhof. Het is uitgevoerd in een romantisch-realistische stijl. Pecher voelde zich verankerd in de Rubensiaanse traditie. De aandacht voor detaillering is ook te merken in de buste die hij in 1879 naar Karel Verlat maakte. Kunstschilder Karel Verlat (1824-1890) kreeg zijn opleiding aan de Antwerpse academie, onder meer bij Jozef Lies. Na zijn verblijf in Parijs was Verlat tussen 1869 en 1874 leraar aan de Kunstschule te Weimar. Daarna maakte hij een reis door Egypte en woonde enkele jaren in Palestina. Daar maakt hij landschappen met fellah's en religieuze schilderijen. Na zijn terugkeer in 1877 werd Verlat eerst leraar en vanaf 1885 directeur van de Antwerpse academie. Hij kreeg van de stad een eervolle begrafenis. De bronzen buste die Jules Pecher in 1890 voor het graf van Karel Verlat maakte, is veel soberder en klassieker dan de buste uit 1879.

 

 

Evert Larock en Arthur Pierre

 

Evert Larock (1865-1901) had al als jongen een passie voor tekenen en schilderen. Hij studeerde aan de Antwerpse academie bij Karel Verlat. Aanvankelijk knoopte hij aan bij de realistische genreschilderkunst. Het picturale in het werk van Henri De Braekeleer stimuleerde hem om over te gaan naar het heldere, fragmentarische impressionisme. In zijn doeken versterkte de kleurenintensiteit en het koloriet kreeg een fundamentele plaats in de vormgeving. De scheppingsdrang van Larock was enorm, maar zijn werkkracht werd ondermijnd door zijn ziekte. 'De idioot' of 'De onnozele' (1892) en 'De sintelraper' (1900) tonen zijn talent dat hem had doen uitgroeien tot een van de merkwaardigste naturalisten. De dood van Larock verwekte beroering in Antwerpen, hij werd gerekend tot de beste jonge schilders.

 

Het was bijna vanzelfsprekend dat schilder-beeldhouwer Arthur Pierre (1866-1938) het grafbeeld zou maken voor zijn boezemvriend. In de lezende man aan het tafeltje van 'De schilderswerkplaats' (1886), een schilderij van Larock, herkent men Arthur Pierre. Treurende graffiguren maken traditioneel deel uit van een samenhangend geheel. Ze zijn geplaatst voor, op of naast een stele of tombe, liggend of zittend op een monument. Vaak treuren ze bij een portret van de overledene. Op het graf van Evert Larock is de treurfiguur het monument. De naam van Larock is feestelijk neergeschreven aan haar voeten. Het rood op de letters is de oorspronkelijke kleur en verwijst naar de gewoonte van de herdachte schilder om zijn werken te signeren met rode verf.

 

Van Arthur Pierre is heel wat funerair beeldhouwwerk te zien op Schoonselhof, onder meer het portretmedaillon op het mausoleum voor Eduard Pecher (1825-1892), de broer van Jules, het grafmonument voor Peter Benoit en de gesluierde naakte vrouw op het ossuarium met de naamloze resten van de ontruimde Kielbegraafplaats.

 

 

Floris en Oscar Jespers, Gaston Burssens en Paul van Ostaijen

 

Dichter Paul van Ostaijen (1896-1928) was een van de meest markante persoonlijkheden van het Vlaams expressionisme. Hij debuteerde in 1916 met Music Hall, twee jaar later gevolgd door Het sienjaal. In Berlijn schreef van Ostaijen Feesten van angst en pijn en Bezette stad. Vlak voor zijn dood schreef hij een van zijn bekendste gedichten: Boerecharleston.

 

Paul van Ostaijen overleed aan tuberculose in een sanatorium te Miavoye-Anthée in de Ardennen. Hij werd er begraven onder een zwarthouten kruis. Gaston Burssens zorgde voor de tekst: "Hier rust den dichter van het eerste boek van Schmoll Paul van Ostijen". In Gaston Burssens (1896-1965) erkende Paul van Ostaijen zijn 'poëtische kameraad'. Ze zagen elkaar haast dagelijks in De Hulstkamp, hun stamcafé aan de de Keyserlei.

 

Van Ostaijen en Floris Jespers ontmoetten elkaar voor het eerst in 1914. Jespers, een schilder, aquarellist en beeldhouwer, was in de jaren 1920 een belangrijke figuur van de Antwerpse avant-garde. Hij debuteerde postimpressionistisch en evolueerde naar het kubisme en het poëtisch expressionisme, waarna hij met het abstracte experimenteerde. Na 1945 zocht hij aansluiting bij de modernistische schilderkunst.

 

Op initiatief van een comité waarin heel wat van zijn vrienden zaten, werd het stoffelijk overschot van Paul van Ostaijen in 1932 naar een kostloze vergunning op park 5 van Schoonselhof overgebracht. Omdat de verwachte gelden uitbleven, werd pas vijf jaar later De Luisterende engel, een beeldhouwwerk van Oscar Jespers (1887-1970) op het graf geplaatst. In 1952 was het besef van de vernieuwende betekenis van Paul van Ostaijen doorgedrongen in officiële kringen. Ter gelegenheid van het verschijnen van het eerste deel van het verzameld werk van Paul van Ostaijen gaf het college van Antwerpen toestemming om hem over te brengen naar erepark N, waar de burgemeesters, schepenen, schilders en grote letterkundigen rusten. Op één lijn achter hem bevinden zich de graven van zijn vrienden die ijverden voor de oprichting van zijn graf: Floris Jespers, Gaston Burssens en Jozef Muls.

 

Er is nog meer werk van Oscar Jespers op Schoonselhof, waaronder een 'Staande engel' voor het graf van Anaïs Franck (1882-1927), echtgenote van Frans Franck, voorzitter van Kunst van Heden, waar onder meer Oscar Jespers lid van was. Ook de 'Staande engel' legt het hoofd treurend op de schouder, maar bij de engel op het graf van Paul van Ostaijen vertonen de volumes een innerlijke spanning. Oscar Jespers werd in zijn experimentele jaren gestimuleerd door Paul van Ostaijen. Jespers' werken uit 1930-1935, waaronder Luisterende engel, zijn naar vorm en inhoud een zuivere uitdrukking van het expressionisme waarvan hij een zeer belangrijk vertegenwoordiger is.

 

 Anne-Mie Havermans


Albert Pot en Theophiel Grijp: samen vermoord, samen in één graf.

0 hang het schandepak der dienstbaarheid Nooit om uw jonge vrijgeboren leden :
Wie zich in leuzen en chevrons vermeit Is altijd iemand van verdachte zeden.

Bijeengedreven doorhun angst en nijd Staan daarin rechte rijen 'aangetreden

De machtslakeien van den nieuwen tijd die zich in 't zwarte of bruine dwangbuis kleden.

Hoor over t land dat bestiaal gelal ! Het is het godgevallig feestgeschal van 't nationaal bewustzijn dat ontwaakt,

En voorde bende die van bloedlust blaakt Staan wij die eerlijk willen leven naakt Ontwapend en zoo luttel in getal.

Jan Greshoff, 1933

 

 

Pot en Grijp

 

Ondanks de verhoogde polarisatie was in 1936 de campagne voor de parlementaire verkiezingen van 24 mei vrij kalm verlopen. Incidenten tussen links en rechts bleven beperkt tot verbale grootspraak. In de nacht van 22 op 23 mei liep een discussie tussen socialisten en rechtse Realisten uit de hand. Twee militanten van de socialistische beweging werden doodgeschoten: Albert Pot, een dokwerker die via de Syndicale Jeugd bij de arbeidersbeweging terechtkwam, en Theophiel Grijp, raadslid van de Havenarbeidersbond. De dag van hun burgerlijke begrafenis groeide uit tot een grote manifestatie, met toespraken van onder meer Camille Huysmans. De havenarbeiders kondigden een 24-urenstaking af, de voorbode van een algemene  die een week later zou volgen.

 

Alhoewel Pot en Grijp niet verwant waren, werden ze toch in één vergunning begraven. Precies een jaar na de moord vond een huldiging plaats met de onthulling van een gedenktekenstaking dat de socialistische beweging van Antwerpen had laten ontwerpen door Albert Poels.

 

In 1991 verliep de concessie en het stadsbestuur ging in op de vraag Pot en Grijp te herbegraven op het erepark. Op het nieuwe graf is een gedicht van Jan Greshoff uit 1933 aangebracht, in een kalligrafie van Kristoffel Boudens (zie boven).


Eigen werk op eigen graf

 

 

Het lijkt vanzelfsprekend dat beeldhouwers een eigen creatie op hun graf hebben staan, maar dat is een recent verschijnsel. Door de eeuwen heen zijn hun graven dikwijls sober. Op Schoonselhof vallen bijvoorbeeld de graven van Arthur Pierre, een naamplaat in een kiezelbed, en Frans Joris, een eenvoudige stèle, niet op, maar deze kunstenaars zijn wel de respectievelijke ontwerpersbeeldhouwers van de grafmonumenten voor Peter Benoit en Hendrik Conscience. Bovendien zijn beeldhouwers ondervertegenwoordigd op de ereplaatsen van de begraafplaats. Onder de kunstenaars die op stadskosten van Kiel naar Schoonselhof zijn overgebracht, was slechts één beeldhouwer, Louis Dupuis (1842-1921). En in feite was dit graf gesticht als eerbetoon voor diens zoon, de kunstschilder Stany Dupuis (1888-1908), waaraan het zelfportret van de beeldhouwer werd toegevoegd. Een generatie later was het (ondertussen door het stadsbestuur verwijderde) graf van Josuë Dupon (1864-1935) een strakke sarcofaag zonder sculptuur of verwijzing naar het kunstenaarschap. Nu zou een gerespecteerd kunstenaar als Dupon een plaats krijgen op een erepark. Want er is iets aan het veranderen. Tussen 1990 en 2004 zijn er evenveel ereplaatsen toegekend aan beeldhouwers als alle jaren daarvoor. Een eerste teken van de verschuiving in officiële waardering was de toekenning van een plaats op het erepark N voor het graf van Mark Macken (1913-1977). Macken kon moeilijk genegeerd worden omdat hij een groot aantal graven van politici, kunstenaars en logebroeders ontwierp, en ook omdat hij directeur van de Antwerpse Academie was.

 

Graven van kunstenaars zijn steeds meer herkenbaar doordat er eigen werk op aanwezig is. De taal van traditionele symbolen en attributen is vervangen door de tastbare werken zelf, door beelden en citaten.

 

 

Een Griekse tragedie

 

Nicole van Goethem (1941-2000) kreeg als internationaal gerenommeerde cineaste en illustratrice een kosteloze vergunning op het erepark R. Haar opleiding in Antwerpen, zowel aan de afdeling sierkunsten van het Sint-Maria Instituut, de academie als aan het conservatorium (dwarsfluit) zorgde voor een technische bagage die, gestuwd door haar bruisende persoonlijkheid, resulteerde in een unieke en fantasierijke productie, vol briljante aanstekelijke humor.

 

Sinds 1974 verzorgde Nicole van Goethem in verschillende animatiefilms de achtergrond, inkleuringen en speciale effecten. Als cartooniste werkte ze aan de films Tarzoon, Shame of the Jungle en The Missing Link (1979). Ze tekende aan Jan zonder Vrees (1982), in een regie van Jef Cassiers. Haar eerste animatiefilm Een Griekse tragedie (1985) zorgde voor internationale bekendheid, met vele prijzen op filmfestivals en als bekroning een Oscar in 1987. Een Griekse tragedie is een karikaturale schets van drie kariatiden die een timpaan proberen te ondersteunen. Met milde humor benadert van Goethem de menselijke zwakheden. Aan het hoofdeinde van het graf van Nicole van Goethem, een zacht oplopende rood granieten zerk, zijn de drie kariatiden uit haar tekenfilm aangebracht.

 

 

Boeket levensrust

 

Met zijn leeftijd van negentig jaar was Joris Minne (1897-1988) de langst levende van de 'grote vijf' van de Vlaamse grafiek. Met Frans Masereel, Jan Frans en Jozef Cantré en Henri van Straten tekende Minne voor de heropleving van de houtsnijkunst in de jaren 1920, die ook buiten Vlaanderen belangstelling opwekte. Hij stond mee aan de wieg van het tijdschrift Lumière (1919-1923) dat sterk bijdroeg om de grafiek in de belangstelling te brengen.

 

Vanaf 1930 illustreerde Joris Minne talrijke literaire werken, vaak bibliofiele uitgaven, zoals van Paul van Ostaijen en Maurits Sabbe. Stilaan schakelde Minne over op kopergravure. Zijn burijngravures en droge naaldtechniek (1931-1932) vormen een hoogtepunt van de grafische productie uit die tijd.

 

Als beeldhouwer liet Joris Minne zich voor het eerst zien op de openingsbiënnale van het Openluchtmuseum Middelheim in 1950. Nadat hij zich had losgemaakt van het tweedimensionale van de grafiek, ontwikkelde Minne vanaf 1940 een krachtige sculpturale taal. In de expressionistische, vaak forse vormen is steeds een zeker sensualisme aanwezig. Hoofdthema is het vrouwennaakt. Minne had grote eerbied voor het materiaal en voor zuivere, gestileerde vormen. Naast hout bewerkte hij, in taille direct, ook marmer, hardsteen en Franse steen. Tot op hoge leeftijd kon Joris Minne opgaan in het beeldhouwen en maakte hij met vaste hand kopergravures.

 

Op de zwart granieten deksteen van Minnes graf is, in een ruw uitgehouwen rechthoek aan het hoofdeinde, een koperkleurige sculptuur neergelegd. Van veraf lijkt het een bloem die de zerk tot leven schijnt te brengen. Bij het naderen opent de sculptuur zich tot een menselijke torso die een bloem omarmt. Het is een koperen model van het grote beeld Boeket levensrust of Levensboeket (1978), een werk van Joris Minne dat zich in de hal van het Dienstencentrum Kerkeveld in Deurne bevindt.

 

Op Schoonselhof zijn drie grafontwerpen van Joris Minne te bekijken: een stenen reliëf met episodes uit het leven van schepen en bouwaannemer Jules Somers (1884-1951), het graf van Frank Van Den Wijngaert (1901-1962), conservator van het Prentenkabinet van Antwerpen, en het graf van Hedwige Janssens (1950-1962), de dochter van een van Minnes vrienden.

 

 

De wake

 

Zoals Henri De Braekeleer behoorde ook Theodoor Verstraete (1850-1907) - de virtuoos van het doorleefde landschap - tot de groep kunstenaars die door de Brusselse zakenman Henri Van Cutsem werden gesteund. En net zoals bij De Braekeleer zorgde Guillaume Charlier voor het grafmonument van Theodoor Verstraete, dat zou worden opgericht naast dat van Hendrik Conscience. Om het uitzicht van dit laatste niet te verstoren besliste het stadsbestuur de sculptuur, ontworpen en gekapt door Charlier, in het Stadspark te plaatsen en de tombe van Verstraete met een eenvoudige deksteen te voorzien.

 

In de ruw bekapte blauwe steen van het monument in het Stadspark ontwaart men een vrouwenfiguur in hoog-reliëf. Het is 'De Kempen', de onuitputtelijke inspiratiebron van Verstraete. Ze flankeert de reproductie in steen van een van zijn meest geroemde werken, De Wake. Met de rug naar de toeschouwer bekijkt een figuur deze voorstelling. Het is het levensecht portret van Theodoor Verstraete. Het is geen uitgesproken funerair monument en geen allegorie van de schilderkunst, maar het benadrukt de verbondenheid van de schilder en zijn werken, de noodzakelijkheid van het creëren.

 

Het eigenlijke graf van Verstraete op Schoonselhof was jarenlang een raadsel. Een betonnen ringbalk lag op vier arduinen muren met op het grondniveau een bodemplaat. Ooit was de naam VERSTRAETE foutief aangebracht. De overbodige 'N' werd later met witte verf overschilderd, maar schemert nog door. Onderzoek wees uit dat dit grafteken bedoeld was als plantenbak. Dit gebruik was vergeten bij de overbrengingen van het graf van Kiel naar Schoonselhof. In 2002 werd het her-beplante graf ingehuldigd.

 

 

Pegasos

 

Kunstschilder Alfred Ost (1884-1945) wilde zijn omvangrijk en gevarieerd werk ten dienste stellen van het volk en dat niet enkel door het hanteren van een volkse uitdrukking en thematiek. Met talrijke tekeningen zette hij zich in voor het behoud van het Mechelse erfgoed en tijdens de Eerste Wereldoorlog verkocht hij prentbriefkaarten ten voordele van noodlijdende landgenoten.

 

De confrontatie met de gruwel van de oorlog bracht de sociale en religieuze thematiek op de voorgrond. Moderne kunststromingen lieten Ost niet onverschillig. Hij verkende kubisme en abstractivisme, maar de inhoud bleef voor hem primeren. Alfred Ost kwam tot sterk dramatisch geladen kunst die getuigt van kracht en expressiviteit. Hij maakte cycli, reeksen van een vijftal platen, over diverse thema's: de haven, religie en onbereikbare vrouwen. De technische behandeling volgde wat hij wilde uitdrukken en vastleggen. Zijn voorkeur ging uit naar de gewassen tekening met oostindische inkt, hij maakte potloodtekeningen, aquarellen, olieverfschilderijen en prentkaarten en kunstaffiches in steendruk.

 

Alfred Ost ligt op Schoonselhof begraven onder een grafteken in granito, een combinatie van stèle en zerk, geplaatst op een deksteen. De stèle toont, onder het sobere kruis, een foto van Pagasos, aangebracht in 1985. Het gevleugelde paard uit de Griekse mythologie ontstijgt de aardse begrenzing en verwijst naar het geloof van de kunstenaar. Voor Alfred Ost waren leven en kunst onafscheidelijk verbonden, vandaar dat een kunstwerk zijn graf markeert. Paarden boeiden hem zijn hele leven. Om de kracht van deze dieren in hun steigerend geweld te vatten, gebruikte hij gevoelsgebonden kleuren en een dynamische lijnvoering.

 

 

Signatuur en citaat

 

Eigen werk op eigen graf geldt ook bij componist Jef Van Hoof (1886-1959). Temidden van een beplante graftuin staat een ruw bekapte herdenkingssteen. Op een kleine steen vooraan ligt een bronzen plaat met in reliëf de uitvergroting van een muziekregel uit het lied Daar is maar één Vlaanderen en het is Diets in het handschrift van Jef Van Hoof en zijn handtekening. De aanwezigheid van een schrijver laten blijken uit zijn handtekening of een citaat uit zijn werk op het graf, is een recent verschijnsel. Vroeger werd bewondering meestal uitgedrukt door personificaties (Muze, de Schilderkunst) of attributen (boek en pen, penselen en palet). Soms werden boeken met titels van werken op het graf gelegd, zoals bij Julius de Geyter en Jan-Baptist van Rijswijck, steeds in samenhang met allegorieën en personificaties.

 

Naast zijn naam heeft Jan-Albert Goris (1899-1984) slechts de handtekening van zijn pseudoniem Marnix Gijsen op zijn graf. Elders op Schoonselhof is zijn poëzie terug te vinden op het graf van de familie Wouters-Francken:

 

Mijn vadertje hij was rechtvaardigheid.

Hij had de zware last op zich geladen,

een eerlijk man te zijn in woord en daad.

Dat is het schone, dwaze kwaad

waar, na ons Here Jezus Christus,

de sterkste man aan ondergaat.

 

Een recente vorm van eerbetoon is een citaat uit het werk van de overleden letterkundige. Onder een gevoelig Christusbeeld staat op het graf van Alice Nahon (1896-1933): "God moet mij Geren Zien/ Schaduw", een citaat uit haar laatste bundel Schaduw (1928), waarin ze verschijnt als rijpe dichteres met gelouterde verzen.

 

Het poëtisch grafteken van Nic van Bruggen (1938-1991) is totaal overgroeid met klimop, maar nauwgezet wordt een kleine opening vrijgehouden voor het volledige gedicht Ars Poëtica.

 

Ook op het graf van dichter Herman de Coninck (1944-1997) staan eigen versregels.

 


Weldadigheid: een gerust gemoed en een groot graf

 

Voelde de 49-jarige wisselagent Louis Dousselaere zijn einde naderen toen hij op 12 augustus 1905 zijn testament deponeerde bij notaris Van de Walle? Hij overleed vijf dagen later. Dousselaere had besloten een groot gedeelte van zijn bezittingen na te laten aan het Weldadigheidsbureel van Antwerpen, met als voorwaarde: "Op mijn na te laten goederen moet voorafgenomen worden een som van ongeveer 20.000 frank, voor het aankopen eenen grond op het Kielkerkhof en het oprichten van een grafmonument met kelder, omringd met een bloempark. Ik wil dat er dienaangaande een openbare aanbesteding geschiede en laat er de zorg van uitsluitelijk aan het weldadigheidsbureel, dat ook de nodige kosten van onderhoud en verdere van mijn graf zal moeten dragen."

 

Het legaat, geschat op ruim 154.000 frank, werd aanvaard met de eraan verbonden voorwaarden. In het begin van de twintigste eeuw deed het Weldadigheidsbureel, de voorloper van het OCMW, dikwijls een beroep op architect Ferdinand Dermond (1880-1967). Hij ontwierp onder meer het Instituut ter Bestrijding van de Tering in de Blindestraat. Dermond kreeg de opdracht om de plannen, het lastenkohier en het bestek op te maken van het grafteken voor Louis Dousselaere. Twintigduizend frank was in die tijd een hoop geld. Er werd gesteld dat het arduin uit de beste steengroeven van Soignies of Ecaussinnes met een fijne beitel gehakt zou worden, de beeldengroep met sarcofaag moest uit één stuk gebeeldhouwd worden in marmer van Carrara en de metselwerken aan de kelder zouden gebeuren in "klinkaert van Boom of omliggende". De 'minsten inschrijver', steenhouwer Clement Jonckheer, kreeg de opdracht en hij werkte, zoals vaak, samen met beeldhouwer Arthur Pierre.

 

Het heeft niet veel gescheeld of het graf van Louis Dousselaere was niet overgebracht naar Schoonselhof. De Commissie voor Openbare Onderstand had haar aanvraag te laat ingediend. Toch kreeg Dousselaere in 1950 een laatste rustplaats op de erelaan van park U. Sindsdien lijkt het OCMW te zijn vergeten dat het de plicht op zich nam om in te staan voor het onderhoud van dit graf.


Twee Antwerpse musea uit de grond

 

 

Op Schoonselhof zijn een burgemeester en een ridder begraven die aan de basis liggen van twee belangrijke musea in Antwerpen: het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten en het Museum Smidt van Gelder.

 

 

Leopold de Wael: hoogtepunt van heldenverering

 

De liberale politicus Leopold de Wael (1823-1892) gaf gedurende twintig jaar, van 1872 tot 1892, als Antwerpse burgemeester leiding aan een stad in grote expansie. Antwerpen onderging een volledige metamorfose op het gebied van scheepvaart, handel, cultuur, gezondheidszorg en onderwijs. De Scheldekaaien werden heraangelegd, de haven kende een sterke uitbreiding en het Zuiderkasteel werd ontmanteld. De Wael stimuleerde de overwelving van Het Schijn en de Herentalse vaart en het aanleggen van rioleringen en waterleiding. Op cultureel gebied vormde de bouw van een nieuw Museum voor Schone Kunsten het hoogtepunt.

 

Sinds 1810 bewaarde het museum een uitgelezen verzameling schilderijen, beelden en tekeningen, beginnend vanaf de veertiende eeuw. Het was samen met de academie ondergebracht in het afgeschafte Minderbroederklooster. Onder impuls van burgemeester de Wael besliste het stadsbestuur in 1875 een nieuw museum te bouwen. De realisatie vond plaats tussen 1884 en 1890.

 

Twee jaar na het overlijden van de burgemeester met de grote bakkebaarden besliste het stadsbestuur om de naam Volksplaats, waar het Museum voor Schone Kunsten gevestigd is, te wijzigen in Leopold de Waelplaats en een gedeelte van de Volksstraat te herdopen in Leopold de Waelstraat.

 

Voor het grafmonument van Leopold de Wael ging uitzonderlijk het initiatief volledig uit van het stadsbestuur zelf, en niet van verenigingen of bewonderaars zoals bij Benoit of Conscience. De gewichtigheid klonk al door in het wedstrijdprogramma voor het monument. In de opgegeven afmetingen en de verplichting om te werken met duurzame - lees: dure - materialen bleek de grootsheid die de stad voor ogen had. Alleen Belgische bouwkundigen en beeldhouwers die in Antwerpen woonden of die primus van Rome zijn geweest mochten deelnemen, en dat waren er weinig. Als winnaar van de wedstrijd kwam het ontwerp Pro Antverpia van de broers Joris en Eugene Geefs uit de bus. De eerste was beeldhouwer, de tweede bouwmeester.

 

Joris Geefs (1850-1933), uit de bekende Antwerpse beeldhouwersfamilie, volgde de lijn van zijn vader, Jozef, en van zijn oom, Willem. Allegorische werken, borstbeelden, medaillons, monumentale sculpturen, herdenkingsmonumenten en statuettes werkte hij uit in traditionalistische stijl. Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen kocht in 1882 zijn marmeren beeld Leander, stervend op de oever van de Hellespont, dat eerder bekroond was op het Salon van Parijs. Het museum bewaart ook de buste door Joris van Jozef Geefs. Zoals van vele beeldhouwers van zijn generatie, zijn ook van hem sculpturen te vinden in Antwerpse gevels, bijvoorbeeld De Zomer in de Leysstraat.

 

Het monument dat Joris Geefs voor Leopold de Wael ontwierp vervult met glans een dubbel doel: het vereeuwigt de burgemeester en zingt de triomf van het bloeiende Antwerpen. De faamengel steekt de loftrompet. Met haar onvermoeibare vleugels vervoert zij helden uit heden en verleden.

 

 

De ridder en zijn museum

 

Sinds 1783 bezat de familie van Gelder een papierfabriek in Nederland. Ridder Pieter Smidt van Gelder (1878-1956), het vijfde familielid met die naam, was in het begin van de twintigste eeuw directeur van het bedrijf. Dankzij een enorme erfenis kon de dertigjarige Pieter zich volop wijden aan zijn passie voor reizen en kunst. Toen hij zestig was besloot hij zich in België te vestigen en kwam uiteindelijk in Antwerpen terecht. In 1937 kocht Smidt van Gelder een van de mooiste Belle Epoque huizen die in Antwerpen bewaard zijn gebleven. Het is gelegen aan de Belgiëlei, de voormalige Boulevard Léopold, in een buurt die vroeger tot de meest chique buitenwijken behoorde. Het pand werd in 1905 als familiaal woonhuis gebouwd door architect Jos Hertogs, in opdracht van de Antwerpse zakenman Edouard Thijs (die eveneens op Schoonselhof ligt begraven).

 

Van Gelder liet het imposante huis verbouwen tot privé-museum. Als verzamelaar was hij vooral geïnteresseerd in toegepaste kunsten en luxenijverheid uit de periode 1650-1900. Hij reisde door heel Europa en kocht op veilingen en bij antiquairs meubilair, siervoorwerpen, oosters en westers porselein, vitrinevoorwerpen en schilderijen van Hollandse meesters.

 

In 1949, Ridder Smidt van Gelder was toen 70 jaar, besprak hij met burgemeester Lode Craybeckx de voorwaarden van een mogelijke schenking van het privé-museum aan de stad Antwerpen. Nog datzelfde jaar werd de stad eigenaar van het gebouw en de verzameling. Op 11 maart 1950 vond de opening plaats van het nieuwe stedelijke museum. Sinds 2000 vormt het Museum Smidt van Gelder samen met het Museum Mayer van de Bergh en het Rubenshuis één samenwerkingsverband, de Kunstmusea. Het museum is momenteel gesloten voor renovatiewerken.

 

Het graf van Ridder Pieter Smidt van Gelder, gerealiseerd in opdracht van de stad, is een van de weinige op Schoonselhof die in mozaïek zijn aangelegd. In goud, blauw, zwart en rood is het wapenschild van de familie Smidt van Gelder gevormd. Het diende ook als watermerk bij de productie van het kwaliteitspapier 'van Gelder'.

 


Spoken op het kerkhof

 

Het grafmonument van beeldend kunstenaar Remy Cornelissen (1913-1990) is een glanzend zwart granieten zerk met drie witte keien aan het hoofdeinde. Op de grootste ervan was het beeld Johannes op Patmos geplaatst, dat in 1993 werd ontvreemd. Hetzelfde lot onderging het grafbeeld van schilder en beeldhouwer Charles-Albert Szukalski (1945-2000), gestolen voordat het geplaatst kon worden.

 

Er is wat mis met Schoonselhof. Sinds het afschaffen van de eeuwigdurende concessies verwijdert het stadsbestuur ook bijzonder waardevolle grafmonumenten. Op het graf van Maria Magdalena De Hollander, de eerste echtgenote van Gaston Burssens, stond een reliëf gebeeldhouwd door Oscar Jespers. In 1997 werd het grafmonument afgebroken en het beeld verbrijzeld. Wat in een museum thuishoorde, belandde op het stort.

 

Verlopen vergunningen of als verwaarloosd aangeduide monumenten komen in stadsbezit. De term 'verwaarlozing' is echter niet gedefinieerd en laat willekeur toe. Honderden grafmonumenten zijn afgebroken zonder dat de familie werd verwittigd. Deze kaalslag op de Antwerpse begraafplaatsen is niet te rechtvaardigen, ook niet door plaatsgebrek, aangezien 80 % van de Antwerpenaren zich laat cremeren. Funerair erfgoed verdwijnt nog voor er mogelijkheid is tot inventarisatie.

 

Oplossingen zijn anders wel voorhanden. Vele steden stellen grafmonumenten op verlopen vergunningen ter beschikking voor hergebruik. De nieuwe familie, die zijn naam aanbrengt op plexiglas, heeft een degelijk monument voor een schappelijke prijs. De honderdduizenden euro die de stad Antwerpen in 2004 uitschreef voor afbraak van monumenten zou ze kunnen aanwenden voor het opmaken van een inventaris, het onderhoud van de begraafplaats en waardevolle graven, het aanbrengen van nette banken en een wegbewijzering op Schoonselhof. Het is tijd dat de stad haar ogen opent voor de niet te onderschatten emotionele waarde van haar begraafplaatsen, die bovendien als stenen archief heel wat historische, heraldische, genealogische, kunsthistorische, natuurhistorische, sociologische en volkskundige kennis bevatten en die ze als toeristische troeven kan uitspelen.

 

Een bezoek aan de dodenstad vertelt heel wat over de stad der levenden. De aanwezigheid of de afwezigheid van bepaalde personen, graftypes, stijlen, materialen, tot de urbanistische inrichting brengen de maatschappij waartoe de begraafplaats behoort tot leven.

 

Met het decreet van 16 januari 2004 betreffende de begraafplaatsen en de lijkbezorging zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het behoud en het beheer van hun funerair erfgoed. Hopelijk zal er iets ten goede veranderen.

 

In 2001 verzamelde Jacques Buermans een aantal mensen met interesse voor begraafplaatsen en richtte de vzw Grafzerkje op. Hun belangstelling gaat uit naar vele begraafplaatsen in binnen- en buitenland, maar er is een bijzondere band met Schoonselhof. Met eigen middelen hebben leden van Grafzerkje restauraties en overnames gerealiseerd en zo markante grafmonumenten gered, onder andere die van Jules Pecher, Theodoor Verstraete en Alice Nahon (alhoewel bleek dat dit wegens een erfgift door de stad dient onderhouden te worden) en Maria S'Heeren (een monument aangeduid als stadsbezit).

 

Eveneens uit bezorgdheid over de rampzalige gevolgen die de wet uit 1971 op de begraafplaatsen had voor de instandhouding van historisch en monumentale grafarchitectuur, werd vzw Epitaaf -Vereniging voor funeraire archeologie opgericht. Doelstellingen zijn: het bestuderen en beschermen van cultureel erfgoed van begraafplaatsen, het inventariseren van kerkhoven, begraafplaatsen en grafmonumenten met historisch, cultureel, urbanistisch, sociaal, architectonisch of thanatologisch belang en het aanmoedigen en bevorderen van de restauratie van dit cultureel erfgoed. Bovendien wil Epitaaf een museum en documentatiecentrum oprichten in de voormalige ateliers van grafbeeldhouwer E. Salu te Laken.


 

Funeraire symbolen

 

Symboliek wordt gebruikt om abstracte begrippen visueel te maken, door middel van symbolen kan het onverwoordbare geuit worden. Vandaar de noodzakelijkheid en onvermijdelijkheid van symbolen op de begraafplaats, de plaats waar de mens geconfronteerd wordt met de eindigheid van het leven en het onherroepelijk afscheid nemen. Een aantal zeer duidelijk te onderscheiden symbolen treft men dan ook enkel aan in een funeraire context, zoals een omgekeerde fakkel of een gebroken zuil.

 

Aandachtige lezing van de symbolen, attributen, personificaties en emblemen kan heel wat onthullen over de overledene, diens persoonlijkheid en levensgemeenschap. Symboliek is niet éénduidig op te vatten, naargelang de tijd, plaats en inwijdingsgraad kunnen andere of gelaagde betekenissen verbonden worden aan eenzelfde afbeelding. De beschouwer dient na te gaan welke symbolen samen voorkomen, hoe het leven van de overledene te typeren valt, hoe het gedenkteken tot stand is gekomen.

 

Naast de hier opgesomde symbolen kunnen ook vormen, stijlen en materialen symbolisch geïnterpreteerd worden. Zelfs de plaats op de begraafplaats is veelzeggend. Brons is zeer duurzaam, een beeltenis in dit materiaal verzekert een eeuwig voortbestaan en is daarom, en omwille van zijn kostbaarheid, een blijk van grote waardering. Liberalen kozen in de negentiende eeuw vaker voor progressieve kunststrekkingen dan katholieken. Niet verwonderlijk dus dat de dynamische art nouveau pijler prijkt op het graf van een liberaal, schepen Louis de Winter (park Zl, lijn C).

 

Afgebroken zuil

Symbool van het plots afgebroken jonge leven. Wordt uiteindelijk ook aangewend op graven van volwassenen.

 

Alfa en Omega

Als eerste en laatste letter van het Griekse alfabet verwijst dit letterpaar naar God als het begin en het einde van alle dingen. In het persoonlijk embleem op het graf van Max Elskamp en zijn zuster Maria is dit symbool verwerkt.

 

Anker

Een anker duidt op standvastigheid, vastberadenheid en trouw. Het is ook een symbool voor zeelui. In de christelijke traditie geeft het de band met Christus aan: zijn ziel ankeren in Christus is het enige middel om de spirituele schipbreuk te vermijden. In combinatie met een kruis en een hart vormt het anker de drieeenheid van geloof, hoop en liefde.

 

Boek

Geopend is het, voor protestanten, voor rooms-katholieken, voor vrijmetselaars, hét Boek, de bijbel, het boek des levens. Het kan behoren tot de typisch funeraire symboliek: het boek waarop een kruis ligt: 'hoop', een bladwijzer of een omgevouwen hoek van het blad, 'het plotse ogenblik van de dood'. Anderzijds verschijnt het als attribuut van een letterkundige, zoals bij Julius de Geyter en, in combinatie met een ganzenveer, bij Hendrik Lenaerts.

 

Deur

Symbool voor de overtocht van de wereld van de levenden naar de wereld van de doden.

 

Duif

Vredessymbool dat ook verwijst naar eenvoud, zuiverheid en onschuld. Indien de duif omgeven is door een stralenbundel verwijst ze naar de Heilige Geest en naar de weg omhoog. Zittend op de grafsteen staat de duif symbool voor de ziel van de overledene die krachten verzamelt voor de reis naar de hemel. Opmerkelijk is dat de duif weinig voorkomt op Schoonselhof, maar op andere begraafplaatsen, zoals te Oostende, overvloedig aanwezig is.

 

Eikenkrans

Symbool van kracht en onsterfelijkheid.

 

Fakkel

De rechtopstaande fakkel is het symbool van een vrijzinnige levensopvatting. Op de begraafplaats treft men vooral de omgekeerde fakkel, die staat voor het uitdovende leven.

 

Hamer en beitel

Dit attribuut voor een beeldhouwer wordt veel minder vaak gehanteerd als het attribuut van een schilder of architect. In vrijmetselaarscontext, zoals op het graf van Victor Desguin (park N) verwijst het naar het bewerken van de ruwe steen tot een gepolijste kubus, zoals de logebroeders in de beslotenheid van de tempel aan zichzelf werken.

 

Graftuin

Voor WOI speelde de graftuin een grote rol. Bij aanplanting werd rekening gehouden met de, heden vergeten, planten en bloemensymboliek. Groenblijvende planten brengen kleur in het dode seizoen en werden aangeplant omwille van hun verwijzing naar de onsterfelijkheid. Bloeiende planten staan voor de cyclus van het leven, het begin en het einde en de mogelijkheid van heropstanding door het zaad dat is nagelaten. Een onderhouden tuintje weerspiegelt de eerbied die men aan de herdachten verbindt. Bloemen en planten zijn ook volop aanwezig in kransen in natuur, ceramiek, porselein en marmer.

 

Handen

In elkaar glijdende handen zijn het symbool van liefde, trouw en verbondenheid. Uit elkaar glijdende handen, vaak rustend op een kussen en een gebroken ketting, wijzen op een door de dood verbroken huwelijk. Zonder huwelijksring en met aan de handen een duidelijke pij, kan een handenpaar de broederschap van een geheim genootschap uitdrukken. In het gezelschap van een Davidster of hebreeuwse letters duiden twee zegenende handen op een graf van een joods priester of Cohen. De handen van de Cohanin worden gewassen door de leden van de familie van Levi, de Livieten. Zij zijn herkenbaar aan een waterkan en bekken.

 

Hart

Symbool van liefde. Een brandend hart duidt op mystiek-hemelse liefde of het hart als mystiek altaar waarop door het vuur van de Heilige Geest de vleselijke neigingen worden verteerd.

 

Klimop

De altijd groene plant wijst op het eeuwige leven. Klimop staat ook voor trouwe verbondenheid en vriendschap tot in de dood. Klimop houdt de herinnering vast en wordt als grafbeplanting gebruikt of in steen gebeiteld.

 

Kruis

Het meest gekende christelijke symbool staat voor hoop en verrijzenis. Het hoort in Vlaanderen bijna vanzelfsprekend op een graf. Zelfs de stele van J.F. Van Kerkhoven (1818-1857) auteur van de eerste Vlaamse vrijdenkersroman is bekroond met een kruisje. Dit is aangebracht door de familie van de schrijver in een periode waar weigering van de sacramenten taboe was. Indien het kruis centraal staat of verschijnt met andere christelijke symbolen, zoals het Christushoofd, of een roos wordt duidelijk dat het een devote familie betreft. Katholieke kruisen worden zeer vaak versierd of voorzien van een imitatie in klimop of houtnerven (een vergeten verwijzing naar de levensboom). Kruisen van protestanten vallen op door hun eenvoud, net zoals in hun kerken is overbodige decoratie weggelaten. Christus wordt niet afgebeeld, want die is opgestaan. Een Armeens graf wordt getypeerd door een Kachkar(Khach = kruis, kar = steen).

 

Kussen

Symbool van de eeuwige slaap. Soms moet het de waardigheid van de overledenen beklemtonen. Zeer frequent - aangewend op de graven die opgericht werden te Kiel, maar bijvoorbeeld te Gent weinig voorkomend.

 

Lier

Verwijzing naar het kunstenaarschap van een dichter, componist of musicus.

 

Masker

Attribuut op het graf van een acteur.

 

Obelisk

Geliefd als militair herdenkingsteken wegens zijn triomferende vertolking van de gedachte van het eeuwige leven door het offer aan het vaderland. Op het einde van de negentiende eeuw was de kennis van de symboliek al sterk verzwakt en traden contradicties op. De gebroken obelisk op de vergunning van de familie Good-Nathanson (park Zl) is strijdig met de oorspronkelijke symbolische inhoud van de obelisk, want het symbool dat verwijst naar het eeuwige leven werd hier gebroken als teken van eindigheid.

 

Olielamp

Symbool voor de eeuwigheid van het leven en ook voor kennis en verlichting.

 

Ouroboros

De slang, een zich verjongend wezen, komt op de Westerse begraafplaatsen vooral voor in de vorm van de ouroboros, de slang die zichzelf in de staart bijt en zo een gesloten kring vormt. Het eeuwigheidssymbool van de slang wordt aldus versterkt door de oneindigheid van de cirkel.

 

Palet en penseel

Overduidelijk en vaak aangewend attribuut van een schilder.

 

Palmtak

Attribuut dat verwijst naar het kunstenaarschap, eeuwige roem door artistieke creaties. Werd als teken van de triomf over de dood door martelaarsschap op negentiende-eeuwse familiegraven een triomfantelijke verwijzing naar het eeuwige leven.

 

Papaver

Oorspronkelijk het symbool van Hypnos, de Griekse god van de slaap. Later het christelijke symbool van de gelukzalige tijdelijke slaap. Vooral afgebeeld als droogbloem in kransen van steen, maar ook bloeiend.

 

Passer en winkelhaak

Op het graf van Walter van Kuyck wordt 'passer en winkelhaak' aangewend als attribuut voor een architect. Bij de winkelhaak van het vrijmetselaarssymbool (Desguin, park N) zijn de benen open, bij die van een architect wordt de driehoek meestal gesloten.

 

Personificatie

Vooral voor zeer gewaardeerde personaliteiten worden graftekens opgericht die ook in een stadspark niet zouden misstaan. Hier ontbreekt funeraire symboliek en wordt gewerkt met attributen en personificaties, waarbij vaak een vrouw met stedenkroon op het hoofd verschijnt, op Schoonselhof is dat Antwerpen, op de Westerbegraafplaats is dat Gent.

 

Schip

Attribuut van een reder of zeeman, maar ook symbool van de hoop.

 

Taxus

De altijd groene taxus staat voor onvergankelijkheid. In de oudheid geloofde men dat de ingang tot de onderwereld geflankeerd werd door taxusbomen.

 

Uil

Symbool van de gelouterde ziel. Bij Louis Dousselaere versterkt de uil de doodsgedachte van de kleine sarcofaag op de top. Op het graf van Jos Cauwenbergh (ZI, C) vliegt de uil boven het portretmedaillon, wat de wijsheid van deze schepen van financiën en provincieraadslid lijkt op te roepen.

 

Urn

Oud Romeins symbool voor dood en rouw. Een sluier op de asurn staat voor het afdekken van het leven.

 

Viooltje

Kleurrijk, klein en sterk, deze eigenschappen maken van het viooltje het symbool van nederigheid.

 

Zandloper

De zandloper verwijst naar de kortstondigheid van het leven en naar het onvermijdelijke levenseinde. Soms zijn zandlopers voorzien van vleugels - links die van een duif (de dag), rechts die van een vleermuis (de nacht) - om aan te geven dat het leven vervliegt bij dag en nacht, bij goed en kwaad. De Christelijke traditie ziet de omkeerbaarheid van de zandloper als het nieuwe leven na de wederopstanding.

 


Leven in het park

 

Schoonselhof is niet enkel een begraafplaats, het is ook een park. Het heeft gelukkig niet veel te lijden gehad van de versnippering die andere groene ruimten in en om Antwerpen hebben moeten verduren. En ook aan het massaal gebruik van kunstmest, vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw, is Schoonselhof als begraafplaats ontsnapt. Dat heeft positief bijgedragen aan de ecologische verscheidenheid van het park. Men vindt er planten en bloemen die elders in de wijde omgeving volkomen uitgeroeid zijn. Ook voor vele kwetsbare plantensoorten is Schoonselhof een laatste rustplaats.

 

Een uiterst merkwaardige soort is Bleek cypergras, een subtropisch schijngras dat zich, ondanks zware bodemverstoring, weet te handhaven. Verder zijn er onopvallende pionierplanten, zoals Klein bronkruid, Liggend hertshooi, Borstelbies en Rode schijnspurrie. Schoonselhof herbergt ook een groep planten die zich goed voelen in zoete tot zwak brakke waters en op oevers. Op oude en minder onderhouden graven gedijen discreet varens, mossen en korstmossen. In het park is er verder nog een beukenplantage met statige oude bomen, verweerd door weer en wind en een uniek beekbegeleidend bos.

 

Door Schoonselhof stroomt de Hollebeek, vol salamanders, kikkers en vissen, waterplanten en zoetwaterslakken. Het water is snelstromend, rein en vol leven. De Hollebeek is de ruggengraat van het landschap. Alle sloten op de begraafplaats staan er mee in verbinding.

 

Het grasveld voor de asuitstrooiing op Schoonselhof is een kortgeknipt gazon, alhoewel een weide met wilde bloemen meer geschikt zou zijn. De verscheidenheid aan kruiden en kleuren geeft vertrouwen en past beter in de cirkel van leven en dood, het weer opgenomen worden in de cyclus van grond, zon en eeuwigheid.

 

Erik Molenaar  


Auteur

Anne-Mie Havermans is kunsthistorica. Haar proefschrift is een uitgebreide en diepgaande studie van de parkbegraafplaats Schoonselhof. Ondertussen zet zij dit onderzoek voort. 


 

Ars Poëtica, Benoit Peter, Beschey Balthasar, Bezoek van A. Dürer te Antwerpen in 1520, Boeket Levenslust, Bourla Pierre, Bouwslaven, Brongniaert Alexandre, Burssens Gaston, Carillo Alfonso, Charlier Guillaume, Conscience Henri, Cornelissen Remy, Craybeckx Lode, Dandy, de Braekeleer Henri, De Braekeleer Jaak, de Coninck Herman, De eetkamer in de woning van H. Leys, De Geyter Julius, De idioot, De Kempen, De onnozele, De Schilderswerkplaats, de Sevilla Jehan Francisco, De Sintelraper, De verdediging van de kudde, de Wael Leopold, De zomer, della Faille Augustin Moretus, Dialoog, Dousselaere Louis, du Bois de Vroylande Joannes-Anthonius, Ducci Gaspare, Dupon Josuë, Dupuis Louis, Dupuis Stany, Een contrast, Een Griekse Tragedie, Geefs Eugene, Geefs Joris, Gijsen Marnix, Goris, Grafmonumenten Schoonselhof, Greshoff Jan, Grijp Theofiel, Havermans Anne-Mie, Het Groenkerkhof naast de O.L.V.Kerk Antwerpen, Horta Victor, Huysmans Camille, Jan-Albert, Janlet Jules, Jespers Floris, Jespers Oscar, Johannes op Patmos, Jonckheer Clement, Joris Frans, Keizer Josef II, Kerkhof Père-Lachaise, Larock Evert, Leander stervend op de oever van de Hellsespont, Levensboeket, Leys Henri, Luisterende Engel, Macken Mark, Minne Joris, Molenaar Erik, Moretus Jules Jean Thomas, Naar de dodenwake, Nahon Alice, Napoleon, Ost Alfred, Pecher Jules, Pegasos, Pierre Arthur, Poels Albert, Pot Albert, Ridder Pieter Schmidt van Gelder, Schmitz Marcel, Staande Engel, Stijnen P., Szukalski Albert, Terwagne, van Averbeke Emiel, Van Cutsem Henri, Van Goethem Nicole, Van Hoof Jef, van Kuyck Frans, van Mechelen Alexis, Van Ostaijen Paul, Van Strydonck Guillaume, Verhaert Piet, Verlat Karel, Verpoest Luc, Verstraete Theodoor, Vrouwentorso, Weldadigheid, OKV2004