U bent hier

OKV 2004.2 tento

OKV 2004.2 tento

Edito 

Met de papfles

 

Lezers vertellen me dikwijls hoe ze thuis als kind nieuwsgierig in de wijnrode kaften van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen bladerden. Voor velen ging een nieuwe wereld open wanneer ze op hun hurken gezeten naast de ouderlijke bibliotheek de kleurrijke reproducties van schilderijen en kunst in Vlaanderen ontdekten. De geheimzinnige afbeeldingen en de thema-afleveringen van ons tijdschrift wezen hen definitief de weg naar de kunst. Verschillende studies bewijzen dat de indrukken die we opdoen tijdens onze eerste kinderjaren bepalend zijn voor het verder verloop van onze ontwikkeling.  Het voorbeeld van de (groot)ouders is de meest bepalende factor voor 6-15 jarigen om musea en monumenten te bezoeken. Ook het onderwijs en de aandacht van de school voor kunst en cultuur speelt hierin een belangrijke rol. Wie thuis zijn gading niet gevonden heeft, kan op school de schade in halen. Vraag is alleen hoe het gesteld is met de integratie van kunst en cultuur op school. Gelukkig hebben wij in Vlaanderen CANON, de Cultuurcel van het Departement Onderwijs. Ze wil een bruggenbouwer zijn tussen de werelden van cultuur en onderwijs en zo cultuur een actieve plaats geven in de school. We zijn dan ook blij dat we samen met hen een extra bijlage over Kinderen & Kunst hebben kunnen maken. Want we gaan er toch allemaal van uit dat we onze kinderen moeten wegwijs maken in de vele schoonheden die de kunsten hebben voortgebracht? We geloven toch dat kunst de fantasie stimuleert en de nieuwsgierigheid van jonge mensen prikkelt? Dat kunst en cultuur van onze jongeren betere mensen maken? Maar is dat wel zo? Een Nederlandse studie kwam tot de vaststelling dat kinderen die regelmatig naar musea of andere culturele instellingen gaan het niet noodzakelijk beter doen op school of in hun emotionele ontwik­keling.  Dat valt tegen, of juist niet? Los van de vraag hoe zo'n studie dat allemaal kan meten en of dit wel relevant is, zien we een typisch West-Europese meetlat: beter, slechter, goed of slecht. Zouden we niet eerder spreken van 'anders'? Elke kunstervaring maakt ons een beetje anders. Moet kunst trouwens een middel zijn 'ter verheffing van de jeugd' of mag het genieten van kunst een doel op zich zijn?

 

Het is een vraag die we in de extra bijlage terugvinden.

 

Geniet alvast van deze Tento met extra's en ideeën voor een zomer vol kunst.

 

Peter Wouters

 


KUNST IN OPENBARE RUIMTE

 

 

Deze zomer zet de provincie Vlaams-Brabant de "Brabantse Bouwmeesters" in het zonnetje.  Via dit cultuurhistorisch project zwaaien de Brabanders zichzelf de lof toe over hun rijk gotisch erfgoed en, goed nieuws, ze laten iedereen daarvan meegenieten.  Want wie wil er niet luisteren naar "Verhalen uit de late middeleeuwen" ?

 

 

Wat Brabantse bouwmeesters ons te vertellen hebben. 

 

Het evenement "Brabantse Bouwmeesters. Verhalen uit de late middeleeuwe", loopt van 22 mei tot 26 september.  Het initiatief van de provincie Vlaams-Brabant is duidelijk niet bedacht om enkel maar de selecte groep van architectuur- freaks te boeienden.  Bert Van Kerckhove van de Dienst Cultuur, gepokt en gemazeld in het toeristisch bedrijf, bena- drukt de gelaagdheid van het project : "Het is de bedoeling om het gotisch patrimonium dat in Vlaams-Brabant rijk vertegenwoordigd is op een zo levendig mogelijke manier tot zijn recht te laten komen, liefst met een zo breed mogelijke spreiding over het geheel van de provincie. Daarom selecteerden we vier regio's, waaruit vier thema 's zich opdrongen.

 

Zo was het mogelijk telkens weer een eigen animatie te bedenken. "Praktisch gezien mondde deze denkoefening uit in een opde­ling van de provincie in vier gebieden die in evenveel brochures beschreven worden. Telkens focussen de auteurs op een aantal markante gebouwen, met bijzondere aandacht voor de plaatselijke eigenheid, de materiaalkeuze, devotieaspecten die in de middeleeuwen van doorslaggevend belang waren, zonder binnen dat geheel het hedendaagse aspect uit het oog te verliezen.

 

 

Vier regio's met specifieke blikvangers

 

Bert Van Kerckhove : "De keuze van de regio's zal veel duidelijk maken : De Demerstreek, de Getestreek, Halle en omgeving, Leuven.  In elk van die streken zijn er gebouwen waar we niet naast kunnen kijken met daarnaast andere aspecten die het toelichten waard zijn. 

 

Wij nemen even de brochure rond de Demerstreek door. De term brochure is misschien misleidend. Het is een keurig druksel van een veertigtal pagina's, over­vloedig en degelijk geïllustreerd. De teksten zijn niet in de eerste plaats als leidraad voor het bezoek aan één bepaald monument opgevat. Het zijn korte studies, soms alge­meen, soms monografisch, over de hoofd­thema's en over representatieve voor­beelden ervan op het terrein.

 

De anekdotiek onder de vorm van plaatse­lijke legenden wordt uiteraard niet vergeten. In concreto is het meest in het oog sprin­gend element in de Demerstreek het gebruik van ijzerzandsteen.  Logischerwijs verklaart de brochure dus in eerste instantie de eigen­heid van dit bouwmateriaal in een artikel over 'Bouwen in Distiaan ijzerzandsteen'.

 

Op tijd en stond krijgt de lezer uitleg over de fameuze speklagen en komt hij te weten waarom het gebruik van de donkerbruine steen tot dit gebied beperkt bleef.

 

Het tweede hoofdthema is dat van de donjons.  De Demerstreek kan er prat op gaan dat het ten minste drie van deze presti­gieuze bouwsels bezit. De beschrijving blijft niet beperkt tot de bouwgeschiedenis, maar verklaart ook het gebruik van de diverse verdiepingen, in zoverre die nog na te gaan is.  De binnenkant bood alvast veel meer mogelijkheden dan de massieve buitenkant laat vermoeden.

 

De wijnteelt is het derde thema. In de late middeleeuwen was dit een belangrijke economische realiteit in de streek. Er werden zowel rode als witte wijnen gepro­duceerd: geen grote crus, gewoon eerlijke landwijnen met zelfs enkele plaatselijke benamingen. Ook ondergang en heropleving van de wijnbouw komen aan bod, de sporen ervan aangewezen.

 

Het ene verhaal brengt het andere mee. De Onze-Lieve-Vrouwekerk van Aarschot is één van die voorbeelden van veelvuldig gebruik van zandsteen, maar hier is ook het prach­tige schilderij van de 'Mystieke Wijnpers' te bewonderen, waarin de verwijzing naar de plaatselijke wijncultuur aan de typische laat middeleeuwse sacramentsdevotie gekoppeld wordt. Andere blikvanger van de kerk van Aarschot is het prachtige doksaal dat het hoogkoor van de rest van de kerk scheidt. De afschermfunctie was reëel: het ging hier om een kapittelkerk en het koor­-officie van de zetelende kanunniken moest onverstoord kunnen doorgaan. Er volgt een woord uitleg over de functie van een kapittelkerk en hoe die in het gebouw afleesbaar is.

 

Het wonen in een middeleeuwse stad is een realiteit die vandaag nog sporen heeft nage­laten. Vooral in Diest worden die nagegaan. Om maar iets te noemen: refugiehuizen en huisnamen, wat hadden die te betekenen? Niet elk gebouw kan aan een diepgravend onderzoek onderworpen worden. Daarom is achterin de publicatie een veertiental inte­ressante gebouwen, opgetrokken in ijzer­zandsteen, kort beschreven. Twintig dege­lijke artikels over uiteenlopende onder­werpen in die ene brochure! Goed gewerkt. De andere gebieden leggen uiteraard andere klemtonen.  Kenmerkend voor de Getestreek is het gebruik van de Gobertangesteen, al dan niet in combinatie met kwartsiet. Retabels zijn de pronkstukken van een aantal kerken. Denken wij in de eerste plaats aan laatgotische kleinoden die uiteraard uitvoerig aan bod komen, dan wordt eveneens met een frisse blik gekeken naar neogotische retabels. Al zijn ze minder populair, toch zal blijken dat zij ook stof voor een boeiend verhaal leveren. Hetzelfde geldt voor de studie van de oude stadsrekeningen van Zoutleeuw. Het bruisend economisch verleden van het kleine stadje komt zo  opnieuw tot leven. Aan de heel andere kant van de provincie ligt Halle met zijn uitlopers naar het Zoniënwoud en het Pajottenland.

 

De basiliek is de kern van de Mariaverering, met zijn devotie, processies en bedevaarten. De intense renovatie die de kerk momenteel ondergaat, biedt ook de gelegenheid om over dit thema uit te weiden, meer bepaald over de negentiende-eeuwse aanpak daarvan. Het nabijgelegen Alsemberg is daar een mooi voorbeeld van, evenals het kasteel van Gaasbeek. Doorgaans zijn we ons hiervan te weinig bewust, maar achter de soms ver doorgedreven interpretaties schuilt een filosofie die het bestuderen waard is.  De tastbare sporen zijn van de gebouwen afleesbaar. Naast de oorspronkelijke Balegemse zandsteen en kwartsiet doen Euvillesteen en petit granit via restauraties en verbouwingen  hun intrede.

 

Brochure vier behandelt één plaats: Leuven.  Ondanks de verwoestingen tijdens beide wereldoorlogen is de laatgotiek in Leuven sterk tegenwoordig. De hoofdgebouwen van de stad zijn middeleeuws: het stadhuis, de Sint-Pieterskerk en de universiteitshallen.

 

Het  thema van de verhalen die zij te vertellen hebben dient zich vanzelf aan: gebouwen en hun functie.

 

Bert Van Kerckhove: "Uiteraard is het aanbod niet tot die vier regio's te beperken. Daarom plannen wij een vijfde brochure met als thema het landelijk erfgoed.  Dat is natuurlijk veel meer verspreid. Bij wijze van spreken kun je zeggen dat haast elk dorp een gotische of neogotische kerk heeft."

 

 

Animaties 'up de manier van Brabant'

 

De animatie concentreert zich op de vier kerngebieden. Bert Van Kerckhove: "De evenementen sluiten zoveel mogelijk aan bij de pronkstukken uit ons aanbod.  Er zijn wandelingen, geleide bezoeken en concerten, maar ook optredens die we toch op en top eigentijds mogen noemen.  Alles wordt zo opgevat dat het binnen één dag kan beleefd worden, globaal gezien tussen 13 en 17 uur, met eventueel een uitschieter naar de avond." Leuven bijt de spits af op zaterdag 22 mei en Halle is de hekkensluiter op  6 september. Het muzikale gamma is erg uitgebreid, van orgel of beiaard tot Coco jr of Raymond. Wandel- en fietstochten laten vroegere processiewegen opnieuw  bewandelen. Geleide bezoeken bieden inzicht in de bouwwijze of het materiaalgebruik, in het bekappen van de stenen, in renovatieproblemen.

 

 

Brabant buiten de grenzen

 

Even had ik gedacht dat het thema van het evenement de 'Brabantse gotiek' zou zijn, maar de term blijkt niet meer van toepassing, spijtig voor wijlen Stan Leurs, professor Lemaire en enkele anderen. Wel bestond er zoiets als bouwen up de manier van Brabant, een term die terug te vinden is in het contract uit 1542 voor de bouw van het refugiehuis van de abdij van Herkenrode te Hasselt. Hiermee werd bedoeld een bouwwijze met alternerende lagen van baksteen en natuursteen. Maar deze vorm van laatgo­tiek kan toch moeilijk tot het territorium van de huidige provincie Vlaams-Brabant beperkt worden.

 

Bert Van Kerckhove: "In eerste instantie werd natuurlijk gedacht aan het uitgestrekte gebied van het vroegere hertogdom Brabant, dus met inbegrip van Antwerpen en Noord-Brabant en met uitlopers naar Oost-Vlaanderen en Henegouwen, maar in de praktijk was dat niet haalbaar. De samen­ werking wou niet vlotten. Spijtig, maar het is zo.  Gelukkig werkt Brussel goed mee en zorgt de Erfgoedcel van de Vlaamse  Gemeenschapscommissie daar voor een eigen volwaardig programma. "Enkele van de voornaamste gotische kerken komen aan bod via rondleidingen, maar niet enkel in de binnenstad. Er is aandacht voor de oude kerk op het kerkhof van Laken en ook voor de machtige kerk van Anderlecht. Binnen de vijfhoek spitst de animatie zich toe op de site van de Koudenberg, met onder meer fietstochten van Pro Velo.

 

 

Klare wijn

 

'Brabantse bouwmeesters' zijn dus de ongewilde vedetten van dit opzet. Maar zullen wij ze nu beter kennen? Het is inderdaad niet zo dat de kerkenbouwers uit de middeleeuwen per se anoniem wilden blijven. We weten wie het stadhuis van Brussel gebouwd heeft, of de kathedraal van Antwerpen.

 

In de brochures komen nog meer namen van bouwmeesters aan bod. Heel veel wijzer worden we toch niet, want over hun leven is bitter weinig bekend. Over de schitterende gebouwen die zij nalieten worden we des te beter geïnformeerd.

 

Ook worden ongenadig een aantal mythes doorprikt, maar dat moeten we erbij nemen. Laten we daarom afsluiten met een aantal droevige vaststellingen. Neen, de 'steenen muur' op de kam van de Wijngaardberg te Wezemaal is geen over­blijfsel uit de middeleeuwen; hij is geen twee honderd jaar oud.

 

De speklagen op de Ter Heidentoren te Rotselaar zien er mooi en authentiek uit, maar ze werden er pas in de negentiende eeuw op aangebracht en zijn dus een histori­sche vergissing of vervalsing (schrappen wat niet past).

 

Neen, 'den Testeleer', ooit een typische wijntje uit Testelt, is al eeuwen niet meer te verkrijgen.

 

Neen, het kasteel van Gaasbeek heeft er vóór de romantiek nooit als een half-renais­sance lustslot uitgezien. Het riante binnenhof met symmetrische plantsoenen is een creatie uit de negentiende eeuw; hier lag waarschijnlijk een halfduister binnen­plein in de schaduw van hoge torens en weergangen.

 

Wie deze ontgoochelingen aankan, zalt onge­twijfeld genieten van de verhalen van die Brabantse bouwmeesters.

 

 Rik Sauwen

 


Oorlog en Vrede in de Westhoek

 

 

De Slag van Passendaele in 1917 : een nieuw museum opent de deuren in Zonnebeke. 

 

De kleine mens in de grote oorlog

 

De 'grooten oorlog' blijft de verbeelding van de mensen prikkelen en de interesse van het publiek voor oorlogserfgoed lijkt de laatste jaren alleen maar toe te nemen. Zo zijn er niet alleen de recente renovatie van de Dodengang in Diksmuide en de start van een kersvers museum in Zonnebeke rond de huiveringwekkende Slag van Passchendaele,  maar ook de opening van de geres­taureerde Duitse oorlogssite Bayernwald in Wijtschate, de restauratie van het Franse oorlogsmonument Den Engel op de Kemmelberg en de renovatie van het Talbot House. Al onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog rezen allerlei musea uit de grond die het groeiend aantal 'oorlogstoeristen' een beeld probeerden te geven van de gruwelijke gebeurtenissen. Vlakbij het slagveld van Hill 60 bevindt zich nog één van dergelijke musea.

 

Eigenlijk is het niet meer dan een café met een verzameling kijkkastjes met talloze oude zwart/witfoto's, maar het is een unieke plek die zelf ook geschiedenis ademt. In de regio zijn talloze musea, of althans privé­initiatieven die zich museum noemen, die een graantje willen meepikken van de lucra­tieve stroom van vooral Engelstalige toeristen die er langskomen.

 

Met het Flanders Field Museum, een interac­tief museum dat de nadruk legt op de kleine mens in de Grote Oorlog, startte de profes­sionele ontsluiting van het onwaarschijn­lijke verhaal van de Eerste Wereldoorlog. Nu ontstaat een reeks musea en initiatieven die meer aandacht heeft voor de militaire gebeurtenissen aan het leperfront, zoals het nieuwe museum in Zonnebeke.

 

 

De hel van Passchendaele

 

Het Memorial Museum Passchendaele 1917 opende eind april 2004 in het kasteel van Zonnebeke. Het behandelt de oorlog in de leperboog, met de nadruk op Passchendaele 1917 als bloedigste slag van de Eerste Wereldoorlog. De typische geografie van de streek zorgde ervoor dat het niet toevallig was dat die slag in de buurt van Zonnebeke werd geleverd. Van Westrozebeke over Passendale, Zonnebeke, Beselare, Geluveld, Zandvoorde, Zillebeke, Hollebeke en Wijtschate loopt een oude heuvelkam die verder aansluiting geeft op de West-Vlaamse heuvels. Het was in de geschiedenis altijd de laatste natuurlijke hindernis op weg naar de Noord-Franse kanaalhavens en dus eeuwenlang het toneel van tientallen bloe­dige veldslagen. Op deze rij heuvels brengen de Fransen en de Britten de Duitse invasie tot staan in 1914.

 

Maar het front loopt vast en algauw ontwik­kelt zich een gruwelijke loopgravenoorlog die meer weg heeft van middel- eeuwse bele­geringen dan van negentiende-eeuwse veld­slagen. In 1916 gaan de Duitsers overal in de verdediging en in Vlaanderen beginnen ze met de uitbouw van een ingenieus defensie­systeem met verschillende weerstandslijnen in de diepte en een verdediging rond beton­bunkers en mitrailleursposten. Wanneer de Britten in de zomer van 1917 in de aanval gaan, is een catastrofe onvermijdelijk.

 

'Passchendaele' is niet alleen een begrip in de geschiedenis van de Eerste Wereld­ oorlog, maar ook een synoniem voor zinloos geweld in zijn meest gruwelijke vorm.  In amper honderd dagen worden niet minder dan 500.000 militairen buiten gevecht gesteld voor een terreinwinst van slechts enkele kilometers. Het  bombardement dat aan het Britse offensief voorafgaat, is het meest intense uit de hele oorlog en veran­dert de streek in een ontoegankelijke modderpoel.

 

 

De vergeten oorlog onder de grond

 

Het  onherbergzame landschap zorgt ervoor dat de soldaten ondergrondse kwartieren moeten aanleggen. De Engelse Tunneling Companies groeven met 25.000 man aan niet minder dan tweehonderd zelfstandige systemen. Zo komt het dat in maart 1918 in de dorpen aan het front er meer militairen onder de grond werken dan dat er vandaag inwoners in die dorpen zijn. Na de oorlog worden de toegangen tot al deze unieke complexen dichtgegooid.  Af en toe vinden lokale archeologen al dan niet bewust een dergelijke "dugout".  Soms helpt het toeval een handje. Zo is er het verhaal van een Passendaalse boerin die tijdens het poetsen van ramen plotseling in de grond verdween bij een verzakking door de dugouts. Boeren herinneren zich ook nog allerlei verhalen en kennen op hun velden de geheimzinnige plekken waar de natuur moeilijk doet en zo leggen de onderzoekers langzamerhand verschillende tunnelcomplexen bloot.

 

Het nieuwe Memorial Museum Passchendaele 1917 plaatst de dramatische gebeurte­nissen van de Derde Slag bij leper in de context van de Eerste Wereldoorlog en het fundamenteel probleem van de doorbraak.

 

Ook de 'dugouts', een weinig bekend thema maar één van de meest fascinerende bena­deringen van de Eerste Wereldoorlog komen aan bod door middel van een volledige en waarheidsgetrouwe replica van een ondergrondse constructie uit 1917.

 

Het hele programma en het museumconcept komt van Franky Bostin, dé drijvende kracht achter het nieuwe museum. In negen zalen geeft het museum achtereenvolgens een overzicht van de bewegingsoorlog, het vastlopen van het front in de winter 1914-15, de offensieve doorbraaktechnieken tussen 1915-1917, de Duitse verdedigingstechnieken in dezelfde periode, de confrontatie van beide in Passchendaele 1917, de tacti­sche doorbraak van de Duitsers in het voorjaar 1918, het geallieerde eindoffensief en de herinneringen aan de oorlog. Uniek beeldmateriaal en een uitgebreide reeks historische collectiestukken en verschil­lende minutieus gereconstrueerde taferelen grijpen de toeschouwer naar de keel.

 

In het tweede deel van het museum wandelt de bezoeker doorheen een bangelijke loopgraaf en daalt hij via een akelig steile houten trap naar de ingewanden van het museum: een zes meter diepe authentiek gereconstrueerde dugout.

 

Op een beklemmende manier zie je hier hoe het leven onder de grond georganiseerd was met hoofdkwartieren, slaapplaatsen, ateliers, pompkamer, communicatie- en verbandposten .

 

 

Een gekwetst landschap in de buurt van het museum

 

Het museum is ideaal gelegen om in de onmiddellijke omgeving nog enkele indrukwekkende sites te bezoeken. Zo is er in de eerste plaats het Tyne Cot Cemetery, met twaalfduizend graven de grootste militaire begraafplaats van de Commonwealth in Europa. Op  de achtermuren van de begraafplaats staan de namen van 35.000 militairen die  hier vermist zijn na het begin van de Derde Slag bij leper.

 

Ook spectaculair en helemaal nieuw is de gerestaureerde Duitse oorlogssite Bayernwald. Met de oorlogsvoering via de tunnels vreesden de Duitsers voortdurend onder­graven te worden. Ze groeven daarom zelf luistertunnels in een V-vorm om te horen of de vijand ergens aan het graven was. De site bevat driehonderdtwintig meter loopgraven, zeer waarheidsgetrouw gerestaureerd (wat niet van alle oorlogssites kan gezegd worden), vier bunkers in betonstenen en zelfs een 30 m diepe mijnschacht. In Zandvoorde bevindt zich een indrukwekkende commandobunker uit 1916, bestaande uit zes kamers. Het complex is alle dagen vrij toegankelijk.

 

Enkele jaren geleden ontdekte men in Geluveld vlak bij Clapham Junction een Duitse verbandpost. Het ondergrondse complex staat bekend als Cryer Farm, naar de Britse Luitenant die in 1917 sneuvelde bij de verovering ervan. Dit uniek stukje erfgoed ligt op privé-terrein en is enkel toegankelijk op aanvraag. Voor oprukkende legers was de scheiding tussen privé- of openbaar bezit onbestaande.

 

 

Oorlog en Vrede in de Westhoek

 

Het Memorial Museum Passchendaele 1917 kadert in het Provinciaal project 'Oorlog en Vrede in de Westhoek'. De oorlogsgeschie­denis en het enorme aanbod van oorlogserf­goed overtuigde het provinciebestuur van West-Vlaanderen dat het cruciaal is om vele belangrijke sporen, zichtbare en onzichtbare, van de wereldoorlog in de Westhoek te bewaren en te duiden voor de toekomst. Samen met geld van o.a. Toerisme Vlaanderen en de Europese Gemeenschap resulteerde dit in de restauratie en ontslui­ting van een heleboel sites zoals Kanaaldijk­site John Mc Crae, de Mijnkrater Sint-Elooi, de Yorkshire Trench & Dugout, de vernieuwing van het Talbot House, het museum in Zonnebeke... Een  samenwerkingsverband tussen de Provincie West-Vlaanderen en de Afdeling Monumenten en Landschappen maakt een inventaris van relicten uit de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek: boven­ en ondergrondse schuilplaatsen, observatieposten, bunkers, gaarkeukens, spoor­lijnen, slagvelden, loopgraven, mijntrech­ters, oorlogsbegraafplaatsen en  gedenkte­kens.  Met deze inventaris in de hand kan de overheid dan haar beleid makkelijker uitstippelen.

 

Een andere recent uitgebreid museum is het Talbot House in Poperinge. Het is de enige bewaarde Britse soldatenclub van de Eerste Wereldoorlog. Tijdens die oorlog maakte Poperinge deel uit van het kleine stukje onbezet België en rond 1916-17 verbleven er niet minder dan 250.000 Britse soldaten in en om Poperinge. Midden in die stad ontstond in een prachtige achttiende ­ eeuwse hophandelaarswoning een 'Every Man's Club', een alternatief ontspanningsoord waar alle soldaten, zonder onderscheid van rang, welkom waren.

 

Het authentieke interieur bleef grotendeels bewaard tot op vandaag. Bij het huis hoorde ook het aanpalende hoppemagazijn dat men gebruikte als 'Concert Hall' maar waar eigenlijk de meest uiteenlopende activiteiten gebeurden voor de soldaten zoals lezingen, filmprojecties , schaaktornooien, cabaret en concerten. Het museum kon in 1996 het magazijn kopen dat in 1998 als monument werd beschermd. Onlangs werd de volledige restauratie beëindigd.  Het  hoppemagazijn is net als in 1917 ingericht om er podiumacti­viteiten op te voeren. De bezoeker krijgt er een projectie van een Concert Party te zien gebracht door het gezelschap 'The Happy Hoppers': sentimentele en vrolijke liedjes, verhalen, grappen en dansjes lopen alle­maal dooreen en vormen een wervelende show die de sfeer van 1917 heel dicht benadert.

 

 Peter Wouters

 


Salons voor Schone Kunsten, Sint-Niklaas

  

Kunstzinnig mensen met goede smaak, een band met Sint-Niklaas en ook wel met flink wat geld, maakten het mogelijk dat de Wase stad vandaag kan uitpakken met haar Salons voor Schone Kunsten.

 

 

Stijlvolle grandeur

 

De grootste Grote Markt van ons land onder­gaat een metamorfose. Graafmachines zijn aan het werk, vrachtwagens rijden af en aan. Vijfhonderd meter daarvandaan, in de Stationsstraat 85, kan je in alle rust de Salons voor Schone Kunsten bezoeken.

 

In 1928 liet textielfabrikant Edmond Meert zijn herenhuis bouwen naar de plannen van de Antwerpse architect P. Stordiau. Tijdens de Tweede Wereldoorlog week de familie Meert uit naar Hof ter Saksen in Beveren, hun tweede verblijf, omdat de Duitsers het huis in de Stationsstraat hadden opgeëist als hoofdkwartier van de Kreiskommandatur. Na de bevrijding keerde de familie terug, tot de dood van Edmond Meert in 1961. Tussen 1962 en 1984 kreeg het pand de naam Salons Carlton, een feest- en receptieruimte ingericht door een privé-uitbater. In 1985 kocht de stad het huis aan met de bedoeling het gebouw van vijf traveeën en drie bouwlagen met zadeldak te beschermen en er een selectie van het stedelijk kunstpatrimonium in onder te brengen.  De huidige benaming Salons voor Schone Kunsten dateert uit 1988, toen het stadsbestuur het huis openstelde voor het publiek als afdeling van de stedelijke musea.

 

In de drukke winkelstraat springt het statische herenhuis in het oog.  De stijl doet eclectisch aan, met een voorkeur voor monumentaliteit.  Achter de immense deur heerst stilte en rust.  Er is veel ruimte en licht.  Dat valt vooral op onder de grote koepels boven de immense trap en het centrale salon.  Zorgvuldige renovatie respecteerde de oorspronkelijke materialen en kleuren. Stijlvolle grandeur straalt af van de enorme kristallen lusters en marmeren schouwen.  De parketvloet kraakt zoals het hoort.

 

 

Meesters aan de muren

 

In het eerste salon bevindt zich de kern van de stedelijke collectie.  In 1859 schonk Louis Verstraeten tachtig schilderijen aan zijn geboortestad Sint-Niklaas, met de wens het legaat te laten uitgroeien tot een heus Museum voor Schone Kunsten.  De doeken dateren uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw.  Het oudste werk, uit het begin van de zestiende eeuw, is een van de vier zelfportretten van de Luikse renaissanceschilder Lambert Lombard.  De andere drie bevinden zich in Luik, Kassel en Düsseldorf. 

 

Een bijzonder interessant doek is Bergachtig Landschap van  Joos II De Momper (1564 -1635), de bekendste van een familie landschapschilders die in de zestiende en zeventiende eeuw werkzaam was.  Bergachtig Landschap is een compositie met drie niveaus: op het achterplan een blauwe berg die in de ijle lucht overloopt, het tweede niveau is een bebost heuveltje met enkele huizen rond een toren, en vooraan enkele reizigers, bedevaarders en hande­laars.  Dit deel van het schilderij is zacht en uitnodigend met de lichtblauwe en goudgele kleuren en met de okertinten. Dreiging gaat dan weer uit van het kasteel op een hoge rots, links op het doek, hoog boven een donkergroene en met bruine penseeltrekken doorstreepte rivier.

 

De Mompers berglandschappen sluiten aan bij de Vlaamse traditie van het kosmische landschap dat alle bekende aspecten van de wereld als een soort synthese omvat. Over Joos II De Momper schreef Klaus Ertz een grondige monografie. Hij dateert Bergachtig Landschap tussen 1595 en 1600. Ertz suggereert dat het Sint-Niklase paneel een collaboratiestuk is met Sebastiaan Vranckx: De Momper schilderde het landschap, de figuren zijn van Vranckx. Ook de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België bezitten een werk van Joos II De Momper (Bergenlandschap) en zij vermelden even­eens dat de figuren van een andere hand zijn.

 

Nog een blikvanger in het eerste salon is een stilleven van Willem-Claesz Heda (ca. 1593-ca. 1682), deken van de Haarlemse Sint­ Lucasgilde. Zoals in nagenoeg alle werken van Heda, draagt ook dit schilderij een morele boodschap.

 

Elk object van dit stilleven heeft een betekenis en verwijst naar het Vanitas-thema: de oester als symbool van sensualiteit en wellust, de citroen die aan geeft dat het je zuur kan opbreken, een kristallen karaf die onderstreept dat alles vergankelijk  is... Typisch zijn de grijs-zilveren 'maankleuren' en de naakte muur achter de gedekte tafeL De stillevens van Willem-Claesz Heda vielen in de smaak, ook van Pieter Paul Rubens die twee werken van hem bezat.

 

Rubens zelf staat als schilder vermeld op het plaatje bij De vlucht van keizer Nero, maar het onderzoek dat het auteurschap van de grootmeester definitief bevestigt of ontkent is nog niet afgesloten. Een onkundige restauratie van het paneel ligt mee aan de oorzaak van het dispuut.  In alle geval bezit de Nero van Sint-Niklaas onmiskenbare kwaliteiten om de schilder ervan in de onmiddellijke omgeving van Rubens te zoeken.

 

 

Bij de Belgische school

 

Het groot salon bevat een belangrijk deel van de Schenking Mathys-Vanneste. In 1958, na de dood van zijn vrouw Marthe, schonk de Gentse apotheker Jules Mathys haar kunstcollectie aan de stad Sint-Niklaas. Het gaat om 65 schilderijen, 35 stijlmeu­belen en 115 objecten van toegepaste kunst. In de werken die het museum tentoonstelt zijn alle toonaangevende stromigen uit de tweede helft van de negentiende eeuw met Belgische meesters terug te vinden. Omstreeks 1850 breekt bij ons het realisme door. Ze manifesteert zich het eerst bij land­schapschilders die  'en plein air' gaan werken. Hippolyte Boulenger (Doornik 1837- Brussel 1874) is de belangrijkste vertegen­woordiger van het pleinairisme in België. In Het Museumboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen schrijft Herwig Todts:  "In tegenstelling tot de klassieke landschapschilders geloofden pleinairisten zoals Boulenger niet dat je een objectief en universeel beeld van de natuur en de wereld kan voorstellen. In tegendeel, zij vonden dat de poging om  rationeel, objectief en universeel te zijn alleen maar leidde tot een geïdealiseerde, conventionele en onwaarachtige schilderkunst.  Om waar­achtig te zijn moest de kunstenaar dus in de vrije natuur op zoek gaan naar het particu­liere en  moest hij, in onmiddellijke confron­tatie met het motief, trachten een onconven­tionele, persoonlijke kijk te geven." De Salons voor Schone Kunsten tonen die 'persoonlijke kijk' van Boulenger in Reiger op de sneeuw (1871) en Gezicht op Dinant (1870).

 

De natuurgetrouwe weergave van het dagelijkse leven bereikt in het oeuvre van de Antwerpse schilder Henri De Braekeleer (1840 - 1888) een hoogtepunt  Zijn intieme interieurs en pittoreske stadsgezichten zijn beladen met een sfeer van stilte en eenzaamheid.  Zijn schildertechniek evolueerde van een gedetailleerde afwerking naar een levendige schetsmatigheid.  Illustraties daarvan zijn in het grote salon te ontdekken in De stal en De molen van Kiel.

 

Een typisch vertegenwoordiger van de 'grijze school', op de overgang naar het impressio­nisme, is Louis Artan (Den Haag 1837 - Oostduinkerke 1890) die tijdens zijn laatste levensjaren aan de Vlaamse kust werkte. Uit die periode toont het museum drie doeken. Eveneens goed vertegenwoordigd is Joseph Stevens  (Brussel 1816-1892) die  een groot talent had en op een bijzondere manier het gedrag van honden aanvoelde.  Hij hanteerde daarbij een uitgesproken realistische stijl.

 

Verder biedt het grote salon werken van onder meer Félicien Rops (1833 - 1898) en Perides Pantazis (1849 - 1884).

 

Stuk voor stuk zijn het schilders die ook in onze grote musea voor schone kunsten te bewonderen zijn. De Salons van Sint-Niklaas hebben het voordeel dat ze de werken in een huiselijke omgeving presenteren, al mis je de toetsing, zoals in de Koninklijke Musea te Brussel, van bijvoorbeeld Boulenger en Artan aan schilderijen van Camille Corot en Gustave Courbet.

 

 

Henri Evenepoel

 

Na het geslaagde overzicht van de Belgische schilderkunst in de tweede helft van de negentiende eeuw volgt een derde salon met werken van de kunstenaar die alle modernistische stromingen van het einde van die eeuw gesynthetiseerd heeft: Henri Evenepoel (Nice 1872 - Parijs 1899). Na de musea van Brussel (15 werken) en Antwerpen (12 werken) bezit Sint-Niklaas een van de mooiste Evenepoelverzame­lingen. De schilderijen zijn een deel van de Schenking Mathys-Vanneste.

 

In Parijs volgde Evenepoel les bij Gustave Moreau en had er Matisse als medeleerling. Hij verwerkte invloeden van Manet, Degas en Toulouse-Lautrec. Evenepoel is een van de zeldzame negentiende-eeuwse schilders die in zijn werk al gebruik maakte van foto's.

 

Zijn taferelen uit het dagelijkse leven en zijn Parijse stadsgezichten zijn bijzonder origineel. Maar Evenepoel is ook een meester van de portretschilderkunst. De Salons voor Schone Kunsten herbergen enkele van deze pareltjes. Charles speelt tafeltje of La dinette (1897) is een ontroe­rend portret van Evenepoels zoontje: het detail van het open laarsje, de concentratie van het kind, de ivoorwitte en rose kleding tegenover de sombere achtergrond.  Even aangrijend zijn De kleuterop het balkon (1896) en  De kinderen te Wépion (1898). Vitrines in het midden van dit salon presenteren een selectie van de tientallen tekeningen van Henri Evenepoel uit de collectie van het museum.

 

 

Sociaal-realisme en nog veel meer

 

Een vierde salon laat kennismaken met werk van Guillaume Vogels (Brussel 1836 - Elsene 1896), schilder van stillevens, landschappen en marines. Een opmerkelijk doek in dit gezelschap is Schilder G. Vogels in zijn atelier (1883), een portret door James Ensor.

 

In de traphal hangt onder meer Het gebed der ootmoedigen (1895) van Eugène Laermans (Sint-Jans-Molenbeek 1864 - Brussel 1940). In een typische stijl, die moeilijk onder te brengen is in een of andere strekking, schilderde hij de miserie van uitgebuite fabrieksarbeiders, de boer, de blinde, de zwerver. De paria (1900) is een ander werk van Laermans uit de Sint-Niklase verzameling.

 

En dan is er nog de eerste verdieping van de Salons voor Schone Kunsten. Hier toont het museum een keuze uit het werk van hoofdzakelijk Wase kunstenaars. Schilderijen, gouaches en aquarellen van Ernest Albert (Berchem 1900 - Antwerpen 1976) zijn verzameld in twee kamers.  In 1981 schonk de weduwe van de kunstenaar 58 werken van haar overleden echtgenoot aan de stad Sint-Niklaas.

 

Over heel het museum verspreid zorgen de stijlmeubelen, het porselein, de zilveren en andere siervoorwerpen uit de Schenking Mathys-Vanneste voor een huiselijke sfeer.

 

Mark Vanvaeck

 


ATELIER  David Huycke: elegantie, eenvoud en ambachtelijke perfectie 

 

 

Zelf aan de slag

 

David Huycke (°Sint-Niklaas, 1967) studeerde in 1989 af aan Sint-Lucas te Antwerpen.  Hij volgde er de opleiding juweelontwerp bij de gerenommeerde leraren Siegfried De Buck en Hendrik Buyl. In zijn laatste jaar Sint-Lucas maakte hij bij een Nederlandse gastdocent kennis met het zilversmeden. "Die man kwam drie jaar te laat," zegt Huycke. "Wat een contrast. In plaats van aan minuscule koperen sieraden te prutsen, kon ik enthousiast aan de slag met grote objecten, met hamer en aambeeld. Dat ene jaartje was er alleen tijd voor de basistechnieken, maar ik ben er ontzettend dankbaar voor."

 

Na zijn legerdienst ging David Huycke onmiddellijk aan de slag als zelfstandige met een eigen atelier. Hij had toen nog niet de zorg voor een gezinsinkomen en startte met het ontwerpen van sieraden en juwelen, eerst voor familieleden, later voor vrienden die dan weer nieuwe klanten aanbrachten. Met de opdrachten kon Huycke geleidelijk aan zijn atelier uitbouwen. Een zilversmid heeft veel materiaal en machines, en dus een ruime werkplek, nodig. "Maar ik was koppig genoeg om vanaf het begin eigen zilverwerk te maken," voegt hij er direct aan toe. "Ik wilde vooral veel leren, want ik beheerste enkel de basistechnieken."  Niet gehinderd door enige aarzeling stuurt hij zijn eerste creaties in voor wedstrijden en tentoonstellingen in binnen- en buitenland. De positieve reacties sterkten hem om de opdrachten af te bouwen en ze kritischer te selecteren. David Huycke deed meer en meer 'zijn ding'.

 

En dan kwam Antwerpen 93 Culturele Hoofdstad van Europa. Het VIZO organi­seerde Een schitterend feest, met workshops, een wedstrijd en een succesvolle tentoonstelling met ook werk van David Huycke. Het project maakte zilverwerk bijzonder populair en bracht internationale kunstenaars naar ons land.  Een jaar later won Huycke zowel de VIZO-Prijs Henry van de Velde voor Jong Talent als de Prijs van het Publiek. Toen zei  hij: "Een constante in mijn werk is de zoektocht naar een natuurlijke elegantie, een ambachtelijke perfectie en een doorgedreven eenvoud. Structuren en ritmes bepalen grotendeels de vorm van mijn sieraden en zilverwerk en zijn onlos­makelijk verbonden met mijn logische en mathematische manier van opbouwen."

 

Die twee zinnen omvatten tien jaar later nog steeds het oeuvre van David Huycke.

 

 

De techniek als enige decoratie

 

In zijn beginnende zoektocht speelde de stage die hij in 1993 liep bij de Italiaanse ontwerper Babetto een grote rol.  Daar ontdekte Huycke grote zilveren creaties die toch licht zijn en hij ging zelf experimen­teren met dunne platen. Daarbij liet de kunstenaar het oppervlak ('de huid', zegt Huycke) van zijn werken spreken. Zonder polijsten of schuren dragen ze de sporen van de techniek waarmee ze ontstonden: "Ik toonde de hamerslag. Het is de enige decoratie die ik toeliet." Een stel van die vederlichte in elkaar passende schalen uit de 'eerste jaren' van David Huycke bood Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen destijds aan de abonnees aan.

 

In 1996 doet Huycke mee aan een wedstrijd granulatietechniek in Duitsland. "Het is een eeuwenoude versieringstechniek," verdui­delijkt hij. "De Etrusken hebben er de prach­tigste dingen mee gemaakt. Vertrekkend van 'waar ik mee bezig was' heb ik halfronde bollen ingestuurd, de Pearl Sphere."

 

Hij toont een bokaal met ontelbare stukjes zilver, allemaal even klein, ongeveer drie bij drie millimeter. Een andere bokaal is gevuld met zilveren balletjes. Tussen beide ligt een verblijf in een oven van duizend graden, op een zachte ondergrond van houtskool­poeder waardoor de plaatjes kunnen smelten tot perfecte bolletjes. Die worden dan aan de oppervlakte verkoperd, wat het smeltpunt verlaagt, zodat ze makkelijker samen te 'lassen' zijn.  Eenmaal het kunst­werk klaar, kan een bad in zwavelzuur de zilverwitte glans tevoorschijn toveren. Meer dan tienduizend bolletjes zitten in één Pearl Sphere. Wat een monnikkenwerk.

 

Ook de vazen met de naam Bolinder, dragen helemaal de stempel van David Huycke. Voor Bolinder, een samensmelting van de functie 'bowl' en de eenvoudige vorm 'cilinder', gebruikt hij de eeuwenoude verloren-was­ techniek.  De fijne sporen ervan zijn op de levendige huid zichtbaar. De krachtige sculpturale belijning maakt van deze vazen autonome kunstwerken. Ze lijken niet enkel massief maar zijn ook zwaar: in elk van de vazen is zeven kilogram zilver verwerkt.

 

De recente tentoonstelling Iconen van design in Vlaanderen, een initiatief van het Vlaams Parlement, toonde Bolinder3 uit 2000. Een gepolijste versie stond er in contrast naast een 'zwart' exemplaar, zoals de kunstenaar het uit de mal  heeft gekapt.

 

 

Alles hangt samen

 

Zilver laat zich schitterend polijsten en donker patineren.  Met die wetenschap creëerde David Huycke in 1995 Empty Black Space. Het zijn twee kommen: de grootste krijgt een gepolijste buitenkant, de kleinste een gepolijste binnenkant. In elkaar geplaatst geeft dit een zeer donkere ruimte tussen de zilverwitte binnen- en buitenkant. Vanuit dit basisgegeven ontstonden varia­ties op de zwart-wit spanning:  een combi­natie van zeven kommen, een kom in een cilinder...

 

"Het  is heel fijn te ontdekken wat uit één idee allemaal kan ontstaan," zegt Huycke. Maar hij benadrukt dat die evolutie traag verloopt. "Ideeën rijpen jaren. Allicht komt dat om dat ik met heel eenvoudige vormen werk. Dan is het moeilijk om elke week iets nieuws te bedenken. Bovendien is mijn oeuvre één samenhangende schakel. Wat ik nu ontwerp heeft te maken met alles wat ik al heb gemaakt."

 

Ter illustratie zet de kunstenaar zijn recentste werk, Square Flower op tafel.

 

Dit nieuwe werk ontstond enkele maanden geleden in de Verenigde Staten. Het verhaal erbij vertrekt van de granulatietechniek waarmee David Huycke halfweg de jaren 90 begon te experimenteren. "Voortbouwend op de granulatie heb ik de samengesmolten bolletjes geplet tot ovaaltjes. Het vlak loopt dan bijna helemaal vol.  Dat heeft me op weg gezet om meer constructief te werken. Ik ben beginnen tekenen en er zijn vierkanten in mijn werk gekomen." Een voorbeeld daarvan is Empty Square uit 2002: een volledig glanzende cilinder met daarin een vierkant bakje dat aan de binnenzijde donker gepatineerd is. Het contrast tussen wit en zwart is doorgetrokken en aangevuld met het contrast tussen twee geometrische figuren. Samen vormen ze een ontmoeting tussen materie en niet-materie. De nieuwste Square Flower is in profiel bijna een ronde bloem met vier grote lobben.  Het bovenzicht toont inderdaad een 'leeg vierkant'.

 

Zoals zijn zilver sereniteit uitstraalt, zo komt David  Huycke rustig en kalm over.  Toch kan hij soms kwaad worden. Omdat de glans niet juist zit, bijvoorbeeld. Zoeken naar de ambachtelijke perfectie is een constante in zijn werk. Welke techniek David Huycke ook hanteert, hij doet het allemaal met eigen handen.  Het creatieproces zelf is zijn inspiratiebron.

 

Mark Vanvaeck

 


RUBENS

In de voetsporen van de grote Rubens-tentoonstellingen mag de grafiek en meer bepaald de reproductiegrafiek niet ontbreken.

 

Copyright Rubens in zwart en wit  

 

 

Stijl vertalen

 

Antwerpen plaatst het hele productieproces van houtsneden en burijngravures naar Rubens ontwerpen in het tegenlicht van zijn magistrale, vaak monumentale kleurrijke composities op linnen: schilderkunst versus grafiek en/of omgekeerd. Copyright Rubens in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten behandelt Rubens en de grafiek in zijn eigen tijd en Rubens in zwart en wit in het Rockoxhuis legt het accent op de grafiek­productie naar zijn werk na zijn dood (1650 - 1800).  Laat één zaak duidelijk zijn:  Rubens was geen graveur. Hij beschikte echter over voldoende plastisch talent om een uitge­sproken vernieuwende visie te hebben op de mogelijkheden van de grafiek.

 

Tijdens zijn verblijf in Italië had hij veel gete­kend en geschetst naar antieke beelden, zoals de Laocoöngroep, en de renaissance­ meesters (Michelangelo, lgnudo, Leonardo da Vinci). Voor deze figuurstudies gebruikte Rubens bij voorkeur rood en zwart krijt.  Door zijn zwierige lijn verkregen de figuren een stromende beweeglijkheid en de adem van de ziel.  Net zoals de door hem zo bewonderde Rafaël en Titiaan dacht hij eraan om de talrijke olieverfschetsen en tekeningen via reproductiegrafiek te verspreiden.

 

Daarom zocht hij, eens terug in Antwerpen, actief naar graveurs die de uitdaging aangingen om zijn virtuoze stijl te vertalen naar het lineaire medium.  Rubens keek erop toe dat elke licht- en kleurschakering omgezet werd in vloeiende arceringen die hun eerdere beperkingen overstegen. Maar dit was niet zijn enige bijdrage.  De kunste­naar zette veelal zelf de subtiele vegen olie­verf van een schets om in een modelontwerp dat als basis diende voor de graveur van dienst.

 

 

Kritische blik van de meester

 

De tentoonstelling in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten legt het accent duide­lijk op de grafici die onder toezicht en in opdracht van Rubens werkten. Dadelijk na zijn terugkeer uit Italië liet hij zijn teke­ningen naar antieke sculpturen in de koper­plaat steken door Cornelis Galle als illustra­ties voor Electorum Libri II, het boek van zijn broer  Philip Rubens.  In zijn commentaren De imitatione antiquarum statuarum laat  hij zich laatdunkend uit over diens graveer­kunst: "In plaats van levendige lichamen heeft hij beschilderde marmer voorgesteld ... " Daarom heeft hij de graveur Lucas Vorsterman en de kunstenaars rond Goltzius aangesproken die als meesters van het maniërisme opteerden voor een dynamische dan eens een aanzwellende lijn, dan weer een dun uitlopende lijn en die duidelijk kozen voor het ruimtelijk effect en de licht­-donker contrasten. Deze meestal in Haarlem verblijvende tekenaars-graveurs werden door Rubens' kritische kijk tot een hoger niveau gebracht: burijngravures van Jan Müller, Willem van Swanenburg, Pieter Soutman en vooral de prachtige beweeglijke landschappen van de broers Boëtius en Adam Bolswert werden door Rubens zeer bewonderd.

 

Maar de ware impact van de Rubensgrafiek werd in soepele lijnen in hout gesneden door Christoffel Jegher. Deze 'houte prints­nyder' werd in de Antwerpse Sint-Lucasgilde opgenomen in 1628 en sneed voornamelijk boekillustraties voor de Antwerpse drukker en uitgever Plantijn Moretus. Door de nauwe samenwerking met Rubens, die bij elke proefdruk corrigeerde en zonodig het model retoucheerde, krijgen we negen foliobladen van onovertroffen kwaliteit te zien. Vooral de chiaroscuro houtsnede De rust op de vlucht naar Egypte illustreert de visie van Rubens op het landschap als een studie van beweeglijk licht en stuwende perspectieven. Twee verschillende houten blokken werden door Jegher gesneden: een eerste voor de zwarte contourlijn en een tweede voor de licht-donker effecten die in okerkleurige grondtonen op het papier werd aangedrukt.

 

Het resultaat is verbluffend: een momentop­name van bezielende rust in atmosferische tonen.

 

Dergelijke reproductiegrafiek werd verspreid over heel West-Europa en verbreidde de naam en faam van Rubens. In Spanje, Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden verwierf Rubens privilegies die zijn werk moesten beschermen tegen ongewenste, niet door Rubens toegestane drukken. Op 71 prenten werd zodoende zijn auteursrecht beschermd.

 

 

Blijvend in beeld

 

De populariteit van de schilderkunst van Rubens blijft tot lang na zijn dood nawerken. Het inspireert niet alleen  schilders, maar vooral graveurs die zich niet alleen tot Antwerpen beperken. Rubens in zwart en wit toont in het Rockoxhuis de indrukwek­kendste exemplaren die het vakmanschap etaleren van de graveurs actief tussen 1650 en 1800.  In de zeventiende eeuw waren het vooral Vlamingen en Noord-Nederlanders die de grafiek verspreidden, maar in de acht­tiende eeuw zullen vooraanstaande Franse en Engelse kunstenaars naar Rubens graveren.

 

Als onderwerpen zijn vooral Rubens' bekendste schilderijen, zoals De kruisafne­ming uit Antwerpse kathedraal en portretten, in trek. Hoewel vaak dezelfde werken gereproduceerd werden verraden deze prenten vaak een persoonlijke toets of een tijdsgebonden, zelfs modieuze invloed. Barok, rococo, classicisme en romantiek zitten dan ook vaak in de lijnen gevat. Met die veranderende stijlen mee, wordt de Rubens grafiek ook aan gewend om met de graveertechniek zelf te experimenteren. Na de kopergravure, de ets en de houtsnede wordt eerder gekozen voor de nieuwe tech­nieken  zoals mezzotint, aquatint en stippel-gravure die alle verfijnde nuances van de penseeltrek beter tot hun recht laten  komen. Met ongeveer drieduizend prenten naar zijn geschilderd werk is Rubens wellicht met Rembrandt de enige kunstenaar van wie het werk zo talrijk in grafiek is weergegeven.

 

Karel Marcelis

 


RUBENS            

 

De tentoonstelling De uitvinding van het landschap belicht het ontstaan en de ontwikkeling van de Zuid-Nederlandse landschapsschilderkunst van ongeveer 1520 tot 1650, van Patinir tot Rubens.

 

De uitvinding van het landschap  

 

 

Een wereld in het klein

 

Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen brengt een uitgelezen keuze van zeventig schilderijen en dertig tekeningen en prenten die ons een kijk bieden op zowel bucolische als allegorische landschappen. De tentoonstelling opent met panoramische landschappen van Joachim Patinir en Henri met de Bles. Kenmerkend voor deze wereldlandschappen is hun gezichtspunt. Ze leiden de blik langs een stroom of langs bergen naar de ijle licht-blauwe horizon.  Meer nog dan vensters op de wereld worden ze, met hun atmosferi­sche kleuren en pulserend licht, spiegels waarin de nietigheid van de menselijke figuur - reiziger of pelgrim - verzinkt in de weidse panorama's. Het landschap is een wereld in het klein met een rijke variatie aan wouden, stromen en vaak utopische, fantas­tische rotsformaties. Bij Paulus Bril is het landschap en het zeezicht vaak angstaanja­gend:  in de topografie van de ziel heerst onrust en de mens is een speelbal van de natuurkrachten. Storm met het offer van Jonas is er een voorbeeld van.

 

 

Pronken

 

In de tweede helft van de zestiende eeuw reizen schilders naar Italië en op hun door­tocht naar Rome maken ze veel  schetsen en tekeningen. Zo duiken geziene land­schappen of fragmenten ervan later op in hun schilderijen, vaak gecombineerd met uitzonderlijke natuurelementen.

 

Naast deze samengestelde voorbeelden (Frederik van Valckenborch, Berglandschap met tekenaar) zijn ook de beschrijvende landschappen in opmars. Kunstenaars leggen veld- of zeeslagen vast ter ere en glorie van bevelhebbers, steden tonen hun welstand met stadsgezichten en abdijen brengen hun bezit in kaart, zoals Plan van  de duinenabdij te Koksijde, geschilderd door Pieter Pourbus.  (Het schilderij is gepubliceerd in de OKV-aflevering 2003/4 Abdijmuseum Ten Duinen 1138.)  De rijke burgerij en de aristocratie laten  hun welstand blijken door het aanleggen van een landgoed  met bijhorende lusthoven en tuinen en laten die ook schilderen, onder meer Mariemont, het jachtdomein van de Aartshertogen Albrecht en lsabella, geschil­derd in een haast luministisch kleurenpalet door Denijs van Alsloot.

 

Naast deze beschrijvende landschappen ontstond er voor dezelfde heersende klasse ook een verzamelmarkt voor kleine intimisti sche paradijslandschapjes, waar de lotge­vallen van Noë of Adam en Eva, maar even­ zeer godenbanketten of een lierspelende Orfeus ons een blik gunnen op betoverende landschapjes. In deze idyllische tuinen heerst een pastorale vrede tussen goden, dieren en mensen.

 

Niet verwonderlijk dat de klassieke pastorale literatuur (Vergilius, Bucolica) een heropleving kent en vertolkt wordt door schilders zoals Jan II Breughel en Jan Wildens.

 

 

Rubens: niet te overtreffen

 

In het oeuvre van Peter Paul Rubens vindt men in verhouding tot de historiestukken, allegorieën en portretten maar een beperkt aantal landschappen. Enkele voerde hij in opdracht uit, maar de mooiste met een haast mysterieuze vervoering geschilderde landschappen maakte hij in zijn laatste levensjaren in de omgeving van zijn land­goed te Elewijt: het Brabantse land. De kracht die deze landschappen uitstralen is niet te vatten in kunsthistorische begrippen.  Lyrisch en atmosferisch in kleurbehande­ling, beweeglijk en dynamisch in de compo­sitie, ingenieus en wisselend wat het gezichtspunt betreft: geen toeschouwer die onbewogen aankijkt tegenover zulke werken, want hier wordt natuurbeschouwing kosmologie én levenservaring. Hier triom­feren de verborgen werkzame krachten van de natuur en wordt de ziel gelouterd.

 

Andere landschappen van deze Vlaamse meester zijn vaak gebaseerd op het Venetiaanse landschap (Giorgione, Titiaan, Bassano) en de klassieke literatuur (Vergilius en Ovidius). Voor dergelijke monu­mentale landschappen deed Rubens vaak een beroep  op gespecialiseerde schilders zoals Hendrik van Balen, Lucas van Uden of Jan Wildens. Samen met Adriaan  Brouwer zijn zij de belangrijkste navolgers die in hun zelfstandige landschappen motieven van Rubens overnemen of op zijn minst - want wie kan deze Antwerpse meester overtreffen - een zelfde atmosferische weergave na­streven.

 

Deze tentoonstelling heeft niet de bedoeling een encyclopedisch overzicht te bieden, maar wel een kwalitatief overzicht van de Vlaamse landschapsschilders.  Nico Van Hout en Dr. Paul Vandenbroeck (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen) wijzigden hiertoe het oorspronkelijk concept van Dr. Klaus Ertz (curator van deze tentoon­stelling te Essen), waarin de klemtoon meer op het landschap omstreeks 1600 lag. De Antwerpse tentoonstelling focust meer op uitzonderlijk talentvolle kunstenaars als Cornelis Van Dalem, Adriaan Brouwer en Jan Siberechts en natuurlijk op Rubens en zijn navolgers.

 

Karel Marcelis

 


IN BEELD: Voel !   

 

"Voel" is een grote multi-media-tentoonstelling in het kunstencentrum Z33 in Hasselt.

 

 

Oude en nieuwe media

 

Dit voorjaar promoveerde een doctorandus tot doctor in de filosofie aan de Vrije Universiteit Brussel met een stapel cdroms vol beelden. Zijn stelling ging juist over het filosoferen met beelden en over de eigen­heid van een beeldtaal en hij legde dus geen geschreven doctoraat meer neer.  Het voor­val lokte nogal wat reacties uit in de acade­mische wereld en illustreert de opmars van de multi-media en het beeld in onze samen­leving.  Het Limburgs Provinciaal Kunsten­centrum  Z33 wijdt deze zomer een interessante tentoonstelling aan tactiele media­kunst.  Het is een boeiende interactieve expositie die de leek in één geut introdu­ceert in zowel de geschiedenis van de multi­-mediakunst als in recente ontwikkelingen. De titel FEEL benadrukt dat de tentoonstel­lingsmakers het publiek niet willen overdon­deren met lange  en ingewikkelde theorieën dat bij dat soort tentoonstellingen wel meer voorkomt. Ze willen vertrekken vanuit de onmiddellijke tactiele ervaring. Dus niet eerst het tekstje lezen en dan voelen, neen, eerst voelen en kijken en dan misschien het tekstje lezen.

 

Het eerste deel van de tentoonstelling, FEEL THE OLD, geeft een historisch overzicht van de nieuwe media.  De twee curatoren, Edwin Caerels en Pieter Van Bogaert, maken geen opsomming maar bieden een visuele samenvatting van de mijlpalen.  Pieter Van Bogaert stelde een indrukwekkende selectie samen in een tactiele videotheek. De bezoeker wordt uitgenodigd om bij één van de zes televisies en videospelers een thema­tische selectie van VHS-cassettes te bekijken. Je kan als bezoeker zelf een cassette kiezen. Elk thema benadert op een andere  manier de geschiedenis van de tactiele media. Studies in myself behandelt de zoektocht van het eigen lichaam. Met unieke filmdocumenten, soms meer dan veertig jaar oud, van onder meer Nam Juin Paik illustreert de tentoonstelling het prille begin van de mediakunst.  Je ziet de warrige beelden uit 1965 toen Paik met zijn eerste camera, een Sony Portapak zijn eigen handen filmt bij de knopen  van zijn jas.  Het eerste thema eindigt in de jaren negentig bij Michael O'Reilly die bij een fietsongeluk zijn kaakbeen brak en in datzelfde jaar nog eens overvallen werd met een hersenoperatie tot gevolg. Met een Pixelvison camera brengt hij dit aangrijpende verhaal tot leven. Andere thema's zijn Noisefields, Female Sensibility, Against Video, Home Movies enz.

 

Curator Edwin Carels brengt een Wunderkammer die de bezoeker confron­teert met allerlei intrigerende wetenschappelijke instrumenten. Cinematografische uitvindingen stonden eigenlijk altijd in het teken van de fysieke waarneming en getuigen van de ambitie om de bewegingen van het menselijke lichaam na te bootsen en vast te leggen. De kleine intieme tentoonstellingsruimte brengt papieren docu­menten, objecten en enkele demonstraties op kleine  beeldschermpjes. Een tweede gedachte die deze Wunderkammer illus­treert is de fysieke handeling die er dikwijls nodig was om dergelijke apparaten in gang te zetten. Het bedienen van een toverlan­taarn, het in beweging brengen van een phenakistiscoop, het aanzwengelen van een zoëtrope, het heen en weer spoelen van een filmfragment: geen kijken zonder handelen.

 

 

Trappen en afzien

 

FEEL THE NEW is het tweede deel van de tentoonstelling waarin we een overzicht krijgen van een reeks internationale media­kunstenaars. Het zijn allemaal vrij toeganke­lijke en zelfs amusante installaties. Lichtgeraakt bestaat uit fel oranje, pluizige objecten waar kinderen dol op zijn. Achter de verleidelijke pels zit een halve bol met een servomotor en een antenne.  Die laatste reageert op de nabijheid van handen, maakt dan een eigenaardig geluid en begint te draaien. De installatie is van Björn Schülke die studeerde aan de Keulse Kunsthochschule für Medien, een kweek­vijver voor  dergelijke kunstenaars want verschillende van zijn collega's tonen ook hun werken op de tentoonstelling. Een klas­sieker werd ondertussen het werk van Jeffrey Shaw The Legible City.  Hij is sinds de jaren zestig een sleutelfiguur in de nieuwe media.  Shaw realiseerde dit werk zo'n vijf­tien jaar geleden voor het Zentrum für Kunst und Medientechnologie (ZKM) in Karlsruhe. De toeschouwer neemt plaats op een fiets en regelt zelf de richting en de snelheid waarmee hij of zij doorheen een geprojec­teerd beeld  rijdt. Je kan kiezen uit drie leesbare steden: Manhatten  (New-York), Amsterdam of Karlsruhe. In elke stad zijn de huizen vervangen door letters die samen teksten vormen.  Naargelang het traject lees je een ander verhaal. In Manhatten kan je bijvoorbeeld kiezen uit fictieve verhalen van miljonair Donald Trump maar ook van een taxichauffeur.

 

De installatie Flugmaschine van Rosa Barba maakt ook gebruik van een fiets. De toeschouwer moet zelf trappen om de machine aan de praat te krijgen.  Het ritme van de beelden wordt bepaald door een stroboscoop en de fietser moet de juiste snelheid vinden om de beeldjes precies te doen passen op het automatische flitsende licht. De film toont de vlucht van een bij die volgens de kunstenaar door hun vorm en gewicht van hun lichaam niet echt gemaakt zijn om te zweven. Hun hele leven staat daarom in het teken van leren vliegen.

 

Altijd maar proberen, tot het eindelijk lukt. Dat is exact ook wat de toeschouwer moet doen.

 

De twee Finnen Tommi Grönlund en Petteri Nisunen pakken uit met een vrij spectaculaire installatie. De ruimte speelt altijd een grote rol in hun werk, net als het licht en het geluid. Voor de installatie Ultrasonic instal­leerden ze twee parabolische antennes in het museum. Het ultrasone geluid van die schotels verandert naargelang de plaats van de toeschouwer in de ruimte. Allerlei hoge en lage tonen prikkelen je gehoor op een soms angstaanjagende wijze. Soms nog pijnlijker is Pain Station van de Duitse kunstenaars Volker Morawe en Tilman Reiff. Hun in stallatie lijkt op één van de vroegste video-spelletjes uit de jaren tachtig. Maar hier is niet het spelletje 'Pong' belangrijk maar wel de mate waarin de spelers pijn kunnen verdragen. Bij elke foute bal geeft de plek waarop de spelers hun rechterhand rust steeds meer hitte-en stroomstoten op de binnenkant van hun handpalm en gaat een zweepje sneller op hun hand slaan. Afzien is dus de boodschap in dit spelletje electroni­sche  ping-pong, door sommigen al om gedoopt tot 'Pain Pong',  waarin niet langer  de score telt, maar wel het incasseringsvermogen.

 

Het derde deel van de tentoonstelling heet FEEL THE YOUNG. Het Provinciale kunsten centrum gaf aan vijf jonge  Belgische media­-kunstenaars een productie-opdracht. We zijn vooral nieuwsgierig naar de bijdrage van Anouk De Clercq. Zij won vorig jaar de Prijs Beeldende Kunst van de provincie Oost­-Vlaanderen en kreeg een eervolle vermelding voor de Prijs van de Jonge Belgische Schilderkunst. Ze is één van onze Vlaamse jonge media-kunstenaars wiens werk over heel Europa wordt getoond.

 

Peter Wouters

 


KUNSTTOER

 

In West-Vlaanderen koestert de Westhoek zich tussen de Noordzee en een onzichtbare 'Schreve', zoals hier de grens met Frankrijk wordt genoemd.

 

De Westhoek

 

Leuke stadjes

 

Stadjes doen je kuieren langs kromme straten vol tijdloze histories. Je hoort er de beiaard de uren verdrijven. Veurne heeft Spaanse 'roots', vooral de jaarlijkse Boetprocessie getuigt hiervan.

 

Lo gaat prat op zijn middeleeuwse Westpoort en je moet beslist de 'lukken' proeven. Poperinge is de hopstreek bij uitstek, hangende hoptuinen verspreiden vooral in de zomer hun bedwelmend aroma. Diksmuide koestert zich aan de Ijzer en de Ijzertoren biedt een hemelsbreed uitzicht over de streek.

 

 

Dorpen vol verhalen

 

Dorpen vleien zich in de schaduw van hun kerktoren. Rode daken bekoren tussen blauwe wolken. Watou, Beauvoorde, Dranouter, Lampernisse, Houtem of Gijverinkhove brengen tijdlose verhalen. Dranouter heeft niet alleen zijn jaarlijkse  Folkfestival, maar de multimediale 'Folk Experience' in het Muziekcentrum, reist in de wereld van folk rond. In Gijverinkhove kijk je bewonderend naar de sculpturen van George Grard. Watou charmeert met zijn zomerse Poëziefestival waar beeld en gedicht in perfecte harmonie samenleven. Beauvoorde bezit een echt waterkasteel. De paté en de pannenkoeken zijn er niet te versmaden.

 

Lampernisse herinnert aan Zannekin. 'Zijn' wandelpad brengt je bij de komgronden, een stukje ongerepte natuur.

 

Houtem bij Veurne is een stil dorp, met wat verbeelding zie je koning Albert er zijn troepen schouwen ergens op een lentedag in 1916.

 

 

'Den Grooten Oorlog'

 

Wie in de Westhoek trouwens 'den grooten oorlog' zoekt, vindt langs velden en wegen honderden verhalen en vele  sporen om nooit te vergeten. Je wordt stil bij duizenden jonge namen op dode letterstenen.

 

Het 'Tyne Cot Cemetery' in Passendale is één grote tot Engelse tuin omgetoverde doden­akker. En in Vladslo beklijven de stenen beelden van Käthe Kollwitz. Het 'Treurend Ouderpaar' rouwt over haar Peter en ontel­bare andere Duitse zonen.

 

De oorlog 14-18 zorgde ook voor een ontlui­kend pacifisme waaruit vandaag initiatieven groeien, zoals de Vredesconcerten in Passendale, het Vredesmuseum in de l]zertoren, de Ierse Vredestoren in Mesen, en het interactieve In Flanders Fields Museum in leper, met in 2004 de zomertentoonstelling Vluchten voor de oorlog, het verhaal van de Belgische vluchtelingen in W01.

 

Ook nieuw is het Passchendaele 1917-museum in Zonnebeke, evenals de 'Duitse' site Bayernwald in het Heuvelland.

 

En in leper weerklinkt dagelijks klokslag 20 uur een ingetogen Last Post, omdat achter oorlog nooit een punt kan worden gezet.

 

 

Fietsen en wandelen

 

De Westhoek is een ideale streek voor zachte recreatie. Wel 20 bewegwijzerde routes in circuitvorm uitgewerkt, en vanaf juli 2004 een heus Fietsnetwerk Westhoek met knooppunten bewegwijzering, zorgen voor honderden kilometers duwplezier.

 

En meer dan 22 bewegwijzerde wandelcircuits laten je traag kennismaken met de groene Westhoek van platte polders tot golvende weggetjes.

 

 

Lekkers langs de 'Schreve'

 

Op een boogscheut wenkt Frans­ Vlaanderen.  Een 'picon' is hemelse grens­drank. ledere kroeg in de Westhoek is rijk aan 'couleur locale' en nog meer aan ambachtelijk gebrouwen bier.  De abdij van Westvleteren brouwt zelfs drie smakelijke trappisten bieren.

 

Proeven met de ogen dicht of smullen met een brede glimlach is in de Westhoek een festijn. Originele streekgerechten verblijden de kaart: hennepot, hopscheuten, mazarine­ taart, een 'schelle van de zeuge' ..., en ook de gastronomie scheert er hoge toppen.

 

 

Een bed naar wens

 

En wie  in de Westhoek op zoek is naar een bed, vindt in hotels, in kamers met ontbijt, vakantiewoningen of in een tentje op een camping zeker zijn gading.

 


KEUZE VAN DE REDACTIE

 

 

Griekse oudheid in de mode

 

Vorig jaar liep in The Costume lnstitute van The Metropolitan Museum of Art in New York de tentoonstelling GODDESS. Het ModeMuseum Provincie Antwerpen presenteert nu een selectie van deze expositie, aangevuld met eigen bruiklenen en een aantal stukken van binnen- en buitenlandse ontwerpers.

 

GODDESS geeft in vijf thematische onderdelen een overzicht van de invloed die de Griekse oudheid uitoefende op de mode van de twin­tigste en eenentwintigste eeuw. 'Mythische details' laat zien hoe verwijzingen naar de attributen van de Olympische goden alsook patronen en motieven uit klassieke decoraties de modeontwerpers hebben geïnspireerd. Dat geldt vooral voor zeeschuim en schelpen (Aphrodite), pauwenveren (Hera) en het schild (Athena).  Het tweede deel,  'De doos van Pandora', behandelt de basiskledingstukken van de vrouwen in het oude Griekenland: de chiton (twee rechthoekige lappen stof die opzij worden samen genaaid en aan de schouders samengehecht met spelden of knopen), de peplos (één grote recht­hoekige lap stof, omgevormd tot een koker) en de himation (een recht­hoekige cape). Hun invloed is terug te vinden in vele sjaals, sluiers, stola's en mantels van de vorige en deze eeuw. De drie basiskledingstukken en hun klassieke uitstraling is het thema van 'Metamorfose', met aandacht voor eenvoudige ingrepen en vindingrijke variaties.

 

Het vierde deel draagt de titel 'Pygmalions Galatea: kunst tot leven gewekt'. Hier ligt het accent op een van de stileringen die de grootste impact heeft gehad op de modeontwerpers: de wet drapery, een drapagetechniek waarbij het textiel in vloeiende lijnen tegen het lichaam lijkt te kleven. 'De draad van Ariadne', het laatste thema, toont hoe vanaf de jaren dertig van vorige eeuw de invloeden van de klassieke oudheid nadrukkelijk aanwezig zijn in de gevestigde mode­huizen.

 

GODDESS toont werk van Madame Grès, Edward Molyneux, Halston, Gucci, Versace, D&G, Givenchy, Christian Dior, Chanel, John Galliano, Vivienne Westwood, Alexander McQueen, Clements Ribeiro, Giorgio di Sant' Angelo, Romeo Gigli, Capucci, Bernhard Willhelm, Ann Demeulemeester, Patriek Van Ommeslaeghe, Maison Margiela, Jean-Paul Gaultier, Christian Lacroix, Prada, Valentino, Thierry Mugler, Nicolas Ghesquière, Hussein Chalayan, YSL Rive Gauche,  Azzedine Alaïa, Douglas Ferguson, Roberto Cavalli en Viktor&Rolf.

 

(MV)

 

'GODDESS', tot 22 augustus 2004 in ModeMuseum Provincie Antwerpen, Nationalestraat 28,  2000 Antwerpen.

 

 

Portretten en zelfportretten van Paul Delvaux

 

Dit jaar bestaat de Stichting Paul Delvaux vijfentwintig jaar.  Ze wil het oeuvre van de Belgische surrealist zoveel mogelijk bekendmaken en hem vooral voortdurend eren in het gelijknamige kleine museum in het pittoreske kustplaatsje Sint-ldesbald, waar de schilder en zijn vrouw zo vaak vertoefden tijdens hun leven.  De jubileumviering van de Stichting gaat gepaard met allerlei evenementen waaronder een tentoonstelling met zelfportretten en portretten van Paul Delvaux.

 

De expositie is onderverdeeld in acht delen. Het eerste behandelt een reeks portretten in opdracht.  De kunstenaar plaatst de geportret­teerde dikwijls tegenover de typisch surrealistische achtergrond die we tegenkomen in zijn schilderijen. Het zijn mooi geordende tuinen met heldere perspectieven, vele trompe-l'oeil details in de architec­tuur en een sfeer die doet denken aan De Chirico. Op de tentoonstel­ling hangt er een uiteenlopende reeks met naast het schilderij vele schetsen die bewijzen hoe toegewijd Delvaux de portretten voorbe­reidde. Een tweede deel behandelt de portretten van zijn modellen.

 

Zijn fascinatie voor het vrouwe­lijk lichaam is terug te vinden in heel zijn oeuvre en het is interes­sant te zien dat er eigenlijk maar enkele vrouwen hiervoor model stonden. Een derde groep portretten toont hele families. Het zijn verwanten of vrienden met hun gezin of met hun kinderen, zoals Natascha en Stephane Van Deun. De expo­sitie loopt verder via twee korte hoofdstukken: liefdesportretten en doodsportretten. Bij de lief­desportretten is het vooral zijn echtgenote Tam, die zonder al te veel franjes in vooraanzicht of in profiel wordt weergegeven. Een reeks tekeningen dateert van 1929, niet toevallig het jaar waarin hij Tam, eigenlijk Anne-Marie De Martelaere leert kennen. Paul Delvaux legde uiterst scrupuleus met een beangstigend en tegelijkertijd sereen realisme de doodsgezichten vast van zijn vader en moeder.

 

Een reeks zelfportretten kan natuurlijk niet op deze tentoonstelling ontbreken. We zien de kunstenaar als jonge knaap  of al dansend met zijn vrouw. Op een groot schilderij leest hij al wandelende de krant. "Het is een zelfportret dat de crisissfeer uit die periode weergeeft. De oorlog kon elk moment uitbreken. Op straat werd druk de krant gelezen", zal hij hierover later schrijven. Als laatste deel toont de tentoonstelling een groep portretten van geleerden en wetenschap­ers.  Na het beëindigen van de tentoonstelling in Sint-ldesbald gaat ze naar Japan waar in niet minder dan zes steden de Japanners zich kunnen vergapen aan het oeuvre van hun geliefkoosde schilder.  In het Paul Delvauxmuseum loopt dan nog altijd een kleine maar boeiende tentoonstelling met aquarellen van de meester van Sint-ldesbald zelf. Het charmante badplaatsje bestaat in 2004 honderd jaar en viert dit met allerlei evenementen waaronder deze tentoonstelling. Het geeft een andere blik op het oeuvre van de schilder die zeer subtiel op zijn vele wandelingen door Sint-ldesbald de omgeving en de golven heeft bedwongen in uiterst poëtische aquarellen.

 

(PW)

 

'Portretten en zelfportretten van Paui Delvaux', tot 6 juni 2004 in het Paul Delvauxmuseum, Paul Delvauxlaan 42, 8670 Sint-ldesbald, www. delvauxmuseum.com

 

 

Hermitage Amsterdam

 

De Nederlanders hebben een neus voor zaken, ook voor kunstzaken. Toen het Staatsmuseum de Hermitage in Sint-Petersburg vijftien jaar geleden onderzocht of het satellieten in het Westen kon openen, waren onze noorderburen er als de kippen bij.  In februari 2004 opende de eerste fase van de Hermitage Amsterdam in het gebouw Neerlandia aan de Nieuwe Herengracht. En eind 2007 zal het hele Amstelhof (ruim vierduizend vierkante meter tentoonstellingsruimte) in gebruik worden genomen.

 

Nu al vinden in de zes zalen van Neerlandia kleine wisseltentoonstellingen plaats, afkom­stig uit de rijke collectie van het Staats Hermitage Museum te Sint-Petersburg. Als opening is gekozen voor Grieks goud, een selectie uit de bekende schatkamers van het Russische museum.  Een belangrijk onderdeel vormen de juwelen, daterend van de zesde tot de tweede eeuw voor Christus, uit de Griekse nederzettingen rond de Zwarte Zee. Ze werden door Russische archeologen tijdens opgravingen in de negentiende en twintigste eeuw gevonden.  De armbanden, oorbellen, colliers en lauwerkransen zijn voorbeelden van fenomenale edel­smeedkunst. In de tentoonstelling zijn voorwerpen uit alle  perioden en vindplaatsen te bewonderen, inclusief uit de beroemde tombes van Nympheum en Olbia.  De verfijning van  de sieraden is ongeëvenaard: details van kleding of gezichtsuitdrukkingen zijn soms nauwelijks met het blote oog waarneembaar. Op de tentoonstelling zijn ze met een loep zeer goed te bekijken.

 

Naast de juwelen toont Grieks goud ook objecten die de sieraden in hun context plaatsen: Griekse vazen met versierde vrouwen, zilveren voorwerpen met sierlijke graveringen en mallen die meer vertellen over het productieproces van de juwelen.

 

De tweede tentoonstelling van Hermitage Amsterdam belooft al even bijzonder te worden: Nicolaas & Alexandra, het laatste tsarenpaar loopt van 18 september 2004 tot 13 februari 2005.

 

(MV)

 

Hermitage Museum, Sint-Petersburg  'Grieks goud', tot 29 augustus 2004 in Hermitage Amsterdam, Nieuwe Herengracht 14, Amsterdam, www.hermitage.nl.

 

 

Een Chinese Draak in Gent

 

De mooie Gentse Sint-Pietersabdij werkt deze zomer samen met het Chinese Henan­-museum. Zo'n honderdvijftig topstukken verlieten tijdelijk het museum voor een verhuis naar Gent.

 

Een selectie maken is altijd een moeilijke opdracht.  Als thema kozen de tentoonstellings­makers de buitengewone betekenis van het dier in de oude Chinese beschaving. Volgens de Chinese mythologie stond de mens bij het begin van  zijn bestaan ononderbroken in contact met de omringende wereld en maakten dieren en mensen deel uit van dezelfde wereld. In China vormde de mens slechts een schakel in de natuur en het universum en stond niet boven het dier. Sommige dieren waren in hun ogen ook heilige wezens. Ze hadden een magisch-religieuze waarde en werden geassocieerd met de wereld van de goden. Afbeeldingen van dieren in de oude Chinese kunst verhalen als geen ander over het leven en de maatschappij van toen.  In de tentoonstelling brengen verfijnde kunst­voorwerpen in jade,  keramiek en brons ons terug naar die tijd waarin mens en dier nog intens samenleefden. Elk dier van het verrassende bestiarium ontvouwt zijn verhaal van wijsheid, geluk en levenskracht, of van wreedheid en rampspoed. Mythische of reële, aanbeden of gevreesde dieren, prooien of troeteldieren bewegen als in een stoet door­heen een stilistisch sterk gepresenteerde tentoonstelling. Het mooiste van alle fabel­dieren, de draak, keizerlijk symbool en goedgunstig wezen in de ogen van de bewoners van het oude China, speelt vanzelfsprekend de hoofdrol.

 

De rituele bronzen zijn veruit de meest fascinerende maar ook de moeilijkst leesbare voorwerpen uit de tentoonstelling. Het duurt even vooraleer de kijker in de chaotische decoratie de monsterachtige dieren onderscheidt die hem met ijskoude ogen aanstaren. De bronzen illustreren bij uitstek het principe van de voortdurende veran­dering of metamorfose van alle natuurlijke fenomenen. Zelfs de schei­ding tussen mens en dier werd in het oude China niet als  permanent en onveranderlijk gezien. Fabeldieren zoals de draak en de feniks waren het toonbeeld van metamorfose en vormden voor de dierenwe­reld wat de wijzen in de Chinese maatschappij betekenden. Voor het publiek zijn er enkele  aangename toemaatjes. Kinderen tussen zes en twaalf kunnen de tentoonstelling bezoeken met een Chinees tover­koffertje onder de arm. ln het koffertje steken verrassende spulletjes die de jonge bezoeker helpen de tentoonstel­ling op kindermaat te doorgronden. Gezinnen met kleine kinderen kunnen op zondag tussen tien en twee hun peuters gratis in de opvang achter­ laten.  Hen wachten Chinese spelletjes en een verkleedpartijtje à la chinoise. 

 

(PW)

 

 

Scandinavische Design in Gent

 

Scandinavische design is voor vele liefhebbers van hedendaagse vormgeving een begrip, maar het is niet altijd duidelijk welke lading deze vlag dekt.  De Scandinavische designidealen die in de jaren vijftig ontstonden zijn nog altijd overeind gebleven en het moment lijkt gekomen om na een halve eeuw objectief terug te blikken op deze stijl, met de nodige aandacht voor alle Noord-Europese landen die hebben bijgedragen tot de vorming van deze identiteit: Denemarken, ljsland, Finland, Noorwegen en Zweden. Traditioneel associëren we Scandinavische design met eenvoudige ongecompliceerde ontwerpen waarbij de nadruk ligt op functionaliteit en een democratische bena­deringswijze. De tentoonstelling wenst deze kenmerken te herbe­kijken in het licht van recent onderzoek over het modernisme. De expositie bevestigt het Scandinavische design als een cruciale bewe­ging in de designgeschiedenis maar vormt ook een aanleiding om de discussie aan te gaan over de vele mythes en stereotypes over dit thema.  De term Scandinavische design ontstond samen met de geboorte van een tentoonstelling in het Londense grootwarenhuis Heal's in 1951. Deze tentoonstelling werd opgezet onder de titel Scandinavian Design for Living en was de commerciële tegenhanger van de expositie die hetzelfde jaar werd georganiseerd door de British Council of Design onder de titel Scandiavia at Table.  Het was de eerste maal dat de Scandinavische landen een gezamenlijke tentoonstelling voor design en decoratieve kunsten organiseerden buiten de Noord­ Europese regio.  Nadien werd Scandinavische design een echt begrip over de hele wereld, mede dankzij de expositie Design in Scandinavia die van 1954 tot 1957 door Noord-Amerika toerde.

 

De tentoonstellingsmakers bestudeerden de problematiek vanuit een originele invals hoek: ze beriepen zich op de Italiaanse filosoof ltalo Calvino. In zijn werk Zes Memo's voor het Volgende Millennium bespreekt hij een aantal waarden die belangrijk zullen zijn voor de creatieve geesten en ontwerpers van het nieuwe millennium: licht­heid, snelheid, juistheid, zichtbaarheid, verscheidenheid en rechtlij­nigheid.  Deze essentiële kenmerken zijn bepalend voor het samen­ brengen en onderverdelen van hedendaagse objecten: het zijn begrippen die makkelijk kunnen worden gekoppeld aan het Scandinavische Design in zijn geheel, zowel vanuit historisch perspectief als in het licht van het nieuwe millennium. De tentoonstel­ling maakt een heuse wereldtournee langs elf landen in drie jaar tijd.

 

'Scandinavische Design, de mythe voorbij', van 2 juli tot 26 september 2004 in het Gentse Desigmuseum, Jan  Breydelstraat5, 9000 Gent, www. design.museum.gent.be.

 


WEBSTEK

 

Het Virtueel Museum van de Vrije Universiteit Brussel opent binnenkort een derde verdieping. De architecten van dienst zijn jongeren uit Vlaamse en Brusselse scholen die samen bouwen aan dit ingenieuze multimediaproject. Wie de nieuwbouw wil bezichtigen zal naar hun webstek moeten surfen want - zoals de naam het al zegt - bestaat dit wetenschapsmuseum uitsluitend uit bits en bytes.

 

 

Jongeren en Wetenschap  

 

Het Virtueel Museum is een in itiatief van de Cel Wetenschapscommunicatie van de Vrije Universiteit Brussel. De eerste steenlegging vond plaats naar aanleiding van de activi­teiten rond Brussel 2000. Ondertussen is dit project al aan zijn derde editie toe.

 

De bedoeling ervan is om jongeren op een leuke manier te laten kennismaken met wetenschap en technologie en hen vertrouwd te maken met multimediatoepassingen en het internet als communicatie- en in formatiekanaal. Met een website die door de afwisseling van tekst, geluid, video en animatie oogt als een spannend computer­game, kan dit echter geen probleem zijn. Nochtans draait dit 'computerspel' niet rond snelle wagens of bandieten die moeten afgeknald worden.

 

Wat centraal staat is een magische ontdek­kingstocht door de wondere wereld der wetenschappen. En dat avontuur start buiten, onder een stralende zon, op een grasveldje voor het Virtueel Museum. Want dit museum mag dan wel  virtueel zijn, de makers hebben toch hun best gedaan om het er zo reëel mogelijk uit te laten zien. Alleen jammer dat ze er voor kozen om een grauwe, betonnen mastodont neer te poten.

 

Gelukkig maakt de museumcollectie en -presentatie veel goed.  De toegang tot het museum is uiteraard gratis en wie er wil binnengaan doet dit gewoon door te klikken op de plaats in het beeld waar men naar toe wil. Het loont trou­wens de moeite om in alle hoeken en kantjes te speuren. Want zelfs een bezoekje aan de toiletten - ja ook daar is aan gedacht - is een aanrader. Wie aanklopt bij de vrouwen krijgt  "bezet" te horen, en wie bij hoge nood dan maar het herentoilet opzoekt komt voor een onaangename verassing te staan. Het zijn zulke grappige details die van deze site écht een  belevenis maken.

 

De geluiden op de achtergrond zijn ook een leuke aardigheid. Maar omdat het om korte fragmenten gaat die in een loop zitten, gaan ze al snel op de zenuwen werken.

 

Tenzij u helemaal rustig wordt van het kabbelende beekje dat op de tweede verdieping te horen is, kan u dus maar  beter tijdig het geluid af zetten.

 

Wie niets wil missen of voor het eerst een bezoek brengt aan deze webstek, passeert best even langs de infobalie. Behalve een folderstand die onder andere links naar nevenprojecten herbergt, treft u daar ook Sabine aan. Deze vriendelijke receptioniste beantwoordt uw meest prangende vragen. En als ze het antwoord schuldig blijft, kan u altijd  nog een boodschap achterlaten die per mail door het bevoegde personeel zal beantwoord worden. Een inventieve oplos­sing voor het klassieke contactadres dus.

 

 

Wizzkids

 

En dan is het tijd om op ontdekkingstocht gaan. Rechts in de centrale museumhal kan u al een fototentoonstelling bezoeken. Het is een soort making of die de bezoeker een blik achter de schermen gunt. Zo kan u er op een gigantisch Tv-scherm foto's en filmpjes bekijken van de deelne­mende jongeren. Voor de overigens fraaie resultaten van de verschillende workshops moet u echter op de hoger gelegen tentoon­stellingsruimten zijn.

 

Wie naar deze verdiepingen wil, neemt zoals elk modern mens de lift. Wanneer de lift­ deuren openzwaaien, komt men terecht in een kelder met erkers en nissen, in het Atomium of in een waterparadijs met paal­woningen. De kelder die, raar maar waar, op de eerste verdieping gelegen is, bundelt de projecten van jongeren die in het schooljaar 1999-2000 rond het thema  'Kringlopen' gewerkt hebben.  Al naar gelang de invals­hoek resulteerde dit onder andere in projecten over de mestproblematiek en de geschiedenis van de mode.  De eigenlijke presentaties activeer je door op stand­beelden  te klikken die op een ludieke manier het thema verbeelden.

 

In de hutten op de tweede verdieping vindt u de projecten die het daaropvolgende school­ jaar gecreëerd werden rond het thema 'Beweging'. De gloednieuwe derde verdie­ping situeert zich dan weer in de bollen van het Atomium en herbergt thema's als 'Mobiliteit in Brussel' en 'Het geluid van de vliegtuigen'. Dit laatste verklaart meteen ook de aanwezigheid van een vliegtuig in die ruimte. Visueel is dus alles mogelijk in een virtueel museum.  The sky is the limit!

 

Wie echter vrij door het museum doolt, verliest in de wirwar van kamers al snel het noorden. Voor deze verdwaalde ontdekkingsreizigers is de website uitge­rust met verschillende functies die het navigeren sterk vereenvoudigen. De hotspot-functie toont je de mogelijke paden die je kan inslaan, met de optie plan view tover je een driedimensioneel plan van het museum te voorschijn en daarnaast is het ook mogelijk om uw favoriete plekjes te bookmarken.

 

Al deze technische snufjes maken het gebrek aan menselijk contact echter niet goed.  Wat ik hier vooral mis is de aanwe­zigheid van een virtuele suppoost. Er zijn weliswaar voldoende infoborden en helpvensters die u helpen navigeren door de website, maar er gaat toch niets boven een zaalwachter die de bezoekers te woord staat of hen desnoods zelfs vermanend op de vingers tikt.  Het maakt de museumervaring enkel maar overtui­gender.

 

Ook andere museumbezoekers - virtuele of echte - zijn opvallend afwezig in het museum.  De multiplayer-functie waarbij u interactief kan zijn met andere surfers is nog in ontwikkeling. Dat maakt van het virtuele museumbezoek voorlopig nog een eenzame bedoening. Maar dromen we daar uiteindelijk allemaal niet van: een museum helemaal voor ons alleen?

 

Het Virtueel Museum heeft zijn stek op www. virtueelmuseum.vub.ac.be.  Ook op de Link-pagina van www.tento.be kan u dit artikel en de bijbehorende links terugvinden.

 

Eva Wuyts

 


UIT DE BOEKEN

 

 

Vlaamse belforten. Werelderfgoed

 

Sinds 1999 komen de belforten van Vlaanderen in groep voor op de lijst met 754 uitzonderlijke werelderfgoedsites in 129 landen die beschermd worden door de Werelderfgoedconventie van 1972. Als  moti­vatie stelde de UNESCO dat onze belforten "uitzonderlijke voorbeelden zijn van stede­lijke architectuur, aangepast aan de poli­tieke en spirituele noden van hun tijd."

 

In Vlaamse belforten. Werelderfgoed brengt Michiel Heirman, verbonden aan de afdeling Monumenten en Landschappen, het boei­ende verhaal van deze typisch Vlaamse bouwwerken. Ook al dateert de oudste vrij­staande klokkentoren uit de tiende eeuw en staat hij in het Italiaanse Ravenna, deze campanile is geen belfort. Het belfort is immers een symbool van de middeleeuwse 'gemeente', een stedelijke gemeenschap met grote autonomie tegenover de feodale heer.  In de elfde-eeuwse Vlaamse steden groeide het zelfbewustzijn evenredig met de handelsopbrengsten. Met dat geld slaagden de stedelingen erin geschreven voorrechten af te dwingen. Waar deze onschatbare char­ters bewaren? En de stadsklok? In uitda­gende belforten vond de gemeentelijke identiteit haar bevestiging. Ze zijn de 'gestrekte vinger' van  het middeleeuwse stedelijke gezag. Met de Bourgondiërs kwam een toenemend centralisme in bestuur, financiën en rechtspraak. De groei van de gemeentelijke zelfstandigheid was ten einde, zeker toen de Habsburgers het hier voor het zeggen hadden.  Denk maar aan keizer Karel die de Gentse stadsklok Klokke Roeland verbeurd liet verklaren ...  Al deze belangrijke ontwikkelingen komen in het boek tot leven in honderden gravures, hout­sneden, prenten en miniaturen.  Interessant zijn de niet gerealiseerde bouwplannen die aantonen hoe groot en imposant sommige steden het wel zagen.

 

Vlaamse belforten laat ontdekken dat vooral in het hertogdom Brabant bestaande kerkto­rens als belfort werden gebruikt, zoals in Leuven, Tienen en Zoutleew. Dergelijke kerk­ belforten komen veel minder voor in het graafschap  Vlaanderen. Gent en Brugge bezitten profane belforten. Michiel Heirman zoekt een verklaring in het feit dat de Brabantse gemeenten op vrij goede voet stonden met hun hertog, terwijl de verhou­dingen in Vlaanderen dikwijls erg gespannen waren. De Vlaamse gemeenten hadden een sterke behoefte zich af te zetten tegen hun heer.  Kon dat beter  dan door de bouw van een trotse gemeentetoren?

 

EÉn voor één komen de belforten aan  bod: Herentals, Lier, Mechelen, Sint-Truiden, Aalst, Dendermonde, Eeklo, Gent, Oudenaarde, Brugge, Diksmuide, leper, Kortrijk, Lo-Reninge, Menen, Nieuwpoort, Roeselare, Tielt en Veurne. En er is aandacht voor de kerkbelforten van Antwerpen en Mechelen (de torens van hun kathedraal), Leuven (Sint-Pieterskerk), Tienen (Sint­ Germanuskerk), Tongeren (toren van de basiliek) en Zoutleeuw (Sint-Leonardus­kerk). Maar het boek beperkt zich niet tot deze 25. Het kijkt ook buiten Vlaanderen naar de Waalse belforten, die van de Hanzesteden en van Duitstalig Europa.  Zelfs de belforten van de Nieuwe Wereld (bijvoor­beeld Ottawa) komen ter sprake.

 

Vlaamse belforten.  Werelderfgoed is geïllus­treerd met talrijke nieuwe foto's van Jan en Wim Decreton. Vanuit alle hoeken leggen ze de torens in hun stedelijke omgeving vast. Daarbij hebben de fotografen oog voor merkwaardige details en de inbreng van architecten, metselaars, steenhouwers en timmerlieden.

 

Wie na het lezen van en kijken in dit schitte­rende boek onze belforten ter plekke wil (her)ontdekken, kan gebruik maken van de handige gids Langs Vlaamse belforten en stadhuizen, eveneens samengesteld door Michiel Heirman.

 

 

Vlaamse kunstenaars op de Nederlandse kaart

 

Hoe een generatie jonge Vlaamse beeldend kunstenaars in kaart brengen en bekend maken aan Nederlandse journalisten, kunst­critici, musea, galeriehouders? Als antwoord op deze vraag publiceerde de Brakke Grond, het Vlaams Cultuurhuis in Amsterdam, het boek Oorsprong. Het presenteert een vijf­tigtal  kunstenaars.

 

Het boek opent met een uitspraak van Doroshenko, artistiek directeur van het SMAK, die aangeeft dat ons land mee aan de top staat van de hedendaagse kunst en een grote aantrekkingskracht uitoefent op kunstenaars: "Er zijn hier fantastische verza­melaars, galeries en instellingen, maar die worden in het buitenland onderschat. Ik heb daar geen verklaring voor, misschien hebben ze in Parijs een dikkere nek?"

 

Van stoer op de borst kloppen is in Oorsprong geen sprake. In de inleiding schrijven de samenstellers dat ze beseffen dat hun selectie een momentopname is van een voortdurende beweging, want nieuwe generaties kunstenaars zullen  elkaar blijven opvolgen. Ze zijn zich ook bewust van de kwetsbaarheid van hun keuze, al lieten ze zich bijstaan door een dertigtal organisa­toren en professionelen uit Vlaanderen en Nederland.

 

Een van hen, Luk Lambrecht van Cultuur­centrum Strombeek in Grimbergen, formu­leert in Oorsprong beschouwingen onder de titel 'Oogpunt-standpunt'. Hij opent met de vaststelling dat professionalisering van kunst en cultuur in Vlaanderen een recent verschijnsel is. Het verschil met onze buurlanden is groot, de stand van zaken onverge­lijkbaar. Er hangen donkere wolken boven het vele latente talent dat ontegensprekelijk aanwezig is in Vlaanderen, schrijft Lambrecht. Het debat over de plaats van de beel­dend kunstenaar in de context van de hedendaagse culturele productie blijft in houdelijk en politiek zwak begeleid. Kunstenaars zien vaak wegens werk om den brode hun artistieke moed verloren gaan.  En dan is er nog het bijna ontbreken van ernstige kunstkritiek in de Vlaamse dagblad­pers.

 

Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Luk Lambrecht verwijst naar Brussel waar contacten tussen Vlamingen,  Franstaligen en de vele buitenlanders uitmonden in verruimende denkbeelden en initiatieven. Het kosmopolitische van  de hoofdstad vervult een stuwende rol in het verbreden en opentrekken van de productie en bele­ving van kunst en cultuur. "De kunst in Vlaanderen is een bontgekleurd lappen­deken waaruit musea, galeries en cura­toren naar hartelust kunnen kiezen," lezen we  nog. En dus is de Vlaamse kunst niet weer te geven in grote lijnen.

 

Dat bonte lappendeken is terug te vinden in Oorsprong. Van elk van de vijftig kunste­naars is een krachtige portretfoto, gemaakt door Kris Dewitte, opgenomen, een beknopt cv en één bladzijde die eigen werk toont.  Het biedt geen inzicht in de evolutie van de kunstenaar. Dat is ook niet de bedoeling. Het is een kleurrijke staal­kaart die een overzicht geeft en aanzet tot een verdere ontdekkingstocht. Met enkele van de kunstenaars hebben de OKV-abon­ nees al kunnen kennismaken, bijvoorbeeld met Sven 't ]olie in Tento en met Christoph Fink in Herinneringen... Een aantal anderen zullen zeker volgen.

 

Oorsprong - Een initiatief van de Brakke Grond Vlaams Cultuurhuis, Nes 45, 1012 KD Amsterdam, i.s.m.  het steunpunt Beeldende Kunsten

 


KINDEREN EN KUNST (Extra bijlage)

 

 

''Zit er veel melk in die borsten ?''

 

"Het hoofd zingt lalalala. Nu weet ik zeker dat het een vrouw is." Ze fantaseren hun eigen verhaal bij een werk waaraan hun blik blijft hangen.   Het verslag van enkele ontmoetingen van kinderen en jongeren met kunst. "Ik ben al heel mijn leven bang van Jezus."

 

Cosima (3) en Maria-Vidoria Bas (7)

 

"Beste bezoekers, in de huidige collectiepresentatie op de hogere verdiepingen bevindt zich een recent aangekocht werk van de Chinese kunstenaar Gu Dexin. Dit werk kan schokkend zijn voor jonge en/of gevoelige bezoekers. Dank voor uw begrip." Het bordje aan de inkom van het Museum voor Hedendaagse Kunst in Antwerpen dient als verwittiging.

 

De kinderen vragen: "Wat betekent schokkend?"

 

"Het is vrij pornografisch," zegt de vrouw aan de balie van het MuHKA. "Maar deze kinderen zijn te jong om dat al te begrijpen."  Cosima (3) en Maria-Victoria (7) lopen bij die zin al door de grote hal. Ze kijken de andere kinderen aan die met hun ouders de tentoonstelling Alles onder de hemel bezoeken. Een tentoonstelling van hedendaagse Chinese kunst. Maria-Victoria krijgt van de vrouw aan de balie een roze brochure mee die 'kinderpraat' heet. In de brochure staat: "De titel van de tentoonstelling zegt: we leven allemaal onder dezelfde hemel." Daar hadden de kinderen geen moment aan getwij­feld. Ze zijn te jong voor de brochure.

 

Ze willen eerst naar de bovenste verdieping. Opstijgen met de lift van het MuHKA beschouwen ze als een belevenis. Ze drukken op 5. Hoe hoger de verdieping,  hoe liever. In de lift bevindt zich achter een glazen wand een ladder.  De groeiende ladder van Hugo Duchateau.

 

             "Kunst is allemaal rare dingen."  (Blerina)

 

Ze roepen dat de ladder steeds smaller wordt. Als ze op de vijfde verdieping aankomen zeggen ze: "Het topje van de ladder is van goud."

 

De deur gaat open. Daar staat het.

 

"Ooooooh," zegt Cosima (3). "Een mamma met dikke borsten!" Ze loopt er uitgelaten naartoe. "Zit er veel melk in haar borsten?" De mamma met dikke borsten heet officieel Body Works, een werk van Wang Du uit 1997. De vrouw die een beeld is, zit wellustig op haar knieën, achterwerk naar achteren. Ze draagt alleen een slip en een zonnebril. Meisjes  van drie worden er uitge­laten van. De ogen van Cosima glinsteren. Ze staat met haar mond bijna aan de stenen tepels.

 

"Lelijke tepels," zegt ze. "Veel te plat." Ze steekt haar tong uit.

 

"Niet aan likken," zeg ik.

 

Cosima: "Zijn die borsten alleen voor haar kindje?" Volgens Darwin is de seksuele passie die door borsten wordt opgeroepen, terug te voeren tot de kindertijd. Een verlangen naar de geborgenheid van het gezoogd worden. Wanneer wordt iets pornografisch?

 

Cosima loopt met haar zus Maria-Victoria (7) rond het beeld. Maria-Victoria is niet meer geïnteresseerd in melk. Zij zegt: "Kijk, die mamma heeft tipschoenen aan." Tipschoenen zijn schoenen met hoge hakken. Ze kijkt naar het roze slipje tussen de billen van de vrouw. "ik vind dat een mooie kleur van onderbroek." En dan komen de vragen waar ze zelf antwoorden op formuleren.

 

"Waarom zit ze op haar knieën?" - "Dan kan haar kindje beter van de borsten drinken."

 

"Waarom heeft ze een zonnebril op?" - "Ze gaat naar de zee."

 

Raadsels worden altijd vanuit de eigen leefwereld opgelost.

 

Op één vraag blijven ze kauwen:

 

Cosima: "Waarom is die mamma in twee gekapt?" Ik moet al heel lang kijken om te beseffen wat ze bedoelt.

 

Ze wijst naar een naad op de rug van het beeld.

 

Maria-Victoria: "Om de dikke borsten op haar dikke poep te zetten."

 

Cosima blijft naast het beeld zitten. "Mooie, lekkere mamma," zegt ze, "mag ik er nog lang naar kijken?" Maria-Victoria loopt een trapje op. Ze gaat naar de richting van het geluid. Ze blijft als versteend  staan. Ze doet heel traag enkele passen vooruit. Ze verdwijnt achter een muur. Ze komt na een minuut terug. "Kom eens mee kijken. Om de hoek zit een half-mens, half­ heks."

 

            "Het is mooi als het fantasie is.''  (Lieselot)

 

Samen staan we in de kamer met het werk van Tony Oursler. Het werk heet Behind the Image.

 

Op een scherm tegen de muur worden natuurbeelden geprojecteerd. Enkele meters voor het scherm staat een statief met een bol. Op de witte bol wordt een filmopname van een sprekend gezicht getoond. Maria­-Victoria kijkt heel lang. Spitst haar oren. Ze wordt zich bewust van ieder geluid.

 

"Op de muur bewegen rozen en bladeren. Op de kapstok leeft een mannetje  dat Engels spreekt. Misschien is het wel een vrouw. Ze roept: 'Surprise! Suprise !' Ze doet net alsof er een feest moet beginnen. Het is een gewone mens die gek doet en ook een heks is."

 

Ze zwijgt. Ze neemt mijn hand. "Dit is grappig en grie­zelig tegelijk. Ik vind het mooi." Ze twijfelt.  Vraagt het toch: "Mag ik eens achter haar hoofd gaan kijken?" Ze durft niet goed alleen de ruimte in. Ze wacht tot enkele volwassenen tot achter het statief lopen. Ze knijpt in mijn hand. Ze is gefascineerd door het hoofd en wat er achter dat gezicht zit: "Een ballon!"

 

Cosima, haar zus begint te wenen. Ze is bang. Maria­-Victoria: "Ga jij dan bij de borsten zitten."

 

De ene kiest voor Body Works, de andere voor Behind the Image. Maria-Victoria wil heel lang in de kamer blijven. Ze gaat op de grond zitten om naar het gezicht van 'een half-mens, half-heks' te staren. Ze loopt er iedere keer weer naartoe. "Ik wil alleen in deze kamer zijn." Ze komt dan weer om de hoek om iets te vertellen: "Het mannetje doet gevaarlijk en wil iedereen doen schrikken.  Het hoofd zingt Lalalala. Nu weet  ik zeker dat het een vrouwtje  is. Het mooie is dat je er ook alleen naar kan luisteren." Ze doet haar ogen dicht. "De heks vraagt: Why?"

 

Ik zeg: "Kom de lift in." Cosima heeft genoeg van de stenen mamma.  Op de tweede verdieping lopen ze eerst rond. Ze zijn geïnteresseerd in de kinderen die met iemand van de educatieve dienst van het museum met kleurpotloden op de grond zitten. "Mogen wij mee kleuren?" Maria-Victoria loopt terug. "Ik heb een mooie man gezien. Hoe langer je naar hem kijkt, hoe triester hij wordt."

 

De man blijkt van hout. Het is een werk van Jimmy Durham.

 

Ze zegt: "Het is een man van een andere planeet. Dat zie je want hij zit vol klei. Hij heeft een foto van een lammetje  in zijn hand. Hij wil vertellen dat zijn lam gestorven is." Ze vraagt of de man een naam heeft. Ik kijk op het bordje aan de muur. Ze spelt de letters, ze kan nog maar net lezen: ''J-e-s-u-s".

 

Ze wijst naar de letters op het beeld. "Wat staat hier?"

 

Ik lees luidop: "Es geht um die Wurst."

 

Ze kijkt naar de rood geschilderde penis. "Dat kan Jesus niet zijn. Die had geen penis als een worst.  Ik denk dat deze man wil zeggen dat hij een lammetje geslacht heeft.  Dat hij dat spijtig vindt. Hij heeft een glazen oog. Een spiegeloog. Er komen geen tranen uit, maar toch heeft hij verdriet. In zijn handen zitten gaten."

 

Ik zeg: "Er bestaat een verhaal waarin Jezus van het kruis komt. In die gaten zaten misschien vroeger de nagels."

 

Zij schudt meewarig  het hoofd: "Neen. Jezus kan toch niet van het kruis gekomen zijn. Dat was alleen zijn adem. En zijn adem is in de lucht blijven hangen. Volgens mij is dit gewoon een acteur. Trouwens ... lk weet niet of jij dat weet, maar ik ben al heel mijn leven bang van Jezus en wie weet nu nog altijd."

 

Cosima zit lachend op haar hurken te kijken naar een glazen kist. Het blijkt 'het schokkende' werk waarover aan de balie sprake was. Een hoop vlees wordt machi­naal met een buis gepenetreerd. Maria-Victoria: "Ik denk dat het vlees al heel oud is. Misschien is dit dat geslachte lammetje van die trieste man." Cosima zegt: "Het is alleen een gekke pomp." De kinderen zijn erdoor gefascineerd. Via een kraantje kan men de geur opsnuiven van het werk. Ik moet de kinderen keer op keer optillen om hun neusgaten boven de kraan te houden. Ze krijgen er niet genoeg van.

 

"Ik heb honger," zegt Maria-Victoria. Cosima vraagt:

 

"Mogen we eerst naar de speeltuin?" Met 'de speel­ tuin' bedoelt ze de afdeling die hier MUST heet. MUseumSTart of MUseumSTop. Tussen kleurige stoelen en zetels liggen op een tafel op kindermaat boekjes en plaatjes die naar de werken in het museum verwijzen. Ze willen niet met de plaatjes het museum in. Ze willen even zitten en kleuren. Cosima wil voorgelezen worden. Ze luistert naar Nijntje in het museum. Maria­-Victoria tekent op een blad papier een lammetje.  "Zullen we nu naar de Chinezen gaan zien?"

 

           "Kunst is waaraan je moet werken." (Freek)

 

 

Colin Hendrickx (10)

 

Colin loopt met zijn ouders en zijn broer Kevin langs de collectie van de Koninklijke Musea in het Jubelpark in Brussel. De moeder vindt het nog altijd verwonderlijk. Kevin werd 13 . Omdat hij verjaarde mocht hij zelf kiezen waar het gezin een daguitstap zou maken. Zolang het maar binnen België was. Kevin zei: "Ik wil voor mijn verjaardag eerst naar het Huis van de Toekomst en daarna naar het Museum in Brussel."

 

Ze komen uit Duffel. Colin vindt dat zijn broer een mooi verjaardagsgeschenk heeft gekozen. Het Huis van de Toekomst vond hij niet zo interessant.  In het museum loopt hij blij rond. "Ik zie in het al gemeen wel graag dingen van vroeger."  Dat zijn ouders meegaan, vindt hij handig. "Als ik vragen heb, kunnen zij ze oplossen." Zijn ouders lezen de bordjes bij de kunstwerken.  Het is niet dat zij wekelijks een museum bezoeken. Zijn moeder: "We bezochten het Rubenshuis en enkele grote tentoonstellingen. Als we op vakantie zijn, proberen we tussendoor wel eens een museum te doen. De kinderen vinden het blijkbaar prettig." Vorig jaar zijn ze naar het legermuseum en de autocollecties komen kijken in Brussel.  Colin: "Met de school zijn we naar het Suske en Wiske museum geweest.   Toen ik in het derde leerjaar zat, hebben we met de klas het speelgoedmu­seum bezocht."  Daar heeft Colin het mooiste kunstwerk ontdekt dat hij ooit zag, hoewel het een reproductie was. Colin: "Het was echte kunst. Het schilderij heette De kinderspelen en was van Pieter Breughel. Ik vond het mooi om kinderen te zien in vroegere tijden." Hij herinnert zich nog een ander mooi schilderij uit een schoolboek: "De boerenbruiloft. Ik zou het wel eens in het echt willen zien. Het geeft het gevoel dat je in de tijd kan reizen."

 

"Dit museum vind ik leuk," zegt Colin. Hij loopt leer­gierig door de brede gangen en grote ruimtes waar Egyptische en Romeinse kunst staan. Het langst blijft hij stilstaan bij een koets in Lodewijk XV stijl. "De  koets is mooi om naar te kijken. Ze is zo mooi afgewerkt.  Er staan kleine schilderijtjes op," zegt hij. Zijn moeder: "Colin houdt van mooie dingen. Hij gaat al langer naar de tekenacademie." Colin staart zwijgend naar de koets. Hij loopt er langs. Dan, zegt hij: "Hier schuilt een heel verhaal achter. Misschien heeft Lodewijk nog in deze koets door de wereld  gereisd. Ik probeer me voor te stellen hoe hij in de koets ging zitten.  Ik wil uitzoeken waar hij zijn paarden moest bevestigen. In dit museum zie je dingen uit het dagelijkse leven van andere mensen. Zo'n koets kom ik in Duffel niet alle dagen tegen." Als hij verjaart,  zal hij ook voor een museumbezoek kiezen.

 

Zijn moeder: "Dat hij die schilderijen van Breughel aanhaalde, daar sta ik nu echt van te kijken. We zullen met Colin richting Wenen moeten trekken."

 

           "Als je een tekort hebt aan kunst ga je het leven saai vinden. 

           Omdat je nooit iets ziet dat met liefde is gemaakt."    (Wies)

           "Kunst is iets dat niemand kan nadoen."  (Delphine)

 

 

De tieners van het tatoeage atelier: Clara Engels (14), Yasmine Van Der Heyden (14), Katrien De Hovere (14) en Eva, Flora en Hendrik

 

De tieners kennen de weg in de KMKG van Brussel op hun duimpje. Clara was twaalf toen ze hier voor het eerst enkele dagen een stage doormaakte met de educatieve dienst. 'Valentijn' luidde het thema. "Ik leerde er alles over harten." Intussen is ze 'met' een jongen die toen in haar groepje zat. Flora (15) was vijf toen ze voor het eerst meedeed aan een kinderatelier van het museum. Eva en Katrien waren zes. Ze lopen door het museum alsof het hun tweede thuis is. Clara: "Ik herinner me mijn eerste bezoek aan een museum. Het leek te groot. Ik wist niet waar ik naartoe moest . Ik was een beetje bang voor de bewakers."

 

Ze bezoekt met haar ouders wel meer musea. Intussen heeft ze naar eigen zeggen "ook geleerd hoe het is om me thuis te voelen in een schilderij." Wat ze nooit zal vergeten, is het moment waarop ze voor De Venus van Milo stond, in Italië. "We moesten tussen heel veel volk lang wachten voor we het schilderij konden zien. Eens in de zaal, zag ik het. Achter glas. Gigantisch groot. Ik heb er wel een kwartier naar staan kijken. Ik dacht: Wat heeft zich in het hoofd van deze schlder afgespeeld toen hij dit maakte?"

 

Yasmine vind de Taj Mahal het indrukwekkendste dat ze ooit zag. In haar kamer thuis, heeft ze een eigen kunstwerk:  een nijlpaard uit klei dat ze in de museumateliers van het Koninklijk Museum maakte toen ze tien was. "Het was naar aanleiding van een tentoonstelling over Egypte. Ik heb het nijlpaard toen beschilderd met hiërogliefen." Ze zegt dat ze vroeger in zichzelf gekeerd was. "Maar in het museum heb ik ontdekt dat ik in dingen kan opgaan. Het heeft me zelfzekerder gemaakt." Katrien en haar zus Eva lopen naar de  ateliers van de educatieve dienst en tonen een beeld dat zij ooit maakten.  Flora vindt nog een klein, zelfge­maakt poppenhuis. Ze zeggen dat ze door de museum­ateliers niet alleen anders naar kunst hebben leren kijken, maar het ook meer zijn gaan waarderen.  "je kijkt zelfs anders naar kleur." Clara: "je kijkt naar verhoudingen in schilderijen, hoe dingen gemaakt worden. je wil meer weten over de achtergrond of de cultuur van andere volkeren."  Ze hebben in de ateliers ook 'soortgenoten' ontdekt. Yasmine: "Op school voel ik me als een buitenbeentje." Katrien: "Als we op schoolreis zijn en we hebben middagpauze loop ik al eens een kerk binnen om er een kunstwerk te bekijken.  Mijn klasgenoten vroegen me wat ik in de paasva­kantie ging doen. Ik zei: naar het museum.

 

Ze begrepen er niets van. Sommigen denken dat het echt saai is." Clara: "Ze vinden je al snel een 'streber' of een 'seut' omdat je naar het museum gaat. Maar een museumatelier is tof." Katrien: "Het biedt het grote voordeel dat je meer bij de dingen stilstaat."

 

Clara: "Ik ben mensen wel sneller gaan wantrouwen. je bent het zo gewend geraakt bij ieder schilderij dubbel na te denken, dat je er een levenshouding van maakt."

 

Katrien loopt langs gesloten gordijnen en lange gangen naar het kunstwerk waar ze haar hart aan verpand heeft. Het is een beeld van de Paaseilanden. Het heet Kolossale Figuur. Het dateert uit de periode 1100-1680. Ze zegt: "Dit is de God van de tonijnvissers en van de vruchtbaarheid. Ik word er altijd rustig van. Dat men dit ooit gemaakt heeft en dat ik er zo maar bij kan staan, dat ontroert mij."

 

Clara houdt van het beeld in de Romeinse zaal. Ze zegt:  "Dit is Septimius Severus. Het is indrukwekkend hoe hij hier staat." Het is niet dat de meisjes niet geïnteresseerd zijn in wat er in hun tijd gebeurt. Clara: "Ik vind The Pixies keigoed." Katrien: "Dan zullen we elkaar ook op Rock Werchter tegenkomen."

 

 

Thijs Broes (15)

 

Thijs Broes gaat al tien jaar naar de tekenacademie.  Hij snuis­tert in de boeken van zijn vader die kunstgeschiedenis doceerde. Hij woont in het Limburgse Heusden-Zolder. Musea bezoekt hij zelden. "Wij wonen ver weg van Antwerpen, Gent of Brussel waar de grote tentoonstellingen worden georgani­seerd. Als vijftienjarige is het al een hele onderneming om daar op je eentje te raken." Hij herinnert zich nog wel levendig zijn laatste bezoek aan een museum. "Ik was zeven of acht jaar toen we met de tekenacademie naar het museum van Leopold II in Brussel gingen. Toen we er binnenkwamen kregen we potlood en papier. We hebben ons geamuseerd."

 

                "Kunst, daar kunt ge altijd naar blijven kijken."  (Benjamin)

 

In Frankrijk bezocht hij de expositie van de vrouw die naast hun vakantiehuis een atelier heeft. "Ik vond haar werk erg mooi. Ik hou ervan dat mensen iets in hun werk verstoppen wat je niet altijd vinden kan. Ik ben de expositie een paar keer gaan bekijken." Thuis, in Heusden-Zo lder, bezoekt hij wel eens de kunstgalerij De Mijlpaal. Hij kent de eigenaars via zijn broer. "Als Ivo en Lut tegen mijn broer zeggen: 'We hebben iets nieuws in de galerij', komen we er wel eens op af." Thijs komt het liefst als er niet teveel volk is. "Ik wil rustig tussen de kunstwerken staan."  Hij wandelt langzaam tussen de werken die er nu tentoongesteld worden.  "Het is als een mensenmassa. Je bemerkt iemand en denkt: die wil ik nog terugzien. Met beelden en schilderijen heb ik net hetzelfde. Ik kijk op iets, ik blijf er niet bij stilstaan, maar mijn gedachten raken er niet van los. Ik ga terug. Ik kijk lang. Ik ga een tweede keer terug. Een derde keer en weet:  dit is een beeld naar mijn ziel."

 

Zo staat hij nu bij een beeld van Herman Muys. Een naakte man. Thijs: "In zijn ogen li gt onzekerh eid. De man staat naakt in het leven. Ik heb het afgelopen jaar zelf lang over het leven nagedacht. Wat doen we hier? Wat moet er met ons gebeuren?" Hij wijst naar het beeld. "Ook deze man staat met een been naar voren en is nog niet zeker of hij een tweede stap zal zetten."

 

Op blauwe voeten, blijkt het werk van Herman Muys te heten. Thijs: "Ik had niet op de kleur van zijn voeten  gelet."

 

              "Ik vind alles wat geschilderd is zoals het werkelijk is kunst."  (Sara)

 

Tekst : Anna Luyten  - Foto's: Lander Loeckx

 


MEER DAN EEN EEUW KIND EN KUNST

 

 

Na de goede bedoelingen

 

Je kan er niet meer naast kijken: het kind is (her)ontdekt in onze maatschappij.  Kinderkleding, kindermuziek, kinder-gsm, kinderappelen, kinder­fuiven ... dagelijks vergroot het gamma van producten en activiteiten waaruit kinderen (zelfbewust) kunnen kiezen en waarvoor ze via kinderreclame warm worden gemaakt. Deze dikwijls commerciële aandacht komt honderd jaar na de aanvang van de ontvoogding van het kind. In 1900 zette Ellen Key die ontvoogding in met haar boek De eeuw van het kind, dat het tijdperk van de reformpedagogiek inluidde. De kernwoorden in de benadering van het kind werden een grotere zelf­standigheid, meer zelfwerkzaamheid en leren door doen; het kind kwam centraal te staan (vom Kinde aus). De pedagogische vernieuwingsmodellen van de twintigste eeuw besteedden binnen deze gedachte ook aandacht aan de kinderlijke expressiviteit en de rol van kunst in de opvoeding.

 

Tegelijkertijd kwam in de musea langzaamaan de kunsteducatie op gang. Het doel ervan durfde de afgelopen decennia nog wel eens variëren en was niet altijd zo kindgericht. In de jaren zestig stonden bijvoor­beeld het aantrekken van zoveel mogelijk mensen en het begrijpelijk maken van de kunst voor die 'massa' voorop. In de jaren zeventig had kunsteducatie dikwijls een belerende en moraliserende ondertoon die weinig ruimte liet voor de belevingswereld van het kind; kunst werd ingezet om tegemoet te komen aan maatschap­pelijke en algemeen vormende vragen en kwam zo in de sfeer van het sociaal-cultureel werk terecht. In de jaren tachtig maakte de emancipatie van het kind plaats voor die van de kunstenaar. In de jaren negentig kwam educatie weer bovenaan de agenda. Ze werd gekenmerkt door ideologische (cfr. jaren zeventig)  en economische (cfr. jaren zestig) aandachtspunten en een duidelijke positionering op de vrije-tijdsmarkt. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw speelt de kunsteducatie volop in op het nieuwe (commerciële) belang dat aan het kind wordt gehecht. Kinderen vormen dé nieuwe doelgroep en alle musea hebben een aangepast aanbod om hen te (trachten) bekoren.

 

Beïnvloed door het cultuurbeleid dat binnen de demo­cratiseringsgedachte van de cultuurparticipatie en cultuurcompetentie vraagt om extra aandacht voor de jongste doel groep, laveert het aanbod tussen verpret­parking en een bevoogdende aanpak.

 

Wordt het na een eeuw goede bedoelingen en geslaagde en minder geslaagde initiatieven niet tijd om stil te staan bij de museale aanpak van de relatie tussen kind en kunst? Moeten we niet terugkeren naar het begin en het kind in zijn interactie met de omge­ving/de kunst centraal stellen? Moeten we museale kunsteducatie voor kinderen niet terugbrengen tot de essentie - kunst en kind - en beide serieus nemen? Kunnen we het kind niet voor 'vol' aanzien en het kunstwerk als doel, in plaats van als middel? Moeten we met andere woorden niet het bevattingsvermogen van het kind en de uitstraling van het kunstwerk de tijd geven om op elkaar in te werken?  Is die relatie tussen kind en kunst niet het belangrijkste in de museale context? Moeten we de betekenis van 'educatie' in museale kunsteducatie niet eens aan een nader onder­zoek onderwerpen?

 

                "Kunst is voor iedereen."  (Pieterjan)

 

 

Kunst als doel

 

 

Moet kunst een middel zijn 'ter verheffing van de jeugd' of mag het genieten van kunst een doel op zich zijn? (Anita Twaalfhoven, redacteur van Boekmancohier)

 

Beeldend kunstenaars maken geen kunst voor kinderen in de hoop dat zij hierdoor beter presteren op school, socialer omgaan met ouders en vrienden, emotionele problemen oplossen enz.: kunst wordt niet met een expliciet educatieve doelstelling gecreëerd. Bovendien zou volgens het onderzoek Rapportage jeugd (Zeijl, 2003) cultuurdeelname nauwelijks een effect hebben op de cognitieve, emotionele en sociale ontwikkeling van kinderen: ze gaan er niet beter van leren en ze worden er niet socialer van.

 

Waarom, dan, kinderen en kunst samenbrengen? Als we ons deze vraag stellen, moeten we dringend onder­zoeken of een museumbezoek altijd een formele educatieve doelstelling moet hebben. Moeten we het belang van kunst voor kinderen wel afmeten aan het eventuele effect ervan op hun sociale, emotionele of cognitieve ontwikkeling? Bij volwassenen stellen we deze vraag niet...

 

 

Kunnen kinderen niet gewoon genieten van kunst?

 

Mag het niet gewoon boeiend en geestig zijn? Voor het plezier en de (ont)spanning? Kan kunst niet als doel in plaats van als middel worden 'gebruikt'? Moet een museum niet zijn grootste troef, namelijk de aanwezig­ heid van unieke en authentieke objecten, uitspelen in plaats van de aandacht van de kunstwerken af te leiden om andere vaardigheden te oefenen?

 

Musea moeten zich bewust worden van hun mogelijk­heden en beperkingen, hun sterktes en zwaktes, hun troeven en mindere punten. Op basis daarvan moeten we ons afvragen wat onze taken en verantwoordelijkheden zijn, in dit geval ten opzichte van de verhouding tussen kind en kunst. Een museum onderscheidt zich niet door allerlei (lerende) activiteiten, maar door de nadruk te leggen op de unieke en authentieke objecten die het tentoonstelt en de verhalen  die de objecten vertellen. Het kijken naar en beleven van kunst moet dus centraal staan. Deze invalshoek wordt door het publiek overigens  op prijs gesteld.  Dit blijkt uit recent onderzoek van Letty Ranshuysen in Gent.

 

Kunstwerken spreken toeschouwers aan, ook kinderen. Een kind is niet ongevoelig voor kleur, licht, ruimte, onderwerp enz. Een vierjarige heeft al heel wat geleerd en kan putten uit een uitgebreid referentie­ kader dat hij zelf heeft opgebouwd vanuit zijn sociale achtergrond. leder kind kan kijken naar kunst en de ontvangen prikkels voor zichzelf zinvol interpreteren.  Naar kunst kijken is bewust met beelden bezig zijn. Het is gericht kijken en op zoek gaan naar betekenis. Wat zegt dit kunstwerk mij? Wat kan dit kunstwerk voor mij betekenen?  In de meeste gevallen moet de toeschouwer het antwoord op die vraag zelf construeren op basis van wat hij ziet: kleuren, vormen en materialen. De presentatie van het werk speelt hier eveneens een rol. Dit proces verloopt steeds vlotter naarmate we opgroeien en naarmate we meer erva­ring hebben met kunst-kijken (de onderstaande evolu­tieschets is gebaseerd op de vijf stadia in de estheti­sche ontwikkeling van Parsons en de vijf fasen in de kunstperceptie van kinderen van Gardner).

 

Kleine kinderen bijvoorbeeld zijn simpelweg tevreden met wat ze zien, op voorwaarde  dat het herkenbaar, kleurig en niet te rommelig is. In een volgend stadium wordt vooral veel belang gehecht aan het onderwerp: dat moet mooi en realistisch afgebeeld zijn. Het kunst­ werk valt dan helemaal samen met het onderwerp en krijgt dezelfde kwaliteiten; als er bijvoorbeeld een lelijk persoon op het schild erij staat, is het schilderij zelf lelijk. (Deze esthetische voorkeuren van jongere kinderen komen doorgaans niet overeen met hun eigen werk, dat dikwijls nogal abstract en wild is.)

 

Vanaf een jaar of negen krijgt het kind langzamerhand oog voor de esthetische kwaliteiten van een kunst­werk:  lijn, kleur, oppervlak, licht, schaduw enz. Dit maakt de weg vrij om open te kunnen staan voor de expressie van het werk en af te stappen van de catego­rieën 'mooi en 'lelijk'. Daarbij valt de betekenis niet langer samen met het onderwerp. De betekenis komt nu voort uit de eigen reactie op en interpretatie van de expressie van het kunstwerk.  In dit stadium kan bijvoorbeeld de expressie van abstract werk meer en meer worden geapprecieerd.

 

Het genieten van kunst in een museale context hoeft niet uitsluitend in de kijker - het kind - zelf besloten te liggen. Het kijken naar kunst kan door het museum, de ouders of de leerkracht worden begeleid en omkaderd zodat de beleving wordt verdiept. Kunsteducatie in een museale context moet zich op de begeleiding van het kijken naar en het verrijken van de beleving van kunst richten. Het contact tussen kind en kunst staat voorop en alle activiteiten zijn daarop gericht. Kunst is in een museale context een doel, geen middel.

 

Dat sluit niet uit dat een museumbezoek  geen andere doelen kan dienen. De ervaring in het museum kan in samenwerking  met partners zoals de sociaal-culturele sector of het onderwijs ook in een formeel (kunst)­ educatief traject worden ingeschakeld.  Een museumbe­ zoek kan bijvoorbeeld mits een goede voorbereiding en verwerking in de klas bijdragen tot het bereiken van bepaalde kerndoelen en eindtermen.

 

 

De honderd talen van kinderen

 

Het kind heeft honderd werelden om te ontdekken, honderd werelden om uit te vinden, honderd werelden om van te dromen.  Het kind heeft honderd talen - en nog eens honderd honderd - maar de school en de samenleving stelen er negenennegentig. (Loris Malaguzzi, pedagoog)

 

Laten we hier als musea niet mee schu dig aan zijn; geef kinderen toch gewoon de vrijheid om door een zaal te huppelen en hun favoriete kunstwerk te kiezen. Ga hen niet entertainen noch beleren, maar richt hun kijken en beleven door hen bijvoorbeeld te vragen waarom het ene werk hen aantrekt en het andere hen koud laat, of zelfs afstoot. Neem hen zonder bijbedoe­lingen op in de wereld van de kunst: ze willen er altijd iets over horen en er is genoeg ruimte voor de bege­leider om er iets over te vertellen of een interessante invalshoek aan te bieden.

 

Het samen brengen van kind en kunst in een museum moet draaien rond de wensen en noden van beide protagonisten.  Uit ervaring en onderzoek weten we dat kinderen kunst op een andere manier beleven dan volwassenen.  Voor kinderen is kunst niet elitair, dat woord kennen ze niet. Kunst is hoogstens anders, gek, gekleurd, mooi, stom of lelijk.

 

Kinderen zijn ontvankelijk voor het onbekende en staan open voor nieuwe ervaringen door hun natuurlijke nieuwsgierigheid, waardoor ze in staat zijn om het bijzondere van de kunst te ontdekken. Als museumme­dewerker moeten we danook het leren kijken als doel en effect nastreven en ophouden om kunst te gebruiken als een middel om andere (opvoedkundige) doeleinden na te streven. Succesvolle activiteiten in kunstmusea zijn die activiteiten die gericht zijn op het wezen van hun bestaan, die de link leggen met de inhoud van het museum en de kunst vooropstellen. Succesvolle activiteiten staan in functie van de kunst en vormen zelf een middel, geen doel op zich. Het is aan andere partners (onderwijs, sociaal cultureel werk) om het museumbezoek als een onderdeel op te nemen in het ontwikkelingsproces van kinderen en er verder op te bouwen om opvoedkundige doelstellingen na te streven (kunst als middel). Een museumbezoek wordt dan een kleine rader in het geheel.  Het doel van een museumbezoek op zich moeten we dus zoeken in het verrijken van het contact tussen kind en kunst. We moeten kinderen met museum bezoeken niet per se willen kneden tot cultuurminnende en cultuurcompetente wezens, maar hen beschouwen in het hier en nu: wat is hun beleving nu? Hoe kunnen we die verdiepen? De kennismaking met kunst kan daarom best zo vroeg mogelijk gebeuren en op regelmatige basis worden hernieuwd, zodat het kind in zijn ontwik­kelingsproces in elk stadium zijn artistieke en culturele voorkeuren kan ontdekken en daar plezier en voldoe­ ing uit kan putten. Dit zijn ervaringen die hoe dan ook bijdragen tot het welbevinden van het kind en zo diens brede ontwikkeling kunnen stimuleren.

 

 

KINDEREN EN KUNST ?

 

Acht veel gehoorde bedenkingen

 

Rond kinderen en kunstbeleving circuleren heel wat vooroor­delen en clichés. Ze kunnen het nog niet begrijpen, het is te saai, in musea maken ze alles stuk ... Ouders, grootouders, leraars en iedereen die op de één of andere manier met het fenomeen wordt geconfronteerd heeft wel een aantal vragen. Hieronder acht veelgestelde  vragen.

 

1.  Is kunst sowieso niet al moeilijk, dus zeker voor kinderen?

 

Kinderen kijken en ervaren beeldende kunst op een andere manier dan volwassenen.   Hun referentiekader is beperkter waardoor ze onbevangen en zonder vooroordelen kunnen waarnemen. Volwassenen interpreteren direct en proberen het kunstwerk zo snel mogelijk te 'verstaan'. 'Wat bedoelde de kunstenaar, wat staat er op het naamplaatje, wat is de titel van het werk?'  Onder de zeven jaar kunnen kinderen niet echt abstract denken en kijken ze associatief. Ze hebben soms oog voor details die volwassenen niet zien. Visuele prikkels die kinderen krijgen bepalen mee hoe ze achteraf naar kunst kijken. Dat moet je immers ook leren en oefening baart kunst. Wie van jongs af aan musea bezoekt zal ook een betere kennis hebben van de codes van een museum. Hoe gedraag je je? Hoelang blijf je bij een werk staan?

 

 

2. Misschien is kunst ook wel voor kinderen, maar is het niet te saai?

 

Neen, maar kinderen hebben wel begeleiding nodig. Leer ze zich concentreren en focussen anders zijn ze volledig overdon­derd door het aanbod. Kies in elke zaal één werk en laat ze dat bewonderen. Heel veel musea bieden trouwens hulpmiddelen aan. Kijk ernaar uit en gebruik ze.

 

 

3. Zijn alle onderwerpen in hedendaagse kunst wel geschikt voor kinderen? Het gaat toch dikwijls over seksualiteit en geweld?

 

Beeldende kunst kan je dikwijls op verschillende niveaus lezen en interpreteren. Kinderen hoeven niet altijd alles te begrijpen alvorens ze van kunst kunnen genieten (volwassenen trou­wens ook niet). We hoeven geen onderwerpen uit de weg gaan, maar ze ook niet exp liciet op te zoeken. Kinderen merken trouwens snel dat volwassenen verkrampt reageren en dat werkt alleen maar besmettelijk. Kinderen bekijken de kunst vanuit hun 'werkelijkheidsnabijheid'  en zullen zelf eruit halen wat voor hen bevattelijk is. Belangrijk is consequent te zijn, erover te praten, samen met hen te denken en te voelen. Kunst over geweld kunnen kinderen best samen met volwas­senen bekijken.  Zo kunnen ze het plaatsen in een referentie­kader en ontwikkelen ze er weerbaarheid tegen.

 

 

4. Maken kinderen niet veel stuk in musea? Is het geen risico om met kinderen naar een museum te gaan?

 

Neen, integendeel: vandalenstreken gebeuren bijna altijd door volwassenen. Wanneer een kind iets beschadigt gebeurt dit bijna altijd per ongeluk. Kinderen zijn wel nieuwsgierig. Geef ze iets in handen dat ze mee kunnen nemen tijdens het museumbezoek.

 

 

5. Is het niet goed dat kinderen na een museumbezoek zei een 'kunstwerkje' maken?

 

Niet noodzakelijk. Het proces van creativiteit en het verwerken van alle impulsen is belangrijk. Het unieke van een museum is de aanwezigheid van originele kunstwerken en authentieke objecten. Volwassenen, de school of de familie verwachten van het kind dikwijls na een museumbezoek een afgewerkt creatief product, een soort bewijs dat men een museum heeft bezocht. De culturele sector en de musea creëren deze verwachtingen soms zelf door het aanbod van creatieve-doe­ ateliers na een museumbezoek.  Het kan natuurlijk maar het hoeft niet altijd.

 

 

6. 'leder kind is een kunstenaar. De moeilijkheid is er één te blijven als je groot bent,' beweerde Picasso.

 

Kinderen zijn creatief en vindingrijk maar omdat ze niet bewust creëren zijn het geen kunstenaars. Het kind als kunstenaar is een romantische gedachte en de museumsector moedigt dit soms wel aan. Wanneer kinderen een tentoonstel­ling maken is de methodiek hoe je tot een tentoonstelling komt zeker zo belangrijk.

 

 

7. Is zo'n museum bezoek met kinderen of een deelname an een educatief project zinvol?

 

Sommige mensen vragen zich af of museumbezoek met kinderen en jongeren wel een meerwaarde heeft. Musea en de inzichten rond kinderen en kunst hebben de laatste twintig jaar een hele evolutie doorgemaakt. Waar vroeger de nadruk lag op cogniteve overdracht (wie, waar, wat, wanneer) en op de ontwikkeling van kennis rond stijlen is er nu meer aandacht voor persoonlijkheidsontwikkeling en hoe kunst hierin een rol kan spelen.

 

 

8. Moet kunst altijd getoond worden in een museum?

 

Neen, er bestaan heel wat initiatieven die een kunstaanbod hebben buiten de musea. Zie artikel bladzijden 14-15.

 

 

Musea en kinderen

 

De educatieve diensten van bijna alle musea hebben programma's voor kinderen en jongeren. De meeste zijn ontwikkeld om in groep (met de klas) het museum te verkennen. Rondleidingen op verschillende kinder­maten zijn er in overvloed. Zoektochten doorheen de musea zitten steeds vaker in het aanbod. Even talrijk zijn kinderateliers en creatieve workshops, ook buiten de schooltijd.

 

Kunst op een prettige manier beleven staat centraal in diverse museum­spellen. Zo is er MUST (wat staat voor MuseumSTart en MuseumSTop) waar Floris woont, een stripfiguurtje dat alles afweet over het MuHKA.

 

In de schatkist van MUST vinden de jonge bezoekers  allerlei museumspellen waarmee ze de wereld van de hedendaagse kunst ontdekken. Het MuHKA past voor elke tentoonstelling de spellen aan. Verkleedpartijen doen het altijd bij het jonge volkje. In het Provinciaal Archeologisch Museum te Velzeke kunnen kinderen dierenhuiden aantrekken, veelkleurige weefsels van Kelten, tunica en stola. Het is geen vaudeville of carnaval, want het achtergrondverhaal is altijd duide lijk aanwezig.

 

Boeiende educatieve modules distilleren uit de collectie, dat is wat ook het Design Museum Gent doet. Zo is er voor kleuters het verhaal van Maja die op zoek gaat naar een mooie en gezellige kamer om in te wonen en op haar tocht een tafel met vijf poten tegenkomt. Andere verhalen gaan over klokken (het museum bezit nogal wat prachtexem plaren), vazen (met een dikke buik of een lange hals), stoelen, geheim­zinnige symbolen ...

 

Meer en meer musea bieden gidsjes aan waar kinderen alleen of samen met hun (groot)ouders mee aan de slag kunnen. Bijzonder geslaagd is de kidsgids van het Provinciaal Galla-Romeins Museum in Tongeren. Het is een mooi uitgegeven publicatie - een echt 'werk'boekje met teke­ningen en klevertjes - die uitnodigt op een reis door de tijd.

 

Voor individueel bezoek van gezinnen met kinderen bieden vele musea audiogidsen aan. Recent maakte het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen een audiotour voor kinderen van acht tot twaalf jaar. Het is Rubens himself die hen meeneemt langs kunstwerken van de vijf­tiende tot de twintigste eeuw.

 

Zowel in het museum als in de klas kan de kleuterkoffer 'Kunstkapoentjes' gebruikt worden.  Het is een samenwerking  tussen de Oost-Vlaamse musea die moderne kunst in huis hebben: SMAK, Museum Roger Raveel, Museum van Deinze en de Leiestreek, Museum Dhondt­ Dhaenens en Stedelijk Museum Oud-Hospitaal Aalst.  Elke koffer bevat een kijkwijzer, foto's van kunstwerken, een prentenboek, een poppen­spel, een memoryspel en een materialendoos. Het is leuk spelen met de kleuterkoffer.

 

Een volledig overzicht van het educatief aan bod van de musea is te vinden op www.tento.be, de webstek van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.

 

Een koning en een koningin hadden een fijn leven.

 

Ze knipten linten door, spraken het volk toe, keken verdrietig als er iets treurigs gebeurde en lachten als er goed nieuws was.  Ze genoten er erg van dat ze zo belangrijk waren. Om  og belangrijker te lijken, besliste de koningin enkel nog in rijm te spreken. Dat klonk voornaam, vond ze, en als  het niet rijmde, was het de moeite niet waard!

 

De koning veranderde op slag in een zwijgzaam man, terwijl hij vroeger graag grappen en grollen verkocht.

 

In het paleis ging het er nu zó aan toe:

- Mijn liefste beste gemalin, in slapen krijg ik stilaan zin.

- Ach mijn lieve moede stakker, ik ben echt nog veel te wakker.

 

Dan wist de koning niks meer te bedenken en hij wachtte bedeesd tot zijn vrouw ook naar bed wilde. Soms maakte hij  ook rijmen die niet helemaal klopten. Of hij kraamde onzin uit, om het toch maar te laten rijmen.

- In een droge spons zit weinig vocht, daar vliegt een auto uit de bocht.

 

Op een dag gleed hij uit in het reuzegrote bad van het paleis en dreigde te verdrinken. Net voor hij kopje onder ging, bedacht hij een geschikte zin:

- Ik kom gekropen uit mijn schulp, en roep mijn gemalin om hulp.

 

Eigenlijk zwegen de koning en de koningin op den duur nog liefst van al.  De  koning wilde graag voor altijd zwijgen en zocht een paar goede zinnen om de koningin daarvan te overtuigen.  Hij werkte een week aan een kort gedicht dat hij  op een mooie avond voor haar opzei.

- Mijn  zeer beminde koningin, in praten heb ik zelden zin,

  waarom zitten wij niet gewoon stil als het landschap op de troon?

 

Hoe het verderging?

 

De  koning en de koningin zijn naast elkaar gaan zitten. Ze genoten van hun eigen gedachten, niet op rijm.

 

De lakeien merken hen niet meer op, zo volkomen is de stilte om hen heen.

 

Dit verhaal van Paul Verrept bij Koning en koningin, een beeld van Henry Moore, is te horen op de audiogids voor kleuters van WoordenWoud, een project van het Openluchtmuseum Middelheim en het Nationaal Centrum voor Jeugdliteratuur.  In het WoordenWoud zoeken kinderen hun weg langs dertig beelden  in het museumpark, met bij elk kunstwerk een verhaal of gedicht. Er zijn routes voor kleuters, kinderen jonger dan twaalf jaar en jongeren ouder dan twaalf jaar. Ze kunnen zowel in groep als individueel op verkenning.

 

In het najaar brengt CANON Cultuurcel ook een denk­ document bij dit project uit met verhalen, tips en ideeën van kinderen, volwassenen en begeleiders.

 

 

Kunst komt naar je toe

 

Kunst proeven hoeft niet altijd binnen museummuren.

 

Het kan even goed op straat, in parken of openbare gebouwen.  En kunst kan ook zelf op stap gaan.

 

Om zoveel mogelijk kinderen met hedendaagse kunst in contact te brengen, reist RASA al elf jaar lang met mobiele tentoonstellingen langs de diverse culturele centra in Vlaanderen. De kunsteducatieve organisatie biedt kinderen van vier tot veertien de kans te genieten van originele, kwaliteitsvolle hedendaagse kunst. Elk project laat stapsgewijs  kunst smaken en beleven.

 

De actieve beleving wordt gestimuleerd door de educatieve mate­ rialen die in de scenografische opstelling verwerkt  zitten en een vlotte overgang tussen kijken en doen, tussen im pressie en verwerking toelaten. De projecten prikkelen de kind eren tot het verwoorden van wat ze denken of ervaren bij het zien van de kunstwerken.

 

Praten over kunst is ook luisteren naar elkaar. In en door het gesprek krijgt het kunstwerk zijn betekenis. De begeleider treedt hierbij op als intermediair. Vertrekkend van de ervaringshorizon, het ontwikkelingsniveau en de belangstelling van het kind, creëert hij een ontvan­kelijk klimaat, wakkert betrokkenheid aan, lokt confrontatie uit en reikt middelen en vaardigheden aan.

 

Belangrijk zijn de actieve verwerkingsmomenten in de vorm van kunsteducatieve spelen. Het is geen atelierwerking,  het zijn kleine actieve interventies die het kijkplezier verhogen en de beleving verrijken. Ze laten toe een deel van het creatieproces van de kunste­ naar te herbeleven en al spelend de denkinhouden van de kunste­naar te ontdekken.  Probleemoplossend en verbindend denken zijn hierbij essentieel, net zoals de interactie met de originele kunst­ werken een duide jke meerwaarde  betekent. Indrukken opdoen, reflecteren en verwerken, vervloeien zo op natuurlijke wijze tot een handelend begrijpen.

 

Kunsteducatie houdt niet op aan het einde van het tentoonstellingsbezoek. RASA biedt leer­krachten een naverwerkingspakket aan om kunst en de in de tentoonstelling aan bod gekomen thema's vakoverschrijdend te integreren in de klaspraktijk.  Dat materiaal is ook los van de tentoonstellingen te gebruiken.

 

De uitspraken van kinderen over kunst, die kris­ kras in deze speciale bij lage zijn uitgestrooid, komen uit 'Buiten de lijnen', een publicatie die RASA in 2003 realiseerde ter gelegenheid van zijn tiende verjaardag.

 

Info: www.rasa.be.

 

 "Iets wat niet mooi is, kan ook kunst zijn ."  (Jenthe)

 

 

CANON

 

CANON, de Cultuurcel van het departement Onderwijs, wil een bruggenbouwer zijn tussen de werelden van cultuur en onderwijs en zo cultuur een actieve plaats geven in de school. Dit gebeurt onder andere door goede voorbeelden uit de praktijk te ondersteunen, publicaties zoals deze te verzorgen en vruchtbare ideeën uit te wisselen. Terugkerende en jaargebonden projecten garanderen een gevarieerd en dynamisch cultuuraan bod. Voor  meer  cultuur op school biedt de nieuwe website van CANON Cultuurcel een schat aan informatie: www.ca oncultuurcel.be. Daar vindt u ook een uitgebreide databank van kunstenaars en prganisaties die met uw school mogelijk aan de slag kunnen in velerlei projecten. 

 

CANON Cultuurcel, departement onderwijs, Koning Albert II laan 15, 1210 Brussel, tel. 02/553 96 63, canon@ond.vlaanderen.be

 

 

Against Video, Babetto, Barba Rosa, Behind the Image, Bergachtig Landschap, Body Works, Bolinder3, Boulanger Hippolyte, Breughel Pieter, Bril P., Buyl Hendrik, Ch. Wildens., Cirkelrond7, Cuyp Jacob Gerritz., De boerenbruiloft, De Buck Siegfried, De Clercq Anouk, De Groeiende ladder, De Kinderspelen, De Mijlpaal, De Momper Joos II, De nederlaag van Sennacherib, De terugkeer uit Egypte, De Venus van Milo, De vlucht van Keizer Nero, Delvaux Paul, Demosthenes, Drie kinderen van Sebasteaan Francken en Jacob Mijna van Casteren, Du Wang, Duchateau Hugo, Durham Jimmy, Empty Black Space4, empty square, Female Sensibility, Flugmaschine, Grönlund Tommi, Heda Willem-Claesz, Hermintage, Hess, Home Movies, Huycke David, Jegher C., Jesus, Key Ellen, Khnopff Fernand, Kolossale Figuur, Koning en Koningin, Landschap met dansende herders, Landschap met de Vlucht naar Egypte, Landschap met Psyche en Jupiter, Lombard Lambert, Luyten Anna, Marcelis Karl, Moore Henry, Morawe Volker, Muys Herman, Nisunen Petteri, Noisefields, O'Reilly Michael, Op Blauwe Voeten, Oursler Tony, Paik Nam Juin, Pain Station, Patinir Joachim, Pearl Bol, Portret van Henry de Waelmont, Reiff Tilman, Rubens en zijn eerste echtgenote, Rust op de vlucht naar Egypte, Saey Peggy, Sauwen Rik, Schenking Mathys-Vanneste, Schülke Björn, Shaw Jeffrey, Soutman P., Square Flower, Studies in Myself, Suzanna en de Ouderlingen, Tah Mahal, Talbot House Poperinge, The legible city, Tsaar Nicolaas en Alexandra, Tyne Cot Cemetary, Ultrrasonic, Van Eeckhaut Marijke, Vanvaeck Mark, Verrept Paul, Verstraete Louis, Vorsterman L., Vranckx Sebastiaan, Witdoeck H., Wouters Peter, Wuyts Eva, Zentrum für Kunst und Medientechnologie (ZKM), zilver, toegepaste kunst, OKV2004, OKV2004.2.1