U bent hier

Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw

Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw
D. Santvoort, Burgemeester Dirk Basz Jacobs van Amsterdam met zijn gezin in 1635, Rijksmuseum, Amsterdam.

 

Terwijl de Spaanse Nederlanden in de zeventiende eeuw een onopvallend bestaan leidden, trok de nieuwe republiek in het Noorden aller aandacht. Het was dan ook opmerkelijk dat temidden van de naar steeds groter absolutisme neigende buurlanden, waar centralisering van de macht haar beslag kreeg, dit gebied een tegengestelde ontwikkeling doormaakte. De zeven gewesten van de republiek hadden zich aaneen gesloten, maar daarmee was eigenlijk alles gezegd. Een van hun belangrijkste zorgen was het bewaren van ieders voorrechten en de Staten Generaal leken dan ook meer op een congres van een aantal zelfstandige staatjes dan op een vergadering van afgevaardigden van een land. Bovendien bestond er in deze republiek nog een stadhouder, een prins, die geen duidelijk omschreven functie had.

 

Al was hij dan leider van vloot en leger en al had hij het recht van benoeming in stadsbesturen en recht van gratie, het was nog niet vanzelfsprekend dat hij al deze functies ten volle zou uitoefenen of dat zijn zoon deze waardigheden ook zou bekleden. Bovendien stonden niet alle gewesten onder dezelfde stadhouder, want in de Noordelijke gewesten was een zijtak van de Oranjes aan het bewind. De gewesten zagen hem als een functionaris, die aan hen verantwoording schuldig was, maar van hun kant trachtten de Oranjes hun positie te verstevigen en de macht van een vorst te bereiken.

 

De gewesten hadden hun eigen Staten, vergaderingen, waarin de regerende groeperingen vertegenwoordigd waren. De samenstelling kon verschillen: in Holland en Zeeland, de belangrijkste gewesten, hadden de stedelijke besturen een overwicht, in de Oostelijke gewesten de adel. Het grote aantal steden met hun handel en nijverheid was kenmerkend voor het Westen van het land, maar in het Oosten werd vooral landbouw en veeteelt beoefend en de adel had er nog zijn oude heerlijke rechten behouden. Wat het katholieke Zuiden betreft, dit gebied werd na de definitieve verovering rechtstreeks vanuit Den Haag door de Staten Generaal geregeerd. Dit waren de Generaliteitslanden. Ook het landschap Drenthe had geen vertegenwoordiging in de Staten Generaal.

 

Wat betekende het woord vertegenwoordiging in deze tijd? Er is wel eens berekend, dat op een bevolking van ruim twee miljoen ongeveer tweeduizend mensen, de regenten, in regeringscolleges en andere organen de beslissingen namen. Toch was deze groep hoe klein zij ook leek, zeker in het begin van de eeuw, opener en soepeler in haar optreden dan in het buitenland kon worden aangetroffen.

 

Ook had de regerende laag rekening te houden met een behoorlijk geletterde bevolking en een publieke opinie, die zich uitte in pamfletten en kranten. Deze stedelijke oligarchieën ('regering van weinigen') die aanvankelijk via een huwelijk of door succes in de handel voor buitenstaanders toegankelijk bleven, sloten zich in de loop van de eeuw sterker af. Het nepotisme (begunstigen van familieleden) en de intriges rond het verwerven van ambten namen toe. De levensstijl veranderde: de soberheid verdween, buitenhuizen en buitenlandse titels werden begeerde zaken en de regenten gingen hun geld beleggen in plaats van actief aan de handel deel te nemen. Hun invloed in het stedelijk leven was enorm en tallozen waren van hen afhankelijk voor wat de materiële kant van hun leven betrof. In 1672 leek het even of in deze situatie verandering zou komen.

 

Na ruim twintig jaar 'ware vrijheid', dat wil zeggen regentenheerschappij zonder een stadhouder, met de onkreukbare De Witt als raadspensionaris, kwam Willem III aan het bewind. Hij vergrootte zijn macht ten opzichte van de steden maar gebruikte de bestaande verhoudingen slechts ten eigen bate zonder er iets aan te veranderen.

 

De burgerij, die steeds verder van de regenten af kwam te staan, aanvaardde deze regering, die immers een redelijk succes had. Alleen in tijd van crisis, zoals in 1672, trachtte ze een rol te spelen in het bestuur.

 

Naast deze stedelijke interessesfeer stond de internationaal uitwaaierende handel, waaraan de republiek haar bestaan te danken had en die de Nederlandse schepen over de hele wereld bracht. De oudste en belangrijkste was de 'moederhandel' naar de landen rond de Baltische Zee, waarvandaan het graan kwam, dat het land kon vrijwaren van hongersnood. Dan was er de handel op de Middellandse Zee en natuurlijk de vaart op Indië. Ook de handel op de vijand, de wapenhandel en de kaapvaart waren winstgevend. Nauw verband hiermee hield de opkomende nijverheid, waarin immigranten - vooral uit het Zuiden - eveneens een grote rol speelden.

 

Een stad als Leiden kon tot de grootste industriesteden van Europa gerekend worden, waar veertigduizend arbeiders werk vonden. Deze grootindustrie verzwakte wel de positie van de gilden, die in deze tijd geen politieke invloed hadden.

 

Natuurlijk rijst de vraag of deze expansie van handel en nijverheid, waardoor de steden bloeiden, iedereen ten goede kwam.

 

De keerzijde van deze schitterende medaille vertoont een groot aantal paupers, die moesten leven van de bedeling en van wat het toeval verschafte. Al viel buitenlanders het ontbreken van bedelaars op en waren ze verbaasd over de grote armenhuizen, deze voor de zeventiende eeuw zeer ontwikkelde armenzorg betekende geen oplossing voor het probleem. Het kwam zelfs voor dat een kwart van de bevolking van een stad armlastig was. Ook de sociaal daarboven staanden hadden het moeilijk. De 'kleine luyden' voelden de steeds hoger wordende huishuren en de hoge belastingen op eerste levensbehoeften aan den lijve.

 

De godsdienst had een grote plaats in het leven van de bevolking. De strijd om de 'ware religie' had de opstand van de vorige eeuw tot gevolg gehad. Toch was het slechts een minderheid geweest die het gereformeerde geloof beleed. De protestantisering was sterk afhankelijk van sociale omstandigheden die de armeren onder materiële pressie eerder dan het regentenpatriciaat tot een bekering brachten. Nog rond 1650 was iets minder dan de helft van de bevolking katholiek en vooral op het platteland beleden vele ambtsdragers, niettegenstaande de verboden, die godsdienst, terwijl in de steden aanzienlijke families wegens hun katholicisme buiten de ambten werden gehouden. Het leven werd door deze realiteit beïnvloed en de twee gemeenschappen groeiden niet naar elkaar toe. Maar de gereformeerde kerk bereikte nooit de status van staatskerk, al streefden de predikanten dit doel wel na. Hoogstens kan men zeggen, dat deze kerk bij de overheid een streepje voor had.

 

De autoriteiten stonden slechts één keer, in 1618 tijdens het Bestand, een Nationale Synode toe, die bovendien beheerst werd door politieke motieven in een sfeer van burgeroorlog. Toen reeds bleek de tegenstelling tussen de vrijzinnige regeerders en de gelovigen, die zich achter hun predikanten hadden geschaard. Al steunde de stadhouder Prins Maurits, op deze laatste groep om er politiek gebruik van te maken, Oranje heeft zich nooit geïdentificeerd met een religieuze partij.

 

De bovengenoemde tegenstelling was ook een sociale, want de dominees waren veelal uit een andere sociale laag afkomstig dan de regenten. Wat de stadsregeringen wilden bereiken was een nauwlettende controle, zodat de predikanten zich niet met politiek konden inlaten. De regenten hebben ook zelden de scherpe verordeningen, die de katholieken vrijwel het leven onmogelijk maakten, naar de letter uitgevoerd. De katholieken bleef het vergund, zij het tegen betaling van flinke sommen, hun godsdienst in het verborgene uit te oefenen. Ook andere groeperingen profiteerden van deze voor Europa unieke toestand, dat twee religieuze gemeenschappen in een staat samenleefden. Vele protestantse secten vonden in de republiek een toevlucht en ook de Joden moeten hier genoemd worden, die, vooral gevestigd in Amsterdam, een grote bijdrage hebben geleverd aan het economisch en cultureel leven.

 

Deze staat zonder eigenlijk hoofd, zonder werkelijke regering in de huidige zin van het woord, speelde in de zeventiende eeuw een prominente rol in de Europese politiek.

 

De regenten van de Hollandse steden, Amsterdam voorop, bepaalden eigenlijk welke beslissingen zouden worden genomen en vaak ging dat in tegen wat de stadhouders wilden. Maar de strijd tegen Spanje, officieel afgesloten met de vrede van Münster in 1648, en daarna de steeds duidelijker wordende vijandigheid in de betrekkingen met de Franse koning Lodewijk XIV, uitgekristalliseerd in de positie van de Koning-stadhouder Willem III als leider van de anti-Bourboncoalities, deden toch iets van saamhorigheid in het nieuwe land ontstaan. Door de ene taal die men sprak, de gezamenlijk gedreven handel, de opvoeding, kwam er ondanks alle verdeeldheid een gevoel van nationaal bewustzijn op. De zeven gewesten begonnen ondanks de vele interne wrijvingen naar een eenheid te groeien. De scheiding van zeventien provincies van het Habsburgse rijk in de vorige eeuw was toevallig geweest en de grens tussen Noord en Zuid bleef in de eerste helft van de eeuw op en neer gaan. Spanje accepteerde de splitsing ook niet zo maar. Al regeerden nu de dochter van Philips II, Isabella en haar man Albert als onafhankelijke vorsten, het Zuiden bleef Spaans.

 

De poging van de Spaanse koning om door deze manoeuvre het noorden terug te winnen mislukte en de grote zitting van de Staten Generaal in 1600 was er slechts een van de tien Zuidelijke provincies; het Noorden bezette de klaarstaande stoelen niet. Deze Zuidelijke Staten Generaal kwam in de zeventiende eeuw nog één maal bijeen, maar had geen feitelijke macht. Ook de Staten der provincies konden de souvereinen soms wel in hun handelen vertragen maar hadden geen deel aan de regering. Daar kwam nog bij dat in deze lichamen de grote steden de kleine overvleugelden. Wel een verschil met het Noorden waar achttien grote én kleine steden in Holland regeerden.

 

De regering in het Zuiden stond in het teken van de centralisatie, want de katholieke monarchie ging de weg van alle Europese staten. Een aantal raden te Brussel, waarin Spanjaarden en Zuidnederlandse functionarissen samenwerkten, voerde het bewind, en de vorsten maakten overvloedig gebruik van hun soevereine macht in de wetgeving. Ook de bestuurders van de steden, eens zeer zelfstandig en machtig, werden nu door de centrale overheid aangesteld. Albert en Isabella volgden ten opzichte van Spanje, al bleven ze trouwe bondgenoten, wel een onafhankelijke politiek in die zin dat zij de Spaanse koning vaak voor voldongen feiten stelden. Het bestand van 1609 met de Noordelijke Nederlanden was zo tot stand gekomen, ondanks tegenkanting van Madrid en Rome. Het echtpaar, dat goede bestuurlijke kwaliteiten had, wist een zekere populariteit te bereiken, maar kon door voortdurende geldnood niet veel tot stand brengen.

 

Bij de onderhandelingen met het Noorden in 1632 bleek heel duidelijk dat het Zuiden de uitoefening van de katholieke godsdienst en in zekere zin de eigen identiteit voorop stelde. Dit katholicisme, de staatsgodsdienst, was gezuiverd door de bepalingen van het Concilie van Trente in de vorige eeuw, die ook in de Nederlanden hun uitwerking niet hadden gemist. Misbruiken in het kerkelijk bestuur waren teniet gedaan, seminaries opgericht en de Jezuïeten hadden een groot aantal opleidingsinstituten gebouwd. In een halve eeuw kwamen meer kerken dan burgerlijke gebouwen tot stand. Het Zuiden waar tijdens de opstand zich de meeste protestanten bevonden, werd geheel gerekatholiseerd en door vele bepalingen werd het de protestanten onmogelijk gemaakt er zich te vestigen. Als zij het dan toch deden, schijnt hun overigens weinig in de weg gelegd te zijn, indien zij zich onopvallend gedroegen.

 

De hernieuwing van het godsdienstig leven in contrareformatorische zin kwam ook tot uiting in de oprichting van de vele broederschappen ter verering van Maria, waarin allerlei sociale categorieën samenkwamen, in tegenstelling tot vroeger, toen verering van heiligen gildegewijs geschiedde.

 

Ook waren velen bereid met ijver aan de missie, onder andere in de Noordelijke Nederlanden, deel te nemen. Het vernieuwde katholicisme was geen gesloten eenheid: de tegenstellingen rond de hervormingspogingen van de Jansenisten en de twisten over de universiteit van Leuven waren hiervan een bewijs. Het centrale bewind bleef echter de touwtjes strak in handen houden zoals door het benoemingsrecht van de bisschoppen en van de abten van het toenemend aantal kloosters.

 

Na de dood van Albert kwam het gebied weer direct onder het zeer in verval geraakte Spanje, al mocht Isabella tot haar overlijden in 1633 als landvoogdes blijven optreden. Onbekwame gouverneurs waren daarna, mede door de tegenwerking van Madrid, niet in staat de bevolking te verdedigen tegen de regelmatige invallen van de Republiek uit het Noorden (tot de vrede in 1648), die maakte dat men haar als de vijand ging beschouwen in plaats van de Spaanse overheid, en vooral niet tegen de stroop- en veldtochten van de Fransen uit het Zuiden. De Republiek en Frankrijk kwamen in 1635 overeen het land onderling op te delen. Zover kwam het niet want de Noordelijke buur kreeg tenslotte belang bij het voortbestaan van de bufferstaat tussen hemzelf en de expansieve Lodewijk XIV.

 

Toch wist Frankrijk in de tweede helft van de eeuw grote delen van het Zuiden van de Spaanse Nederlanden in bezit te krijgen.

 

Hoe was het mogelijk dat de onderdanen in deze omstandigheden de regering niet afvielen? Allereerst waren er vele Zuidnederlanders in het Spaanse bestuur, waar zij hoge posities wisten te bereiken, zoals Pierre Roose en later Jan van Brouchoven, graaf van Bergeyck, een groot financieel deskundige. Daarenboven handhaafde het steeds zwakker wordende bewind de godsdienst en de privileges waar vooral in Brabant strak de hand aan werd gehouden. Het hof te Brussel oefende een grote aantrekkingskracht uit en hoe meer de notabelen de voordelen van dit bestuur ondervonden des te sneller waren zij bereid de vreemde oorsprong ervan te vergeten.

 

Daar zij bovendien door de verwerving van adeltitels hun status konden verhogen en naast de machteloze oude adel kwamen te staan, verdween ook op deze wijze onvrede. Men kon zelfs ambten kopen die vroeger niet bereikbaar waren. De bevolking merkte eveneens de aanwezigheid van de Spanjaarden. Want het leger met zijn eigen bestuur kon aan het muiten slaan, maar ook een waarborg zijn voor orde en rust. Toen er in 1659 onlusten in Antwerpen waren over belastingmaatregelen, hoefde er maar gedreigd te worden met het leger, dat buiten de poorten lag of de gilden bonden in. In 1699 werd Brussel gewapenderhand bezet toen de landvoogd de situatie niet langer kon beheersen.

 

Economisch gezien was de zeventiende eeuw voor de Zuidelijke Nederlanden een tijd van herstel na de verwoestingen van de vorige eeuw. Al werden de steden minder belangrijk, zij maakten een tijd van gestadige groei door, waarbij de aartshertogen deze trend bevorderden door bijvoorbeeld zoveel mogelijk de emigratie naar het Noorden tegen te gaan. Wel was de Schelde definitief door de Republiek afgesloten, maar de handelsrelaties met Spanje en Italië waren gebleven en de riviervaart en de havens van Vlaanderen namen de rol van Antwerpen gedeeltelijk over. De nijverheid op het land herstelde zich voor het grootste deel en men trachtte het actieve Noorden - zonder veel succes overigens - te beconcurreren. Het is opvallend dat de adel aan deze ontwikkeling van handel en nijverheid deelnam, na zich ervan verzekerd te hebben, dat dit geen statusverlies zou betekenen. Pas in 1690 kwam een kentering, die het zuiden ook economisch ontredderde. Het einde van de zeventiende eeuw bracht tevens het einde van het Spaanse bewind.

 

E.O.G. Haitsma Mulier,

Wetenschappelijk medewerker aan het Historisch Seminarium van de Universiteit te Amsterdam