U bent hier

Museum voor Schone Kunsten in Gent - Maeterlinck ontmoet Minne

'The Blue Bird about to Fly' door Frederick Cayley Robinson in The Blue Bird Methuen, Londen,1911.

 

Honderd jaar geleden won Maurice Maeterlinck de Nobelprijs voor literatuur. In de Sint-Pietersabdij staat zijn toneelstuk L’Oiseau bleu in de kijker. Het Museum voor Schone Kunsten brengt Maeterlinck en George Minne dichter bij elkaar. 

 

 

Olympisch goud

 

Maurice Maeterlinck (1862-1949) was een Franssprekende Gentenaar uit de gegoede katholieke bourgeoisie. Alles wat hij, met bijzonder veel succes, aan het witte blad toevertrouwde, zou hij in de taal van Baudelaire schrijven. En toch zou Maeterlinck zichzelf steevast als een Vlaams auteur beschouwen.

 

De talenten van de schrijver uit Gent bleken reeds op jeugdige leeftijd. Hij was zevenentwintig toen zijn eerste dichtbundel Serres chaudes en het eerste toneelstuk La Princesse Maleine verschenen. De debutant werd meteen bejubeld in Le Figaro. Maeterlinck was een instant succesverhaal. Het knappe is dat zijn renommee tijdens zijn leven nauwelijks aan glans zou inboeten.

 

Maeterlinck was daarenboven een student rechten - gortdroge materie, wars van alle dichterlijke vrijheid. Hij mocht zelfs de titel van doctor in de rechten voeren. Blijkbaar was dat niet waar zijn hart lag. Emile Verhaeren, die andere grote Vlaamse poëet met de onafscheidelijke pijp, en Maeterlinck dongen rond 1900 samen naar de Nobelprijs. Ze stonden in 1909 en 1910 broederlijk naast elkaar op de longlist, maar het was Verhaerens jongere collega die in 1911 de Olympus mocht betreden. 200.000 goudfrank nam Maeterlinck in ontvangst, maar hij weigerde mordicus om de oorkonde persoonlijk af te halen. Een geveinsde breuk aan de hand hield hem van het Zweedse schouwtoneel.

 

In 1932 verhief men de man in de adelstand. Zijn theaterstukken werden in Parijs, Berlijn, Moskou en New York opgevoerd. Hij was nagenoeg een levende legende, maar de grillen van de geschiedenis speelden een vilein spel. Als enige Belg in de geschiedenis het olympisch goud van het schrijversambacht binnenrijven en iets meer dan een halve eeuw later goeddeels vergeten zijn: het kan verkeren.

 

 

Le grand poète des grandes douleurs

 

George Minne (1866-1941) werd eveneens in Gent geboren. Ook hij kwam uit de gegoede klasse, maar moet eerder in een sociaal bewogen milieu gesitueerd worden. Vanaf 1879 was de jongeman aan de Gentse academie ingeschreven. Hij volgde er – onder druk van zijn vader - een voorbereidende opleiding architectenstudies. Die opgelegde richting bleek niet echt naar zijn zin te zijn, want Minne wilde tekenen en beeldhouwen.

 

Het begin van Minnes artistieke loopbaan bleek geen onverdeeld succes te zijn. Slechts enkelen waren gewonnen voor zijn beelden. Emile Verhaeren, naast een voortreffelijk dichter ook een scherpzinnig kunstcriticus, was overtuigd en wijdde een stuk aan diens sculpturen in L’Art Moderne. Minne volgde zijn innerlijke kunstenaarsziel en vervaardigde beelden met een persoonlijke toets. Hij beleed een eigen variatie op het symbolisme, met karakteristieken die op het expressionisme vooruitliepen. Verhaeren stond niet helemaal alleen met zijn bewondering voor Minnes aangrijpende kunstwerken. Maeterlinck  voelde in Minne het ‘instinct de la douleur’ en noemde hem in zijn opdracht in Serres chaudes ‘le grand poète des grandes douleurs’. Zelden heeft een criticus het universum van Minne kernachtiger getypeerd.

 

 

De ontmoeting

 

Maeterlinck en Minne behoorden tot een uitzonderlijk getalenteerde generatie. Denken we maar lukraak aan collega’s als Verhaeren, Henri Ramah, Victor Horta, Théo Van Rysselberghe, Henri van de Velde en Léon Spilliaert. Niemand - zeker creatieve geesten - ontsnapt aan de invloed van de plaats waar men opgroeit. Gent was in de late negentiende eeuw een schouwtoneel van sombere en harde industrialisering. Waterlopen waren vervuild en er heerste armoede. Het arbeidersbestaan was beslist geen lachertje. Van een sociaal vangnet was er geen sprake. En toch vormde Gent, met het romantische uitzicht van grachten, historische gebouwen, kerken en het Gravensteen, de ideale voedingsbodem voor de verbeeldingskracht van de erudiete Maeterlinck en de gevoelige Minne.

 

Het laatgotische verleden van de stad en de laatmiddeleeuwse schilderkunst van de Gebroeders van Eyck, met De aanbidding van het Lam Gods als kwintessens, leverden Maeterlinck de vruchtbare voedingsbodem voor zijn filosofische en spirituele overpeinzingen. Naar verluidt hing er boven zijn bed een reproductie van de meesterlijke polyptiek. Maeterlinck getroostte zich zelfs de moeite om werk van de veertiende-eeuwse mysticus Jan van Ruusbroec te vertalen. Rond 1900 werden vele kunstenaars beïnvloed door het middeleeuwse verleden. Denken we maar aan de Prerafaëlieten en de neogotiek.

 

Het was in Gent dat Maeterlinck en Minne elkaar ontmoetten. Hoe en wanneer dat precies in zijn werk ging weten we niet, maar het is zeker dat ze broederlijk naast elkaar promenades langs de Coupure maakten. Het waren uiterlijk en innerlijk twee verschillende persoonlijkheden die elkaar vonden in het artistieke klimaat van het fin de siècle. De stadsman Maeterlinck en de stugge Minne, die laatste eerder een pleitbezorger van het ongecompliceerde, directe leven. Toch hoeden we ons beter voor een al te romantische interpretatie.

 

Volgens Georges Chabot zou het Grégoire Le Roy geweest zijn die de dichter aan de beeldhouwer voorstelde in 1886. Beiden waren kortelings uit Parijs teruggekeerd. De rol van Le Roy is aannemelijk aangezien Minne al in 1887 een eerste boekillustratie voor Le Roy had gemaakt. Minne vervaardigde vervolgens illustraties bij Maeterlincks Serres chaudes en La Princesse Maleine.

 

Een beeld zoals Minnes Moeder beweent haar dood kind moet Maeterlinck aangetrokken hebben. Het lenige en gepolijste beeld is van alle anekdotiek ontdaan, alsof het een middeleeuws Andachtsbild betreft. De directe uiting van gevoelens en de deformatie van fysieke kenmerken – het expressionisme in foetale vorm – staan mijlenver van de esthetica van Maeterlinck af. De toekomstige Nobelprijswinnaar werd geprikkeld door dit ruwe talent.

 

 

Mentale onrust

 

De ene was een vertegenwoordiger van het woord, de andere een man van het beeld. Beiden deelden een gelijksoortige fijnzinnigheid, een gevoel voor het delicate en het treurige. Onbekommerd is hun kunst niet. Kijken we maar naar de geknielde, frêle, bijna geslachtsloze jongeren met haast feminiene lendenen in klassiek contrapost. De Fontein der geknielden van Minne is een van de parels aan de kroon van de kunst rond 1900. Het past in de esthetiek van het symbolisme, een uiting van de subjectieve esthetische ervaring van de kunstenaar. Of in het geval van Minne refererend aan diepreligieuze gevoelens.

 

Het is net dat dromerig soort van symbolisme, haast escapistisch van aard, dat raakpunten heeft met Maeterlincks theater zoals dat tot uiting komt in Pelléas et Mélisande. Bij beiden regeert de innerlijke wereld, tussen de droom en het sprookjesachtige. Maeterlinck putte uit zijn jeugdig sentiment: impulsen uit een tastbare wereld die hij op originele wijze met fictieve elementen vermengde. Trage passages met lange stiltes alsof de tijd is stil blijven staan: de wereld onder een stolp. Het ongrijpbare treurige blauw - entre chien et loup - was zijn kleur.

 

In De lezing door Emile Verhaeren uit 1903 evoceert Théo van Rysselberghe (1862-1926) de ambiance in de geleerde vriendenkring van Verhaeren. Op dit topwerk uit de verzameling van het MSK figureert ook Maeterlinck in dat gedistingeerde kunstenaarsmilieu. Op de marmeren schouw, vlak naast een boeket rozen, prijkt één van Minnes geknielde jongelingen. De stugge beeldhouwer zou zich vast geremd gevoeld hebben aan Verhaerens tafel. De aanwezigheid van het sculptuurtje, vol ontwapenende expressie en gebalde emotie, is een huldebetoon.

 

Alles wat Maeterlinck deed, lukte. Minne werd aanzienlijk minder bewierookt, maar was misschien wel even invloedrijk en blijkt heden net iets bekender. Hun uiteenlopende karakters zorgden voor aantrekking. Hun soms verstilde esthetica laveerde tussen broeierige melancholie en schreeuwerige onrust, een pars pro toto voor het fin de siècle.

 

Matthias Depoorter

 


Kunsthal Sint-Pietersabdij

L’oiseau bleu: op zoek naar geluk

 

L’Oiseau bleu (1908) is een van de meest bekende werken van Maurice Maeterlinck. Het theaterstuk trok de jury in Stockholm finaal over de streep om hem in 1911 de Nobelprijs voor Literatuur toe te kennen. De tentoonstelling in de Kunsthal Sint-Pietersabdij evoceert het filosofische sprookje L’Oiseau bleu en neemt de bezoeker mee in de bovennatuurlijke en mysterieuze droom van de hoofdpersonages Tyltyl en Mytyl. Geleid door de fee Bérylune dwalen de kinderen door het land van de herinnering, het paleis van de nacht, het boze woud, de rustplaats van de doden en het rijk van de toekomst waar de kinderen op hun geboorte wachten. Tyltyl en Mytyl moeten de – ongrijpbare – Blauwe Vogel trachten te bemachtigen, die symbool staat voor het geluk. Heel even zien ze de ware aard van de dingen en de essentie achter de schijn. Ze ontwaken uit de betoverende droom met een andere, mooiere kijk op de wereld.

 

In 1908 werd het theaterwerk voor het eerst opgevoerd in Moskou. Het kende onmiddellijk succes, vooral in Rusland, Japan, Engeland en in de Verenigde Staten. De Eerste Wereldoorlog fnuikte de optimistische boodschap van de Blauwe Vogel, maar meteen daarna vloog hij weer hoog op in New York als opera en volgde een Blue Bird mania in de VS en Engeland. Het sprookje kende ook enkele verfilmingen, onder meer met Shirley Temple (1940) en Elisabeth Taylor (1976). Die versies konden de stille film van Maurice Tourneur uit 1918 niet overtreffen.

 

De tentoonstelling in Kunsthal Sint-Pietersabdij is een multimediale presentatie. Zoals Tyltylen Mytyl gaat de bezoeker op tocht doorheen kleurrijke taferelen. Met de audioguides krijgt de oorspronkelijke tekst, bewerkt door Bernard Dewulf en ingesproken door acteurs van NTGent, de volle aandacht. En er zijn foto’s, decorontwerpen, maquettes en kostuums van de vroegste opvoeringen in Moskou, Parijs, Londen, New York en Brussel, illustraties van de eerste gedrukte edities en stills uit de film van 1918.

 

De tentoonstelling geeft ook ruimte aan de internationale uitstraling van L’Oiseau bleu met opvallende veel vertalingen in Japan, waar het werk sinds 1911 meer dan honderd keer is uitgegeven en nog steeds geliefd is als tekenverhaal. Aparte aandacht gaat naar de figuur van Maurice Maeterlinck: de jeugdjaren in Gent, zijn leven en werk in Frankrijk, de kunstenaars en schrijvers die hem hebben beïnvloed en uiteraard de Nobelprijs voor Literatuur die hem in 1911 werd toegekend.


Info

Tentoonstelling

De wereld van George Minne en Maurice Maeterlinck

Van 22 oktober 2011 tot 19 februari 2012

Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 18 uur

Gesloten: maandag

 

Museum voor Schone Kunsten

Citadelpark

9000 Gent

Tel. 09 240 07 00

www.mskgent.be

 

Tentoonstelling

L’Oiseau bleu. Op zoek naar geluk

Van 9 december 2011 tot 22 april 2012

Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 18 uur

Gesloten: maandag

 

Kunsthal Sint-Pietersabdij

Sint-Pietersplein 9

9000 Gent

Tel. 09 243 97 30

www.gent.be/sintpietersabdij

 

Informatie over alle activiteiten in het kader van het Maeterlinckjaar

www.maeterlinck100.be 

 

Alles wat U wilt weten over de Gentse Nobelprijswinnaar voor literatuur Maurice Maeterlinck.