U bent hier

Musée du Verre in Le Bois du Cazier - Glas op een mijnsite

Musée du Verre in Le Bois du Cazier
Fréres Muller, Cristalleries du Val Saint-Lambert, vaas met meiklokjes, 1905-1908.

 

Le Bois du Cazier was ooit een mijnsite in de omgeving van Charleroi. In wat vroeger de 'lampisterie' was, het gebouw waar de mijnwerkerslampen werden bewaard en hersteld, is nu een deel van het Musée du Verre ondergebracht. Het is op een ingenieuze en aantrekkelijke wijze uitgebreid met een hedendaagse nieuwbouw met veel licht en glas, ideaal voor een glasmuseum.

 

 

 

MARCINELLE EN GETROKKEN VENSTERGLAS

 

 

Le Bois du Cazier: de naam zegt u misschien niet zoveel. Maar het dorp waar de mijn gelegen was, Marcinelle, zal bij veel mensen wel een licht doen opgaan. Het is de mijn waar op die onzalige dag van 8 augustus 1956, 262 mensen de dood vonden. Die ramp wordt op een indringende manier weer voor de geest gehaald in de nu wat overgerestaureerde mijnsite. Het is een plaats die ik nog bezocht in het kader van een tocht rond industriële archeologie en die indruk maakte, mede door de commentaren van gewezen mijnwerkers die ons rondleidden. Ook nu nog kan je het harde leven van de mijnwerkers leren kennen door een bezoek aan dit Waalse mijnmuseum. Het is ook een herdenkingsplaats, een gepast monument voor zij die hun leven gaven voor onze welvaart.

 

 

Het Musée du Verre op de mijnsite komt niet zomaar uit de lucht vallen. Charleroi was lange tijd de grootste producent van vensterglas in de wereld. Jean de Condé richtte in 1669 te Charleroi de eerste glasfabriek op. Dat is niet te verwonderen, de noodzakelijke brandstof is ter plaatse te vinden in massale hoeveelheden: de ovens worden immers met steenkool gestookt. Twee eeuwen later kan Charleroi zich als de eerste glasproducent ter wereld aandienen. In de negentiende eeuw zijn er een honderdtal glasfabrieken actief op het grondgebied van de stad. Die eerste plaats op de wereldranglijst heeft Charleroi te danken aan het feit dat de producenten hier het glascilinderproces perfect wisten te beheersen.

 
 
De Amerikaan Lubbers vond in 1900 een systeem om op mechanische wijze glascilinders te maken die dan in een oven werden gestrekt tot vlakglas. De Brit William Clarke (1857) en de Amerikaan Parish (1881) deden ook alIerlei proeven om op mechanische wijze glas te maken. Zo trok men een band van stroperig glas uit de oven, maar deze band vervormde al snel tot een driehoek, om als een dikke draad te eindigen. Deze werkwijze was tot mislukken gedoemd. In 1901 slaagde de Belg Emile Gobbe erin dit euvel te ondervangen door bij het trekken van het glas uit de oven tegelijkertijd van onderaf de glasband omhoog te drukken. In 1905 kreeg hij steun van de Belgische glasfabrikant Emile Fourcault om zijn uitvinding te verfijnen. Zo kon in 1914 de eerste fabriek ter wereld in bedrijf worden gesteld, die uitsluitend mechanisch getrokken vensterglas produceerde.
 
 
De Belgische export van geblazen vensterglas was toen al tot 43 miljoen m2 per jaar gestegen.
 
 

 

DE PASSIE VAN RAYMOND CHAMBON

 

 
Het is dan ook geen echt toeval dat iemand uit de streek gepassioneerd was door die vooruitgang in het verwerken van glas en voor zichzelf vanaf de jaren 1950 een opmerkelijke verzameling van historisch glas aanlegde. Die iemand was Raymond Chambon (1928-1975). Zijn met liefde en intelligentie samengestelde collectie wordt in 1973 door de stad aangekocht en vormt het uitgangspunt voor een glasmuseum dat hij zelf zal leiden tot zijn dood.
 
 
Het museum was lange tijd gevestigd in Charleroi zelf, in het Institut National du Verre. Het instituut betrok een federaal gebouw dat enige tijd geleden werd verkocht. Een verhuis drong zich dus op en er werd vanuit de stad geopteerd om het museum te vestigen in Le Bois du Cazier. Dit is geen onlogische beslissing. Het museum opende er in februari van dit jaar zijn deuren en mag sedertdien bogen op heel wat bezoekers.
 
 
Het museum vertrekt niet zozeer vanuit de kunsthistorie maar legt het accent eerder op de diverse technieken en benadert van daaruit het object. Het is daarom dat dit museum op zich een unicum mag heten in België en zelfs daarbuiten. Het parcours dat de bezoeker in het museum aflegt begint juist bij de technieken. En dat vormt een zeer goede inleiding om de objecten daarna met des te meer waardering en begrip te bekijken. Die technieken worden niet alleen opgeroepen aan de hand van foto's en panelen maar ook door een aantal toestellen en machinerieën die op gestelde tijden ook gedemonstreerd worden.
 
 
Eigenlijk vormen die toestellen ook een deel van het zeer waardevol patrimonium. Vergeten we niet dat van al die bedrijvigheid in de streek slechts heel weinig is overgebleven. Het aankoopbeleid ligt dan ook geheel in het verlengde van deze optiek, er worden niet alleen glasobjecten aangekocht maar ook, als de kans zich voordoet, machines en toestellen die van historisch belang zijn. Zo beschikt het museum over een zeer ingenieus en uitermate zeldzaam graveertoestel dat nog steeds kan functioneren. Men is vanuit Groot-Brittannië speciaal komen kijken om het te bestuderen.
 
 

 

KRISTAL, ART NOUVEAU, DESIGNGLAS

 

 
Natuurlijk is het vooral de glascollectie die het grote publiek weet te charmeren. Ze is gepresenteerd in omgekeerd chronologische volgorde: van het modernste glas tot bij de productie van de Romeinen. Op de benedenverdieping wordt de bezoeker geconfronteerd met enkele werken van de Vlaamse glaskunstenaar Koen Vanderstukken, die nu in Canada verblijft. Op de eerste verdieping wordt de verzameling van de negentiende en twintigste eeuw gepresenteerd . Het glas kent in de negentiende eeuw grote vernieuwingen en natuurlijk ook een grote productie door de industriële vooruitgang. Het is de eeuw van de synthese van alle kennis die men in de loop der tijd heeft vergaard.
 
 
In het begin van de eeuw is het de empirestijl die opgang maakt met vooral helder en geslepen kristal. De grote tentoonstelling in Crystal Palace te Londen in 1851 beïnvloedt echter zeer sterk de gangbare smaak en nu is het vooral het gekleurd en geslepen glas dat opgang maakt. Niet lang daarna beginnen nieuwe technieken en opvattingen ingang te vinden. Ontwerpers stellen zich ten dienste van de industrie, de art nouveau doet haar intrede samen met namen als Gallé, Daum en Tiffany. Het is in deze periode dat onze nationale Val Saint-Lambert haar hoogtepunt zal kennen. Na de Eerste Wereldoorlog komt de art deco opzetten met figuren als Lalique. Ondertussen is de wereld danig veranderd en zo ook de glasindustrie. De ambachtelijke bedrijven zijn industrieën geworden of verdwenen.
 
 
In de jaren 1950 komt er een golf van designglas, en nog een decennium later kennen we de beweging van het Studio Glass. Individuele kunstenaars gaan zeer specifieke glasobjecten creëren. De collectie brengt al die aspecten naar voor op een zeer boeiende manier zonder overladen presentatie.
 
 
 

DE ROMEINEN EN GLASBLAZEN

 

 
Op de tweede en derde verdieping gaan we verder terug in de tijd. Myceense glasparels van 1400 tot 1200 v. Chr. en schitterende voorwerpen van Romeinse origine. Ze tonen ons hoe de uitvinding van het glasblazen in de loop van de eerste eeuw vóór onze tijdrekening (wellicht in Syrië) een echte revolutie betekende voor de glasproductie. Het wordt mogelijk om sneller en beter voorwerpen te maken in glasspecie. Deze manier van produceren verspreidt zich razendsnel in alle gebieden van het Romeinse Rijk. Het Rijnland en het Belgische Gallië worden grote centra van glasproductie, vooral in de derde en vierde eeuw n.Chr. De inventiviteit groeit en er worden juwelen, serviezen, olielampen, kommen en flessen geproduceerd, zelfs de eerste glasramen komen tot stand.
 
 
Na de val van het Romeinse Rijk gaat de glastraditie niet verloren. Zowel in het Westen als in het Byzantijnse Rijk en later in de islamitische gebieden wordt verder gewerkt en geëxperimenteerd. Denk maar aan de glasmozaïeken van Ravenna en Constantinopel en de extreem verfijnde producten uit de islamwereld. De collectie toont ons ook Venetiaans glas uit de zestiendede eeuw. Het is door een verder uitpuren van de grondstoffen waaruit glas wordt gemaakt dat de Venetianen komen tot hun zogenaamd kristal. De glasproducenten uit Bohemen zoeken verder en komen tot schitterende resultaten in de late zeventiende eeuw. Op dat moment vinden de Engelsen het loodkristal uit. Het biedt bijzondere mogelijkheden  inzake decoratie: geslepen kristal. Hun monopoliepositie wordt redelijk vlug doorbroken en talrijke glasfabrieken op het continent beginnen met kristalproductie.
 
 
In de periode 1760-1770 lanceert Sébastien Zoude in Namen de eerste kristalfabriek van het vasteland. Dat is het echte begin van de Belgische kristalproductie die tijdens de volgende eeuw en dankzij Vonêche, Zoude en Val Saint-Lambert wereldberoemd zal worden
 
 

 

TENTOONSTELLINGEN

 
 
Het Musée du Verre wordt gedragen door een enthousiast en gedreven team van een tiental personeelsleden. Het gaat dus om een klein museum op een zeer menselijke schaal. Er is veel aandacht voor de jonge bezoeker met tal van pedagogische projecten. Nederlandstalige groepen, die tot nu toe een groot deel van het publiek omvatten, worden zonder problemen in het Nederlands rondgeleid. Het onthaal is er bijzonder vriendelijk en het personeel is zeer hulpvaardig. Tijdens de week is het glasatelier meestal open. Het is gevestigd in de imposante smidse naast het eigenlijke museum en er worden door vrijwillige medewerkers kleine demonstraties gegeven. Er worden kleine objecten gemaakt. Het museum is nog niet volledig af maar er wordt gestaag aan gewerkt. Er staan ook tijdelijke tentoonstellingen op het programma. Die vinden plaats in het zogenaamde Forum. Dat is een grote ruimte in het centrale mijngebouw. Bij de opening werd een expositie gewijd aan het werk van Louis Leloup, een Waalse glaskunstenaar met internationale bekendheid.
 
 
In de toekomst mogen we ons verwachten aan een tentoonstelling over de gebroeders Müller bij hun passage bij Val Saint-Lambert (1905 - 1908) waarbij ze zorgden voor tal van ongeëvenaarde meesterwerken. De tentoonstelling wordt eerst in Nancy getoond.
 
 
Een andere expositie wil dan weer aandacht besteden aan het glas in de volkskunst (waar nu reeds in een vitrine enkele staaltjes van te zien zijn). Het was met name zo dat heel wat glasblazers tijdens hun pauze nog wat voorwerpen voor zichzelf en hun familie maakten. Die voorwerpen hebben niet die artistieke pretenties maar zijn ontroerend omwille van hun eenvoud en hun eerlijkheid, ze vormen echt een apart hoofdstuk én zijn een internationaal verschijnsel. Het pleit voor de staf van het museum dat ze ook daaraan aandacht wil besteden.
 
 
Het is een constante dat het museum de weg van de samenwerking kiest. Gezamenlijke projecten zijn makkelijker te realiseren inzake bruiklenen en draaglijker wat de kosten betreft. Zo wil men ook een project wijden aan Henri Navarre (º1885) in samenwerking met het museum van Chartres. Navarre was één van de eerste beeldende kunstenaars die zich voor glas als materie interesseerde. Hij is vooral bekend voor zijn art deco-werk.
 
 
Het zal u wel ongeveer duidelijk zijn: het Musée du Verre is echt de moeite waard en is steeds te combineren met een bezoek aan de mijnsite zelf.
 
 
 
Daan Rau

  


AFBEELDINGEN:

  • Inkom Musée du Verre, FOTO © FREDERIC VERTESSEM/VILLE DE CHARLEROI
  • Frères Muller, Cristalleries du Val Saint-Lambert, vaas met meiklokjes, 1905 - 1908
  • Bernard Tirtiaux, Encourbure, 2004, Muséé du verre de Charleroi, FOTO © LUC DENRUYTER/VILLE DE CHARLEROI
  • Léon Mairesse, Verreries du Centre (Houdeng - Goegnies), Vaze aux Industries, 1927, FOTO © PAUL LOUIS
  • Atelier voor glasblazen, FOTO © FREDERIC VERTESSEM/VILLE DE CHARLEROI

INFO

 

Musée du Verre

Open: dinsdag tot vrijdag van 9.00 tot 12.30 uur en van 13.15 tot 17.00 uur, zaterdag en zondag van 10.00 tot 12.30 uur en van 13.05 tot 18.00 uur

Gesloten: maandag

 

Le Bois du Cazier

Rue du Cazier 80

6001  Marcinelle

Tel. 0496 599 214

wwvv.charleroi-museum.org

 

De Okv-Ciub bezoekt het Musée du Verre en de mijnsite op zaterdag 9 februari 2008 om 11 uur.