U bent hier

Jan Baptiste Van Meunincxhove - Karel II in de hovingen van de Gilde van Sinte-Barbara

Karel II in de hovingen van de Gilde van Sinte-Barbara
Jan Baptiste Van Meunincxhove, Karel II in de hovingen van de Gilde van Sinte-Barbara, Doek, 199 x 249 cm, getekend en gedateerd onderaan in het midden: JAN VAN MEVNINCXHOVE F 1671, Groeningemuseum, Brugge.

 

Brugge kende tot het eind van de achttiende eeuw een vrij grote Britse kolonie. De handelsbetrekkingen tussen Brugge en Engeland dateren reeds van in de tiende eeuw.

 

Het is dan ook geen wonder dat bij zijn ballingschap, door Oliver Cromwell uit Engeland verjaagd, Karel II, Koning van Engeland, zich van 22 april 1656 tot 15 maart 1659 te Brugge komt vestigen - in de loop van de geschiedenis had Brugge reeds heel wat personages van koninklijke bloede binnen haar muren gelogeerd. Alleen kwam hij niet want zijn hofhouding telde niet minder dan 175 personen waarbij ondermeer te vermelden, zijn twee broers: Henry Stuart, hertog van Gloucester en James Stuart, hertog van York.

 

Zoals alle Vlaamse steden kende Brugge een aantal bloeiende gilden: de Voetboeg met St. Joris als patroonheilige, de Handboog met St. Sebastiaan, de Kolveniers (busschieters) met de H. Barbara en ten slotte de Schermers. De koning bezocht al deze gilden behalve de Schermers-gilde omdat in Engeland het schermen als een onedel sport werd beschouwd.

 

Op 2 oktober 1656 was hij, samen met zijn broers, te gast bij de Kolveniers waar de hertog van York de vogel afschoot (evenals aartshertogin Isabella te Brussel !) en daardoor koning werd. De vreugde bij de gildebroeders en bij de bevolking was, natuurlijk, zeer groot.

 

Een tijdsbewijs én van de populariteit van de papegaaischieting van de gilden én van het belang dat hieraan werd gehecht in het bestek van het dagelijks stedelijk leven, vinden wij terug in een berijmde beschrijving -96 hexameters lang - door de Brugse rederijker Ingelbrecht Cockuyt:

 

'alwaer den vorst van Jorck den vogel gaf een draeij / met synen tweeden schoot ten aensien van hun allen / dat hy hem door 't gheweld in splenders dede vallen. / Daer juygde gansch het hof, daer riep men uytter borst: / Langh leve met gheluck ons coningh desen vorst.'

 

Vijftien jaar na dit merkwaardig schot heeft de Brugse schilder J. B. van Meunincxhove twee doeken geschilderd waarmede hij deze gebeurtenis op een bijzonder aardige wijze heeft afgebeeld. Zij waren bestemd voor het nieuwe lokaal van de Gilde. Vermoedelijk werden deze schilderijen betaald met de giften die de vorst als 'doodschuld' had toegekend bij gelegenheid van deze heugelijke gebeurtenis, zoals afgebeeld is in 'het Feestmaal'.

 

Het ene stelt het feestmaal voor dat de St. Barbaragilde de Koning aanbood en het tweede de Koning in de hovingen (ommuurde tuin) van deze gilde. Beide schilderijen worden in het museum van Brugge bewaard. In het midden van de hof staat Karel II met rechts naast zich zijn broeder, de Hertog van Gloucester, terwijl hij zijn oudere broer, de Hertog van York, het halssnoer met de gouden papegaai omhangt.

 

De architecturale opbouw van het schilderij is archaïserend: de twee bomen verbonden door het baldakijn doen onvermijdelijk denken aan de klassieke triomfbogen van de Blijde Inkomsten. Ook de opstelling van de personages om een groter perspectief te bekomen zijn typisch voor de strekking in de Zuidnederlandse genreschildering van na 1660 zoals die bij Van Tilborch en Van Meunincxhove aan het licht komt: de tweemaal drie gegroepeerde personen op de voorgrond links zijn zeer klein voorgesteld; de personen die de koning omgeven hebben steeds een abnormaal lang gestrekt been waardoor de blik onvermijdelijk verder de diepte in geleid wordt.

 

Het tafereel speelt zich af in de hovingen van de St. Barbaragilde onmiddellijk na het koningsschot. De aandacht mag wel gevestigd worden op de rijke stofbehandeling van de kleding der personages, maar terzelfdertijd kan de schilder geen afstand doen van het anekdotische in zijn voorstelling: nieuwsgierige kinderen klimmen op de muur om de plechtigheid nog beter te kunnen volgen; er zit er zelfs een in de boom.

 

Een eigenaardig anachronisme mag niet vergeten worden: in het schilderij van het feestmaal, ook geschilderd in 1617, hangt op de schoorsteenmantel te prijken dit tafereel van het bezoek van de vorst aan de St. Barbaragilde.

 

W. van Nespen

Conservator van de Oudheidkundige Musea der Stad Antwerpen