U bent hier

Hyppolyte Daeye - Naakt

Hyppolyte Daeye - Naakt
Schroomvallig, ingetogen kuis in haar prille naaktheid, ontroert ons dit meisje door haar onthutste blik van bijna-vrouw. Met iets van argwaan toch, weet ze zich voorlopig veilig bestand tegen de ontluisterende aanraking met de wereld der volwassenen : ze bevindt zich immers ergens tussen werkelijkheid en droom, waar de kunstenaar haar beeld koesterend in zich heeft omgedragen, alvorens haar met naïef vertrouwen aan ons prijs te geven. Het heeft betrekkelijk weinig belang te weten wie model heeft gezeten voor de schilder. Alleen reeds door het schilderij eenvoudig 'Naakt' te noemen, heeft de kunstenaar, wars van sentimentaliteit, aan het individuele geval voorbij gezien, om te komen tot een gestalte met de waarde van een symbool. Dit is geen portret, maar de belichaming van een kunstenaars(dag)droom. Daeyes oeuvre doet zich in de herhaling van steeds dezelfde motieven (zuigelingen, jongelieden, naakten) schijnbaar monotoon voor. Inderdaad heeft hij zich met aristocratische zelfbeperking toegelegd op wat hem het dierbaarst was. Altijd eender en nooit gelijk rijzen zijn gestalten voor ons op als tijdelijke afsplitsingen van hemzelf. Weinig kunstenaars hebben zich zo volkomen en met overgave gewijd aan de uitbeelding van de menselijke figuur, waarbij al het bijkomstige moet wijken voor de hoofdzaak : het wezenlijke in de mens ; niet de getrouwheid van de weergave van de uiterlijke verschijning, maar de weerspiegeling van het innerlijke in het uiterlijke. De kunst van Daeye is niet overrompelend van levenskracht, niet verrassend door stoutmoedige vormvernieuwing ; ze is een late loot op een oude stam, een produkt van intieme mijmering en bestendig streven naar vervolmaking van een in zichzelf gekeerde geest. Hippolyte Daeye is een dier zeldzame verfijnde naturen zoals onze kunstwereld - rijker aan natuurtalenten - er slechts weinig heeft gekend. Beminnelijk aristocraat van de geest als in het leven - hij stamde uit een Gentse patriciersfamilie - heeft hij in zijn kunst een verfijning van inhoud en vorm nagestreefd, die hem mijlenver wegvoerde van de brutale realiteit. Geboren te Gent in 1873, behoorde hij tot een generatie die een innerlijke verdieping van de kunst nastreefde. Geen wonder dat het genoten kunstonderricht, eerst aan de Academie te Gent, vervolgens aan het Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen, hem een grondige afkeer inboezemde. 'Het was een eindeloos-treurige tijd van vreugdeloos werken in een vies atelier, dat met zijn dikke muren en hoge getraliede vensters meer op een kazerne-zaal of een gevangenis geleek dan op een plaats waar schoonheid werd geleerd. Hij teekende naar het antiek plaaster en schilderde naar het levend model, zielig op een houten bak naast de onooglijke verroeste kachel in gietijzer, wanneer buiten zon en licht den droom en de verbeelding lokten'. (Jozef Muls). Aanvankelijk kwam Daeye dan ook in het spoor van het omstreeks de eeuwwende algemeen doorbrekende impressionisme, dat de schilderkunst herleidde tot het noteren van zuivere licht-en kleurindrukken in de vrije natuur. Als uitwijkeling verbleef Daeye gedurende de oorlogsjaren 1914-18 in Engeland. Niet alleen onderhield hij er nauwe betrekkingen met zijn kunstvrienden Gustave van de Woestijne en Edgar Tytgat, maar ook nam hij er kennis van de Europese modernistische kunstrichtingen, waarvan het expressionisme wel als de meest invloedrijke kan gelden. Na de oorlog vestigde de kunstenaar zich te Antwerpen, waar hij in 1952 overleed. Bescheiden, maar met diepere zelfzekerheid had hij, enigszins aan de rand van de rumoerige tijdsgebeurtenissen, gewrocht aan de stadige vervolmaking van zijn weinig omvangrijk ceuvre, aan de uiterste verpuring in de uitdrukking van wat het innigst in hem leefde. Het Naakt uit het Museum te Antwerpen dateert van 1927. Het is een der eerste uit een reeks van naaktfiguren - schilderijen en tekeningen - die vanaf de twintiger jaren door Daeye werden uitgevoerd. Treffend is, hoe dit schilderij op een haast klassieke manier werd opgevat. Eenvoudig van opbouw, heeft het niets van het buitensporig-revolutionaire dat zozeer de kunstproduktie uit die tijd kenmerkt. Inderdaad staan de twintiger jaren bekend als een periode van losbandigheid in het leven en buitenissige vormvernieuwing in het artistieke. De oorlog had een einde gesteld aan het optimistische toekomstvertrouwen van de 19de eeuw : de wereld was aan scherven geslagen en de kunst wenste deze chaos te weerspiegelen. Met de traditionele vormen werd gebroken ; men bekeek de natuur als door een versplinterd glas. Het expressionisme wilde de hevigste uitdrukking geven van een innerlijke emotie, waarvan het vervormde, scheefgetrokken, mishandelde natuurbeeld getuigenis moest afleggen. Het Naakt te Antwerpen kan men moeilijk als een expressionistisch werk in deze zin beschouwen. De rustige, gesloten lijnvoering, het tere, genuanceerde koloriet zijn niet de uitdrukking van een geschokte geest, die zijn vertwijfeling op een brutale wijze uitschreeuwt, maar veeleer van een die tot innerlijke harmonie is gekomen. Werken uit deze tijd ontvangen dan ook betekenisvolle titels als 'Dromerij' en 'Sereniteit'. Uit eenzelfde gemoedsgesteltenis is het Naakt ontstaan. In zichzelf gekeerd zit het meisje naar de toeschouwer toegewend, het hoofd op de ranke hals lichtjes voorwaarts neigend, de romp enigszins getorst en de armen kruislings over haar dijen gevouwen ; een stroomval van lichtbruin haar onderstreept de sierlijke schouderlijn. Met tederheid zijn de zachte glooiingen van het lichaam weergegeven : het rozige naakt met de vaalgroene schaduwen vlekt op tegen een achtergrond van uiterst-fijn geschakeerde, tonige kleurvlakken. Een stoel en een drapering zijn veeleer te vermoeden dan aanwezig ; nauwelijks aangeduid, worden ze in het geheel van de achtergrond als sfeerscheppende elementen opgenomen, zonder als zelfstandige voorwerpen tot hun recht te komen. De schijnbaar aan het toeval overgelaten houding van het meisje is in werkelijkheid berekend op een subtiel samenspel van lijnen, vlakken en volumes in wisselwerking met het patroon van de achtergrond. Het meest onderhevig aan de expressionistische, vervormende manier van schilderen is het hoofd van het meisje, dat slechts in zijn algemene lijnen bij de werkelijkheid aansluit. Niet zoals het lichaam, waarvan de zachte rondingen door soepele overgangen van licht naar schaduw geboetseerd zijn, wordt het aangezicht bruusk gescheiden in twee helften, een heldere en een rozig-rode. Alsof de kunstenaar de toeschouwer opzettelijk wou onthutsen, heeft hij dit rood met een slordige veeg tot buiten de natuurlijke omtreklijn van het gelaat in de donkere partij van de achtergrond doen vervloeien. Schijnbaar veronachtzaamd, maar van een groot raffinement, is de binnentekening van mond, neus en ogen. Anatomisch onjuist hangt het linkeroog met groen-blauwe pupil scheef ten opzichte van de horizontale aslijn der ogen : het krijgt daardoor een uitdrukking van onzegbare melancholie onder de opgehaalde wenkbrauw. Zoals gezegd streefde Daeye waarachtigheid na in de uitdrukking van het innerlijke, niet getrouwheid in de weergave van het uiterlijke. Juist hierdoor is hij dan ook verwant aan het expressionisme. Buiten elk modieus of schools verband staat echter Hippolyte Daeye als een unieke figuur temidden van zijn tijdgenoten. Hij is wellicht niet de grootste onder hen, wel een van de meest aantrekkelijke. Vooral de toeschouwer bij wie een zekere gevoelsverwantschap aanwezig is, zal naar het woord van Emmanuel de Bom in Daeyes werk vinden : 'een stille weelde, die zacht in U gaat leven'.