U bent hier

Hugo de la Vigne - Reliekschrijn van de Heilige Macharius

Hugo de la Vigne - Reliekschrijn van de Heilige Macharius
Hugo de la Vigne, De heilige Macharius (Zijgevel van het reliekschrijn)

 

De edelsmeedkunst heeft in de Zuidelijke Nederlanden steeds een grote bloei gekend. Hier werkten een reeks vooraanstaande meesters, die belangrijke opdrachten ontvingen. Tijdens de Contrareformatie werden vanzelfsprekend veel reliekhouders besteld. Want veel nieuwe bedevaartplaatsen waren ontstaan en voor de heilige die daar werd vereerd, konden de reliquaria nooit schoon genoeg zijn. In het edelsmeedwerk waren de renaissancistische ornamenten veelal vlugger doorgedrongen dan in de produkten van de andere kunsttakken. Maar in het begin van de zeventiende eeuw bleven die goud- en zilversmeden zeer traditionalistisch werken; pas omstreeks het midden van die eeuw werd de barokstijl in hun werk volledig overgenomen.

 

Het prachtige zilveren schrijn van de H. Macharius is nog volledig in renaissancestijl opgevat. Het heeft de vorm van een renaissancetempel met Latijns kruis; het is aan alle zijden geflankeerd door Corintische zuilen. Te midden van het met loofwerk versierd zadeldak rijst een torentje op in de vorm van een open lantaarn. De kroonlijst is gevuld met vruchtenfestoenen, de basementrand met voluten en loofwerk. Het kostbare schrijn rust op vier vergulde bronzen leeuwen.

 

In de nissen van de smalle gevel zijn twee heiligen uitgebeeld, nl. de H. Bavo, als edelman voorgesteld met zwaard en kroon in de handen en zijn wapenhandschoen met de voeten vertredend, en de H. Macharius, als bisschop met een dubbele kruisstaf en een hart met drie nagels in de handen. Aan hun voeten prijkt in emailwerk het wapenschild van het kapittel van de Gentse kathedraal, namelijk een feniks met het devies 'Godt doet meer' en de datum 1616 (thans verdwenen), en dat van bisschop Frans van der Burcht (+ 1644). In de twee nissen van de langswanden zijn eveneens heiligen aangebracht: de patroonheilige van Bergen de H. Waltreudis, als abdis met haar twee dochters, de HH. Aldetrudis en Madelberta, en de H. Germanus als bisschop met open boek en twee sleutels in de handen. In de puntgeveltjes boven de nissen prijken de wapenschilden van de stad en van het kapittel van Bergen. De vier panelen in gedreven zilver van de langswanden brengen taferelen uit het avontuurlijk leven van de H. Macharius, patriarch van Antiochië.

 

Uit opschriften en signaturen blijkt, dat het schrijn in 1615-1616 te Bergen werd vervaardigd door Hugo de la Vigne en door die stad uit dankbaarheid werd geschonken aan het kapittel van de St.-Baafskerk. In juni 1615 was immers te Bergen in Henegouwen de pest uitgebroken die grote sterfte veroorzaakte onder de bevolking. Zoals voordien richtte het stadsbestuur een verzoekschrift tot de prelaat van de abdij van Geraards-bergen om de relikwieën van de H. Adrianus te mogen ontlenen, maar de bevolking weigerde hierop in te gaan. Nu reisde de abt van St.-Denijs in opdracht van het stadsbestuur van Bergen naar Gent. Daar werd gunstig gereageerd op zijn smeekbede. Reeds op vijfentwintig september werden de relikwieën van de H. Macharius plechtig ingehaald te Bergen. De schepenen besloten eveneens dat men een zilveren schrijn zou maken om die relikwieën in te leggen. Op dezelfde dag dat de goudsmid met het werk begon, werd geen huis meer met de ziekte besmet en werd de stad uiteindelijk in maart 1616 van die plaag bevrijd. Het reliekschrijn, dat meer dan 7000 gulden had gekost, werd op vijfentwintig juli 1616 aan de bisschop van Gent overhandigd.

 

Erik Duverger

Onderzoeksleider N.F.W.O. 

 


Hugo de la Vigne, te Bergen in Henegouwen geboren, was werkzaam in het begin van de zeventiende eeuw.


Literatuur

 J. Schatteman, Het leven van den heyligen Macarius, patriarch van Antiochien, beschermer van de peste. Gent, 1623.


In het eerste tafereel zien we de heilige als kanunnik voorgesteld tegen een architectonische achtergrond. Zieken ontvangen spijs en drank uit zijn handen en worden genezen. Anderen baden in net water waarin de heilige zijn handen heeft gewassen en worden van hun kwalen bevrijd.

Maar dat belette de heilige bisschop niet een ootmoedig leven te leiden. Dagelijks oefende hij zich in het gebed en stortte hij vele tranen over de zonden van de wereld, zo overvloedig dat die tranen met een doek moesten worden afgedroogd. Een melaatse man, Theodorik genaamd, knielt voor het altaar en neemt die doek in zijn handen. Daardoor werd hij opnieuw gezond.

Na ettelijke jaren kwam Macharius samen met vier gezellen naar het Westen. Zijn ouders waren misnoegd dat hun zoon in vreemde landen vertoefde. Zij zonden enige gewapende mannen om hem op te zoeken en hem indien nodig met geweld naar huis te brengen. Op het tweede tafereeltje is dat treffen tussen de H. Macharius en die krijgers uitgebeeld. Deze laatsten geraken in de ban van diens heilige kracht.

Sommigen kunnen hun uitgestrekte handen niet meer terugtrekken: anderen worden met blindheid geslagen. Zij erkennen hun misdaad en vragen om vergiffenis. Op de achtergrond ziet men de H. Macharius, die de stad Mechelen met het teken van het kruis van een vreselijke brand bevrijdt.

Het derde tafereeltje verhaalt nog een mirakel van de H. Macharius. Ergens bij de vestingen van de stad Mainz komt een beenhouwer hem tegemoet en poogt aldus zijn vijanden te ontlopen. De arme man werpt zich aan de voeten van de heilige pelgrim en vraagt om bescherming. Met razende gramschap trekken diens vervolgers hun wapens, maar door het teken van het goddelijk kruis bedaart de H. Macharius hun hevige toorn. Het laatste stukje illustreert de begrafenis van de H. Macharius te Gent in 1012. In die tijd heerste in die stad een grote pestepidemie; de levenden konden de doden ternauwernood begraven. Naar het voorbeeld van die van Ninove werd een driedaagse vasten ingesteld en God ontfermde zich over de stad. De H. Macharius voorspelde immers zijn dood en het einde van de ziekte. Het nieuws van die verzoeningsdood verspreidde zich vlug. Velen kwamen toegestroomd, wilden hem de laatste eer bewijzen en met hun handen de heilige last dragen. Wie daarin niet slaagde hield het voor een grote weldaad de lijkbaar te mogen aanraken. Op de voorgrond zien we de grote menigte, die haar weldoener naar het graf vergezelt. Op het tweede plan zien we een man met paarden en kar, die de lijken van de pestlijders gaat ophalen. In de achtergrond wordt nog een gebeurtenis uitgebeeld uit het leven van Macharius toen hij te Kamerijk verbleef, waar de deuren van de kerk op wonderbare wijze voor hem werden geopend.