U bent hier

Het Fransmansmuseum in vervlogen woorden - Forse handen, dansende lijven

Het Fransmansmuseum in vervlogen woorden - Forse handen, dansende lijven
De Tjoolders van Willem Vermandere, Foto: Saskia Vanderstichele.

 

De Fransmans waren de Vlaamse seizoenarbeiders die in Frankrijk gingen werken als bietenmannen en -vrouwen of astepieten. In het Fransmansmuseum in Koekelare getuigen ze van het labeur, de cafard en een niet te vergeten geschiedenis.

 

 

LAATSTE GETUIGEN

 

Op pleinen in Koekelare, Langemark-Poelkapelle, Klerken, Heldergem, Rillaar, Veerle-Heide komt u hem nog tegen: de Fransman. Onveranderd afgebeeld met de balluchon, de reiszak van dichtgestikt laken, een deel op de borst en een deel op de rug. In het Fransmansmuseum kunt u ook naar zijn (en haar) stem gaan luisteren.

 

De houtsneden van Willem Vermandere tonen hun expressieve handen. We horen ze zelf zeggen dat die handen van het werk op het bietenveld zo gekloven konden zijn dat een frank erin rechtop bleef staan, alleen urine kon de pijn wat verzachten.

 

Het museum, ingericht in de paardenstallen en de hopkelder van de voormalige brouwerij Christiaen, werd dit jaar opgefrist. Aan de zuidgevel doet een druivenserre aan Frankrijk denken. Het is geen museum met een conservator en een inventaris, maar het kwam er in 1992 op een vraag van de seizoenarbeiders zelf. Koekelare stond samen met buurgemeente Ichtegem in de omliggende gemeenten bekend als de hoofdplaats van de Fransmans. Het Fransmansmuseum kan gecombineerd worden met de andere kleine musea in de gemeente: het Käthe Kollwitz Museum, de beeldhouwster van Het treurende ouderpaar op de Duitse militaire begraafplaats van Vladslo, en het Lange Max Museum, over het Duitse kanon waarmee Duinkerke werd gebombardeerd in de Eerste Wereldoorlog.

 

Bij de ingang van het Fransmansmuseum hangt een uitvergrote brief die zo eindigt: "We wensen dat er nooit niemand van jullie, ooit nog om den brode dat zelfde werk moet doen. Wij hebben het vervloekt en afgezworen, maar wat jullie van nu zouden doen in dezelfde omstandigheden, dat weten we niet. Beeteman." De toon is meteen gezet.

 

Voor de verarmde Vlamingen bood het succes van de suikerbiet vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw weer een toekomst. In Frankrijk was er veel werkvolk nodig op de bietenvelden en in de suikerfabrieken, maar ook in de cichoreiasten, steenbakkerijen en bij de vlasoogst. De Franse boeren en suikerfabrikanten zagen de seizoenarbeiders graag komen. Vlamingen waren bereid om zeer hard te werken, tot ze er bij neervielen in sommige gevallen.

 

In een introductiefilm van de BRTN Les Godverdommes sont là van André van de Vijver en Erik Pertz keren een aantal oud-seizoenarbeiders terug naar hun stekske. We volgen hen van het Office National d'Immigration in Tourcoing, met de Déjeuner, een trein die doorreed naar Dijon, tot in de Marne, de champagnestreek. De seizoenarbeiders kregen alleen bieten te zien: van april tot juni de bietenplantjes steken of hakken, de overtollige plantjes verwijderen zodat er maar eentje om de dertig centimeter staat, en van eind september tot december de rijpe bieten kappen of rooien. De dag begon al om vier à vijf uur 's morgens, "voordat de duvel zijn paneel schudt", en duurde tot 's avonds laat. Hoe meer ze werkten, hoe meer ze verdienden, want ze werden per hectare betaald.

 

Van de bleke grond die de zon weerkaatste kregen ze gezwollen ogen. Een staaltje aarde van een bietenveld uit het Franse Livry-Luvercy werd naar het museum overgebracht. Vermandere leverde de gemeente op zijn beurt een beeld van een bietenman, weer met die grote handen die het gekromde lichaam lijken te stutten.

 

In de jaren 1960 kwam er een eind aan de handenarbeid toen de bieten machinaal gerooid konden worden, en toen er eenkiemig zaad voorhanden was dat niet meer uitgedund moest worden. Veel seizoenarbeiders zijn toen in de 'gaten' voor de metro in Brussel gaan werken.

 

In 1948 werkten er bijna 12.000 Belgen in de bietenteelt, in 1960 nog 5.000, in 1970 slechts 275 en in 1983 amper twee. Voor Dirk Musschoot in Van Franschmans en Walenmannen (2008) ging dat waarschijnlijk om dezelfde personen die in het voor- en  het najaar naar ginder trokken. Een tijdperk was afgesloten.

 

 

ONTEMBAAR

 

In Door Arm Vlaanderen (1903) van Auguste De Winne lezen we dat de katholieke Kerk in Parijs de vereniging Werk van de Vlaamse arbeiders had opgericht met het doel Vlaamse priesters te sturen naar de dorpen waar de Fransmans werkten, ze waren immers "een belangrijke kiezersgroep": "Zo waakt de kerk met een jaloerse zorg over het behoud van haar macht. Als de ellende ze uit hun huis jaagt, achtervolgt de kerk ze tot in het buitenland, niet zozeer om ze materieel te ondersteunen, maar wel om te beletten dat ze aan haar invloed ontsnappen."

 

Al sluit dat oprechte bekommernis niet uit, en het museum toont dat met portretten van onder anderen de Belgische vakbondsman Leon Bruggeman en van 'pastertjes' Edmond Denys en Joris De Jaeger. Deze laatste was op aanraden van Bruggeman maatschappelijk werk gaan doen bij de cichoreidrogers in Noord-Frankrijk en daarna was hij van 1953 tot 1987 de laatste aalmoezenier voor de seizoenarbeiders. Elk seizoen zocht hij hen op, en het was voor hem duidelijk wie de Vlamingen waren: "Dansten de lijven, dan waren het er van bij ons. Ze hadden een ontembare werkkracht."

 

De povere slaapbarak in het museum moet de bezoekers een idee geven van de cafard of de moederziekte, als de heimwee opstak. Met hun 'boerenfrans' konden ze net genoeg Frans om "tegen de bieten te klappen." Buiten een kaartje leggen en naar de voettocht Parijs-Straatsburg gaan kijken was er niet veel vertier: "Vrouwen, die zaten in de Folies Bergère. Hier was het nog slechter dan thuis. Werken, werken, werken." Daarom hadden ze toch veel aan pastertje De Jaeger, die hen deed huilen als hij ze over thuis sprak, maar daarna ook weer deed lachen. Je hoort nog een flamboyante toespraak van hem waarin hij een dialoog met een bietenman navertelt.

 

Voor de families van de astmannen was er de jaarlijkse Loon-Plage mon amour, een herdenkingsdienst en een feest waarvan de naam doet vermoeden dat er ook nieuwe ontmoetingen plaatsvonden.

 

 

"Dansten de lijven, dan waren het er van bij ons. Ze hadden een ontembare werkkracht

 

 

ONDOMME

 

Behalve met brieven en foto's kan het museum niet uitblinken met materiële overblijfselen, want de seizoenarbeiders hadden niets, behalve hun persoonlijk alaam. Bieten zetten gebeurde met de korte staart, een hak met een korte steel om de plantjes uit te trekken. Met de lange staart, een hak met een lange steel, werd tijdens een tweede ronde het onkruid gewied. Bieten rooien gebeurde met een bietenvork, het loof ging eraf met een bietenmes. In Maria-Aalter zijn ze monumentaal uitgebeeld.

 

Veel brieven zijn onleesbaar geworden, maar het feit dat ze hun weg naar het museum vonden, bewijst dat ze lang werden gekoesterd. Verder zijn er nog officiële brieven van de placeurs, die voor de Franse boeren ronselden, loonboekjes, huisvestingsverslagen. Foto's zijn er van vertrekkende Fransmans met de balluchon en van huldigingen van astmannen die er tot veertig jaar campagnes hadden opzitten. De seizoenarbeid wordt weergegeven in schilderijen, tekeningen, houten bas-reliëfs en in de stenen beeldengroep De Tjoolders van Willem Vermandere.

 

Voor wie zich niet kan voorstellen hoe een ast eruitzag - zowat iedereen dus - is er een ast(je) nagebouwd. Het wordt er wel niet tot 80°C zoals op zo'n droogzolder, maar de benauwde inrichting zegt al veel. Gaston Durnez schetste de stiel: "Een ast stoken, meneer, een vuur regelen om de cichoreibonen te drogen, de platen keren, dat is een kunst. Ge moet de kleppen kunnen zetten, ge moet de wind in de gaten houden en die kan zijn gangen gaan zo dicht bij de zee. Ge moet... allez, ge moet uw ast kennen gelijk uw broekzak." In Asten, bieten en... mensen (1986) schrijft Leon Bruggeman dat het woord cichorei met een zekere minachting werd uitgesproken, het diende immers om armemensenkoffie te maken. Het werk in de ast werd daardoor ook als minderwaardig beschouwd.

 

Stijn Streuvels maakt er in 1926 wel onvergetelijke literatuur van, in Leven en dood in de ast, waarvan in het museum geluidsfragmenten te horen zijn: "In hun hoofd hebben de mannen geen flauw besef meer van de naam der dagen, - van 't leven en de doening der mensen op 't dorp weten ze minder dan niets, onverschillig zijn ze geworden aan alles wat ginder gebeurt. Zij leven hier met hun vijven, afgezonderd, buiten alle gemeenschap met de wereld - als op een schip in volle zee, dag en nacht aan 't porren en wroeten om de torenhoge stapel wortelen - die van ver aangebracht, altijd maar hoger wordt - af te voeren, door de snijmolen te draaien, op de ast te laden, waar de bonen gekeerd en gewend, boven de vuren gedroogd, in zakken gevuld, weer de wereld ingaan. Hetgeen zij hier uitrichten is het voortdurend herhalen en herdoen, het wentelen in zotte kring, het vullen van een vat zonder bodem, het trappelen ter plaatse, arbeiden ten ondomme, waar niemand het eind of 't begin, het doel of het nut van bespeuren kan..."

 

An Devroe


INFO

Fransmansmuseum

Open: dinsdag t.e.m. vrijdag van 9.30 tot 12.00 uur en van 13.30 tot 17.00 uur, van 15 mei t.e.m. 15 november ook open op zaterdag, zondag en feestdagen van 13.30 tot 17.00 uur

Gesloten: maandag en woensdagvoormiddag

Sint-Maartensplein 15 b
8680 Koekelare
Tel.  051 61 04 94
www.koekelare.be