U bent hier

Gust De Smet - Dorpskermis

Gust De Smet - Dorpskermis
Gust De Smet (1877-1943), Dorpskermis, Schilderij - olieverf - Get. Gust De Smet, zonder datum.

 

De 'Dorpskermis' dagtekent van 1933. Gust De Smet is dan zesenvijftig. Sinds 1925 heeft hij zich in de Leiestreek gevestigd. Drie jaar later woont hij te Deurle, waar hij reeds vertoefd had, een kwart eeuw geleden. In 1933 betrekt hij het stemmig huis met atelier dat een beetje ter zijde van de straatweg Deurle-Sint-Martens-Latem gelegen is. In dit huis zal hij op 8 oktober 1943 sterven. Het is nu het Gust De Smet museum geworden.

 

Te Deurle leeft hij het leven van het dorp. In een kleine herberg, vlak tegenover het kerkje (aan de voet waarvan hij begraven ligt) gaat hij kaart spelen, elke avond. Hij speelt er vogelpik. Hij is een van de beste boogschutters van de streek. Hij slaat de mensen van het dorp gade en schildert ze. Zij staan model in zijn atelier ; het meisje b.v. dat links vooraan in het doek ter kermis gaat en nog even omkijkt, is een figuurtje dat in meer dan een van zijn schilderijen optreedt. Een jarenlange omgang met zijn omgeving heeft de schilder door en door vertrouwd gemaakt met de geest van het land en het landelijk leven. Het aroom ervan geurt uit zijn schilderijen op. En ik geloof, alle geleerde beschouwingen daargelaten, dat alleen hij die deze streek heeft bezocht, die er heeft gewoond en geleefd, in staat is om ten voile getroffen te worden door de specifieke toon van de kunst van Gust De Smet. Het is wellicht hier de plaats om het woord van Goethe te herhalen zeggend dat 'wie de dichter wil verstaan, naar het land van de dichter moet gaan'.

 

Op het ogenblik dat hij de «Dorpskermis» schildert staat de kunst van Gust De Smet al een eindje in haar rijpere leeftijd. De schilder weet waar hij naartoe gaat. Zijn plaats in het Vlaams expressionisme is al duidelijk afgebakend. Hij heeft zijn thema's : het landschap van Deurle, maar zonder de Leie — (ik kan mij niet herinneren dat Gust De Smet ooit, tenzij in zijn allereerste periode, water heeft geschilderd) — de mensen van Deurle tijdens hun werk of op de ogenblikken van vertier in de herberg, op de kermis of ingesloten, in- en uitwendig roerloos in de stille huiskamer. Hij heeft zijn palet waaraan warme oker, engels rood en de tint van gebakken pijpaarde, 'terra cotta' de toon geven. Hij heeft zijn compositie, klaar gebouwd, vast aan elkaar gesloten, bijna rudimentair. Zij heeft iets, die compositie, van het schoolopstel van een kind dat met korte, naast elkaar geplaatste zinnetjes, zonder voegwoorden, zijn indrukken neerschrijft. Hij heeft zijn toon : nooit opgewonden, nooit luidruchtig; gedempt en bescheiden zich ontwikkelend tot een melodie van dromerige huiselijkheid. Hij heeft zijn ritme; het ritme van het land, de vertraagde gang van zaken waarin de natuur, het vee en de mensen leven en zich bewegen. In een woord Gust De Smet heeft zijn stijl en deze stijl is de wederga van de man zelf : een ingekeerd, bedeesd man die schier nooit uit zijn schelp komt, die het leven, waarvan men zegt dat het hard is en de mens, die niet buigt, ten gronde richt, uit de weg gaat.

 

Die kenmerken van de man en van zijn kunst typeren ook het schilderij 'Dorpskermis'. En toch is dit doek, in mijn ogen tenminste, een uitzondering, een aparte verschijning in het werk van Gust De Smet. Niet zozeer vanwege de kleur : het zingt ongeveer op dezelfde tonen waarop al de werken uit die periode, de ene wat hoger, de andere wat lager, zingen. Ongeveer. Vergelijkt men het met die andere werken dan valt het op hoe doorzichtig het doorgaans vette koloriet is geworden; vooral in de bovenste helft van het tafereel waar de feestelijke stemming van de kermisdag wordt opgeroepen: in het midden de klokketoren met de driekleur — (als't vaantje wappert, beiaardier...): een vreugdekreet die door de drie andere vlaggen wordt overgenomen, herhaald en over het doek verdeeld en die zijn hoogste noot zingt in het rode wimpeltje op de top van de tent. De vrolijke toon wordt gesteund door de beweging van de wolkenslierten die langs een gulden hemel in de richting van het Westen trekken over een paar populieren die door de wind worden omgebogen. Aan die lichter toon van het koloriet beantwoordt de lossere opbouw van de compositie. Het volume der huizen is minder lijvig dan doorgaans het geval is in De Smet's schilderijen; zij staan naast en tegenover elkaar als de elementen van een toneeldekor.

 

Het is echter vooral door de beweging en het ritme in het onderste gedeelte dat dit schilderij zich in het oeuvre van De Smet onderscheidt. Het motief van het weg en weer bewegen, van het gaan en komen van de figuren, de indruk van het gewoel is, denk ik, een enig moment in zijn werk. Deze indruk wordt gewekt door de schikking der figuren die naar de voorgrond afzakken ; hij wordt versterkt door de richting van de blik der personages die de beweging buiten het doek, naar de kijker toe, voortzetten; vooral de blik van de jonge dame rechts en van het verrassend figuurtje links waarover ik hoger reeds gesproken heb. Dit werk toont tevens hoezeer het expressionisme het kunstbeeld heeft vrij gemaakt van het banale beeld van de werkelijkheid. De kleur leidt een zelfstandig leven en de tekening is samengevat tot het essentiële. Zo verricht de kunst dat kleine wonder: een beeld te geven van de werkelijkheid dat, veel dieper dan die werkelijkheid zelf, de geest er van veruitwendigt. Gustaaf De Smet werd geboren te Gent op 21 januari 1872. Als knaap hielp hij zijn vader bij het schilderen van uithangborden, decoratieve panelen voor herbergen, winkels en kermistenten. In de landelijke herberg 'Nenuphar' zijn twee van die panelen bewaard gebleven. Zij leren ons dat er weinig verband bestaat tussen het eerste en het latere werk. Gustaaf De Smet heeft het expressionisme eerst ontdekt — en dientengevolge zijn weg gevonden — in Holland, waar hij een toevlucht had gezocht tijdens de eerste wereldoorlog. Daar kwam hij in contact met het werk van enkele Duitse expressionisten.

 

Eerst in 1922 is De Smet naar zijn geboorteland teruggekeerd. Hij werd er op korte tijd een van de voornaamste figuren van ons expressionisme. Het is te Deurle dat hij zijn beste werken heeft geschilderd. De oorlog van 1940 en de daarmee gepaard gaande diaspora zijn voor hem een zware slag geweest. Deze gebeurtenissen hebben zijn inwendige rust verbrijzeld. Hij heeft ze nadien nooit meer teruggevonden. In zekere zin moet zijn dood, op 8 oktober 1943, voor hem een bevrijding zijn geweest.

 

M. Duchateau, Kunstcriticus