U bent hier

Georg Flegel - Stilleven met kalfsbout

Georg Flegel - Stilleven met kalfsbout

De grote musea hangen vol schilderijen die door hun kwaliteiten, hun afmetingen en hun agressief karakter de bezoeker onweerstaanbaar aantrekken. Het luid opklinken van hun stem maakt het moeilijk ze niet te horen en zelfs de meest passieve toeschouwer weten zij tot een samenspraak te dwingen. Zich daartegen verzetten zou onrechtvaardig zijn. Immers, de aandacht voor zijn werk winnen, behoort tot het streven van de kunstenaar. Of hij ons uiteindelijk overtuigt of niet, is een andere zaak en hangt evenzeer af van ons als van hem. Die indrukwekkende, opdringerige stemmen, die om zo te zeggen hun eigen waar aanprijzen, maken het moeilijk en vaak onmogelijk het gefluister waar te nemen van enkele be-scheidenen die in hun schaduw zijn opgehangen. Het zijn de werken van de dromers, de ingekeerden, de dichters. Voor grote belangstelling vertonen zij geen interesse ; wat zij zoeken is het intiem gesprek. De toeschouwer aantrekken doen zij niet, zij verwachten hem, zij rekenen op de geestesverwanten die, het rumoer vluchtend, bij hen een stonde komen verwijlen. Ook zij hebben heel wat te zeggen, maar woorden gebruiken zij schier niet. De stilte volstaat degenen die elkaar begrijpen. Van die categorie kunstwerken maken de stillevens het grootste deel uit, en meer in het bijzonder de eigenlijke, de echte stillevens, wat wil zeggen dat soort schilderijen die levenloze dingen, de toeschouwer meestal vertrouwd, in beeld brengen en zulks zonder enige bijbedoeling, hetzij van allegorische, symbolische, anekdotische, religieuze of historische aard. Vruchten, groenten, levenloze dieren en voorwerpen werden door de kunstenaar afgebeeld omdat zij hem hebben ontroerd en in vervoering gebracht. Zij hebben in zijn ogen persoonlijkheid verworven, zijn gegroeid tot wezens met een eigen bestaan, wier uiterlijke verschijning zowel als psychologische geladenheid hij ons wil doen bewonderen. Vanzelfsprekend dringt hij ons aldus zijn persoonlijke visie op en daar een dergelijke penetratie van contemplatieve aard bij hem slechts langzaam en in stilte is kunnen ontstaan, wordt ook van de toeschouwer een zekere ontvankelijkheid vereist, ja wordt hij gedwongen, wil hij iets van het schilderij kunnen genieten, zich open te stellen voor de stem van de voorwerpen en ze zijn volle aandacht te schenken. Van een goed stilleven wordt er allereerst vereist dat er niet te veel objecten in worden afgebeeld. Aangezien elke vrucht of groente, elk voorwerp of dood dier in de ogen van de kunstenaar een individualiteit heeft verworven en hij de aandacht van de toeschouwer voor elk afzonderlijk vraagt, mag hij hun aantal niet te hoog laten oplopen, zoniet verdwijnt elk van hen in de anonimiteit van de massa en wordt het schilderij herleid tot een decor. Het is het euvel waaraan zoveel zogenaamde stillevens uit de Vlaamse Barokschilderkunst lijden. Men denke aan sommige werken van Snijders, Fyt, Van Utrecht, Boel e.a. Maar niet alleen de te grote verscheidenheid van afgebeelde voorwerpen doet hun het ware stilleven-ka-rakter verliezen, ook het gebrek aan rust, aan statici-teit draagt daar toe bij. Dit teveel aan dynamisme kan liggen in de compositie van het schilderij : een te hoog gestemd koloriet of te sterk ritmisch bewogen lijnen en vormen beletten de blik van de toeschouwer tot rust te komen en staan hierdoor elke contemplatie in de weg. Ofwel ligt het in sommige elementen van hetgeen in beeld wordt gebracht. Ook een te opvallende schilderwijze dient te worden vermeden : sterk geïndividualiseerde of te ritmische toetsen kunnen eveneens de aandacht te zeer naar zich toe trekken. Ten slotte gebeurt het ook wel dat sommige elementen van wat wordt afgebeeld een storende werking uitoefenen. Zo leiden in verschillende grote stillevens van Snijders of Fyt, blazende katten en grommende honden of papegaaien die zich tegen opdringerige aapjes moeten verdedigen, de aandacht van het essentiële af ; dergelijke schilderijen mogen grotendeels tot de genreschildering worden gerekend. Het 'Stilleven met kalfsbout' uit de verzamelingen van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België te Brussel, bezit deze gebreken niet. Het verwekt dadelijk een indruk van overzichtelijkheid en rust. In het midden, in het centrum van de aandacht, ligt een kalfsbout op een schotel, waarop zich ook vruchten en een paar haringen bevinden. Op de voorgrond is een stenen braadpan met enkele gebakken eieren te zien, verder wat groen, een mes en een reeds aangesneden brood ; iets meer naar de diepte toe, een artisjok, een stenen kom met daarop een schaal waarin een kreeftje ligt alsmede de kop van een snoek, tenslotte een stenen kruik met deksel, en een met een doek bedekte zoutbak waarop een glas staat. Met één blik kunnen deze objecten, beperkt in aantal, door het oog worden opgenomen. Het bescheiden formaat van het schilderij (45,5 x 58 cm) werkt zulks bovendien in de hand, hetgeen meteen verklaart waarom doorgaans de echte stillevens bepaalde afmetingen niet overschrijden. Op het eerste gezicht zou men kunnen menen voor een aantal willekeurig samengebrachte objecten te staan. Bij nader toezien ontdekt men evenwel in het schilderij een zekere orde, meer bepaald een orde van esthetische aard. Zeker, al wat in dit keukenstuk is afgebeeld heeft betrekking tot de genoegens van de tafel, wat een niet te verwaarlozen factor oplevert tot het verwekken van een gevoel van éénheid. Maar er is meer. Wat schijnbaar willekeurig is samengebracht, werd in feite goed overwogen en met overleg naast en achter elkaar geplaatst. De kunstenaar diende, om het harmonisch eindresultaat te bereiken dat wij thans voor ogen hebben, met talrijke factoren rekening te houden. Het is niet zo eenvoudig het compositieveld van een schilderij te vullen zonder dat daarin al te dominerende partijen of storende dode zones ontstaan. Bovendien moeten dergelijke uiteenlopende voorwerpen, in zulke enge ruimte samengebracht, ook op elkaar worden afgestemd, elk immers wordt gekenmerkt door zijn eigen materie, zijn eigen koloriet en licht-kracht en niet steeds verdragen zij eikaars gezelschap. De stillevenschilder mag zich eensdeels zeker niet veroorloven de werkelijkheidsillusie van wat hij afbeeldt te verwaarlozen, maar anderdeels kan hij ook geen beroep doen op een te opvallende perspectiefwerking die alweer te zeer de aandacht van zijn eigenlijk onderwerp zou afleiden. In het hier besproken werk werd de moeilijkheid omzeild door de tafel en de daarop ten toon gespreide voorwerpen van tamelijk dichtbij en enigszins van uit de hoogte gezien weer te geven. Nadat men aldus door analyse enig inzicht heeft verworven in de manier waarop de kunstenaar zijn bedoelingen heeft weten te materialiseren, is het moment gekomen waarop men zich onbevangen moet openstellen voor het nu meer vertrouwde schilderij. Uit het sereen gezelschap dat wij voor ogen hebben, treden dan geleidelijk de individuen met hun eigen karakteristieke persoonlijkheid naar voren : de organisch sterk geaccentueerde kalfsbout die meer het medelijden oproept om het korte, afgeknakte leven van het jong geslachte dier, dan de vreugde om de lekkere hap, de gulle pan die haar eieren schijnt aan te bieden, het murwe brood, onopvallend en als rustig in zichzelf gekeerd, de gulden muil van de snoek, pathetisch opgeheven en met de expressie van een blinde, het bescheiden, ineengedrongen kreeftje, de sombere haringen, de fiere, rijkversierde beker, het preutse hoog opgestelde en van licht tintelende glas. Alle, tastbaar weergegeven aan de hand van een subtiele stofuitdrukking, zijn psychologisch geladen, en aldus werden zij door de kunstenaar bezield. Zijn eigen visie heeft hij omzeggens op hen overgedragen, en aan de toeschouwer, die hij heeft weten te beroeren, dwingt hij een wijze van 'zien' op die deze niet meer zal vergeten. Het 'Stilleven met kalfsbout', hoewel niet gesigneerd, kan op stijlkritische gronden, met quasi-zekerheid worden toegeschreven aan Georg Flegel, een ingetogen man, een dromerige natuur, die schier uitsluitend stillevenschilder is geweest en die in 1566 te Olmütz in Moravië werd geboren. Sinds 1594 verbleef hij te Frankfort a.d. Main, waar hij enkele jaren later, in 1597, als burger in het stadsregister werd ingeschreven met de vermelding dat hij laatst bij Lucas van Valckenborch werkzaam was geweest en van hem een 'guten Zeugnis' had ontvangen. Nu is het bekend dat de in Leuven geboren Lucas van Valckenborch, om redenen van politieke en godsdienstige aard, in 1566 uit de Nederlanden vluchtte en, na onrustig over en weer te hebben gereisd, in 1575 hofschilder werd van aartshertog Matthias van Oostenrijk. In 1593 kwam hij naar Frankfort en het is dus zeer waarschijnlijk dat hij Georg Flegel uit Wenen of Bohemen naar de stad aan de Main heeft meegenomen. Flegel werd er de medewerker van een andere uit de Nederlanden gevluchte kunstenaar, namelijk Lucas' broeder Maarten van Valckenborch, zodat de door de traditie overgeleverde bewering als zou hij schilderijen van deze laatste met bloemen, vruchten en vaatwerk hebben gestoffeerd, mag worden aanvaard. Frankfort a.d. Main was te dien tijde één van de belangrijkste verblijfplaatsen geworden van de talrijke protestantse vluchtelingen uit de Spaanse Nederlanden. Met deze Nederlandse kolonie moet Flegel de nauwste betrekkingen hebben onderhouden, want de biograaf Joachim von Sandrart schreef in 1675 in zijn Teutsche Academie : 'Georg Flegel ... is zeer bedreven geweest in het schilderen 'naar het leven' van vruchten, vissen, banketten, glazen, bokalen en bekers van allerlei metalen. Hij heeft alles zeer vlijtig en met inzicht, zorgvuldig en natuurlijk weergegeven, waardoor al de liefhebbers poogden iets van hem te verwerven, in het bijzonder de aldaar wonende Nederlanders die zijn werken sterk zochten, zodat, niettegenstaande hij vlug en gezwind was bij de arbeid, hij toch nog niet allen kon bevredigen'. Bij de lectuur van deze tekst zou men denken dat Flegel een welgesteld man was. Dat schijnt evenwel niet het geval te zijn geweest, ten minste niet op het einde van zijn leven, want in 1633 komt zijn naam voor in het Bedebuch te Frankfort, waarbij er sprake is van zijn gering vermogen. In die stad, waar zich het belangrijkste deel van zijn loopbaan voltrok, zal hij op 23 maart 1638 overlijden. Na zijn dood zal de belangstelling voor zijn œuvre geleidelijk afnemen. In de laatste jaren werd het echter opnieuw aan de vergetelheid ontrukt, een bewijs van de stille kracht van deze authentieke kunst.