U bent hier

Fragmenten van architectuur in Belgie - 1980-1990

Fragmenten van architectuur in Belgie - 1980-1990

Voor de afbeeldingen:raadpleeg het pdf-formaat.


Inhoudsopgave

1980-1990

Fragmenten van architectuur in België

  • Woord vooraf
  • Bouwen, een collectief project
  • Internationale context
  • Architectuur van de overheid
  • Wallonië
  • Brussel, Europese hoofdstad
  • De sociale huisvesting
  • Nieuwe behoeften/ nieuwe gebouwen
  • De jaren tachtig/ een "oude" en een "nieuwe" generatie
  • Overzicht van een aantal projecten door Marc Dubais
  • Architectuur van de winkelruimtes door Steven Stals

Woord vooraf

 

 

Vorig jaar publiceerde Openbaar Kunstbezit een overzicht van de Belgische kunst tijdens de periode 1980 1990. Ditmaal komt de architectuur van het afgelopen decennium aan bod. Als het geven van een beeld van de plastische kunst reeds een hachelijke onderneming was, dan is dit voor de bouwkunst, binnen het bestek van dit tijdstip, een nog meer complexe opgave.

 

Als basisopzet is niet gekozen voor een inventaris die streeft naar volledigheid. Deze tekst is veeleer opgevat als een overzicht van de verschillende ontwikkelingen die zich manifesteren, zonder zich te beperken tot de persoonlijke prestaties van architecten. De tendensen die zich voordoen worden ook in een Europees perspectief geplaatst.

 

Zoals bij de plastische kunst ligt het overwicht van de produktie in Vlaanderen. Toch is het wenselijk om in dit overzicht ook Wallonië te behandelen, vooral omwille van het integere werk van de architecten Charles Vandenhove en Bruno Albert.

 

Een schilderij, een sculptuur of een installatie kan men overbrengen met behulp van één foto, wat onmogelijk is voor de architectuur. Daarom werd gekozen om een aantal gebouwen uitvoerig te documenteren. De selectie mag men niet beschouwen als een “top tien” waardoor andere interessante gebouwen onmiddellijk worden gedegradeerd tot tweederangsprestaties.

 

Via een korte toelichting worden de intrinsieke kwaliteiten van een gebouw aangegeven. Het zijn voorbeelden die het dagdagelijkse bouwen overstijgen, niet omwille van een absolute behoefte van de ontwerper aan een modische originaliteit, maar veeleer omdat het gebouw iets te vertellen heeft over ruimtelijkheid, planconcept en de relatie met zijn omgeving. De realisaties zijn niet onderbouwd met grote theoretische beschouwingen, maar getuigen van een intelligent inzicht om diverse randvoorwaarden aan te wenden en te transformeren tot een boeiend geheel.

 

Veel interessante voor het publiek toegankelijke gebouwen zijn er niet. Dit verklaart waarom het hoofdaccent ligt op de privé-woning. In een afzonderlijk deel behandelt Steven Stals de tendensen die zich hebben voorgedaan op het gebied van de winkelarchitectuur.

 


Bouwen, een collectief project

 

 

Architectuur, moeder van alle kunsten! Deze uitspraak zegt veel maar ook weinig. Het andere woord, bouwkunst, wordt omschreven als “hoofdtak der kunst”. Bij het aanschouwen van onze gebouwde leefomgeving kan men zich de vraag stellen of wij nog in staat zijn “bouwkunst” te creëren! Het bouwen wordt meestal gereduceerd tot een louter technische en economische aangelegenheid, die niets meer te maken heeft met een meer culturele dimensie. De uitspraak “gaat het goed in de bouw dan volgt de rest” benadrukt het grote belang van de bouwsector binnen ons economisch bestel.

 

Gebouwen, welke ook hun architectonische verschijning en intrinsieke waarde zijn, zijn toevoegingen aan ons patrimonium, het erfgoed van de volgende generatie.

 

Gebouwen zijn “versteende” getuigenissen, een spiegel van de samenleving die ze heeft voortgebracht. Onze sterk op consumptie en grootschaligheid georiënteerde maatschappij laat onverbiddelijke sporen na op onze leefomgeving. De “gebouwde neerslag” van een tijd is voor iedereen afleesbaar.

 

Op dit vlak verschilt de architectuur fundamenteel van de plastische kunsten. In de kunst is de directe band tussen kunstenaar en opdrachtgever reeds lang verdwenen. De kunstenaar, het individu, creëert getuigenissen die hij in de samenleving gooit. Zijn rusteloze pogingen om de tijd waarin hij leeft te vatten is er een van twijfel, een spelbreker in de bestaande orde. Daartegenover staat de architectuur die van oudsher een collectieve bezigheid is van de mens.

 

Een bouwwerk komt meestal tot stand binnen een spanningsveld van drie polen: de opdrachtgever, de ontwerper en de uitvoerder. Er is nooit een afgewogen gelijkheid tussen de partijen en soms wordt de ontwerper buitenspel gezet en vervangen door projectontwikkelaars.

 

Het laatste decennium doen zich grote verschuivingen voor in het bouwproces, niet enkel op technisch vlak, maar ook in de verhouding tussen de diverse partijen. Zo worden meer en meer bedrijfsgebouwen niet langer opgetrokken op verzoek van de toekomstige gebruiker, maar wel door bouwpromotoren die kantoorruimte “ontwikkelen” voor een markt.

 

De belangrijkste pool blijft echter de opdrachtgever: hij die de geldelijke middelen vrijmaakt en omzet in een onroerend goed. Interessante architectuur ontstaat pas wanneer “verlicht” opdrachtgever en talentvol ontwerper zich ervan bewust zijn dat een gebouw meer is dan vierkante en kubieke meters!

 

In tegenstelling tot de plastische kunsten moet een gebouw aan een aantal fundamentele eisen voldoen. Vitruvius formuleerde dit reeds anno 125 v.Chr.: firmitas (soliditeit), commoditas (functionaliteit) en venustas (bekoorlijkheid).

 

Met deze drieledigheid hebben de plastische kunsten nog nauwelijks uitstaans. Deze begrippen blijven het bouwen beheersen, zij het niet meer in de strikte betekenis van Vitruvius en latere bouwmeesters. De functionaliteit wordt meestal eenzijdig overgeaccentueerd terwijl de soliditeit, de “levensduur” van een gebouw, onderhevig wordt aan de wetten van de consumptie, een ingecalculeerde beperkte overlevingskans. Wat de venustas betreft, het moeilijkste begrip om te omschrijven, kan men bij het hedendaagse bouwen veel vragen plaatsen. Voor velen is “bekoorlijkheid” het synomien van een landelijke woning in hoeve- of klassieke “stijl”, ingeplant op een georganiseerde verkaveling waar het groen meestal is gereduceerd tot enkele meters tussen de woning en de perceelgrens. Een romantische gedachte waarop de bouwindustrie met prefabhuizen en de sleutel-op-de-deurformule bikkelhard inspeelt.

 

Wat de doorsneearchitectuur in België voorstelt, werd door de beeldende kunstenaar Guillaume Bijl in 1988 op de Biënnale van Venetië voortreffelijk weergegeven met zijn “Fami-Home”, een fermette op ware grootte opgetrokken in het Belgisch paviljoen te Venetië.

 

Via bouwvoorschriften wordt bij verkavelingen vaak een vooropgesteld beeld geïnstitutionaliseerd. Deze richtlijnen zijn opgesteld om de “stedebouwkundige” chaos in te dijken, maar bestendigen ook het burgerlijke ideaal van de landelijke woning om het verwachtingspatroon niet te schaden. Boeiend is de halfcylindrische, ijzeren “loodswoning” op een landelijke verkaveling even buiten Gent. Door het beperkte budget opteerden de architecten Henk de Smet en Paul Vermeulen voor deze industriële oplossing. Het is een constructie die men overal kan aantreffen in landelijke gebieden. De omringende bewoners schrokken hevig en reageerden zeer negatief. Met deze oplossing wordt het beeld van een rustiek of modern lijkende woning op een fundamentele wijze doorprikt. Het is een realisatie die ons doet nadenken over het begrip “landelijk” in een bijna compleet verkaveld land!

 

Een harde vaststelling met onomkeerbare dimensies is de voortschrijdende verstedelijking en de snelheid waarmee dit gebeurt. Met een bijna aan waanzin grenzende energie wordt jaar na jaar open ruimte in beslag genomen en worden België en zeker Vlaanderen één grote bebouwde agglomeratie met enkele overblijvende groene vlekken.

 

Dertig jaar na een wet op de stedebouw staat er nog steeds geen rem op de lintbebouwing en de suburbanisatie. De verkavelingswoede kent ups en downs, volledig bepaald door de economische conjunctuur. De roep naar nog meer bouwgrond en industrieterreinen blijft en de druk om hiervoor gewestplannen aan te passen, neemt zeker niet af.

 

De Belg, “geboren met een baksteen in zijn buik” palmt zijn land voorgoed in met infrastructuur en gebouwen. Tijdens dit decennium werd in Vlaanderen een magische kaap overschreden: meer dan de helft van onze bodem is bebouwd! Wie in de jaren zeventig geloofde in een massale terugkeer naar de stad, gestimuleerd door de energiecrisis, moet nu vaststellen dat, door goedkope individuele mobiliteit, dit niet is gebeurd.

 

Wat zich in de jaren zeventig reeds aandiende, werd in een snel tempo verder ontwikkeld. Ring- en invalswegen van steden werden slagaders met distributieketens: “superlintbebouwing” met Maxi’s, Supers, Homes en ander soorten “Landen” voor voeding, textiel, video... De weg Boom-Antwerpen spreekt boekdelen over de verschuiving van onze koopgewoontes, maar ook over de totale afwezigheid van een stedebouwkundig beleid.

 

In een erg liberaal klimaat moet architectuur gedijen. Professor Bekaert benadrukt dat deze context fundamenteel bepalend is voor de archictectuur in België en de houding van de Belg ten aanzien van het bouwen.

 


Internationale context

 

 

Tijdens het afgelopen decennium groeide de publieke belangstelling voor architectuur, een fenomeen dat zeker verband houdt met een steeds groter wordende bekommernis voor het milieu. In de ons omringende landen is deze trend nog explicieter. Architectuur en de discussie over architectuur werden opnieuw deel van een breder cultureel debat. Men herontdekt de fundamentele rol die een architect in de samenleving zou moeten krijgen: het intelligent bedenken van gebouwen die op verschillende niveaus een positieve bijdrage betekenen, zowel voor de gebruikers als voor de leefomgeving. Verschillende buitenlandse politici profileerden zich als verdedigers van architectonische kwaliteit, willen op die manier zelfs hun naam “vereeuwigen” en halen hiermee ook electoraal voordeel. Het meest sprekende voorbeeld hiervan is de Franse president Mitterrand met zijn Grand Projet, waarmee hij Parijs een aantal nieuwe artefacten heeft geschonken. Wie kent niet de naam Pei, de architect van de glazen piramides van het Louvre! Mitterands belangstelling had ook onrechtstreeks een positieve invloed op een meer open architectuurklimaat in Frankrijk.

 

In Engeland werd de architectuurdiscussie aangezwengeld door niemand minder dan prins Charles. Het boek met zijn visie werd zelfs een bestseller van de jaren tachtig!

 

Aan de vooravond van de Europese eenwording neemt de internationalisering van de ontwerpopdrachten toe. Dikwijls wordt een beroep gedaan op gerenommeerde buitenlandse architecten om een vernieuwde impuls te geven aan een plaatselijke architectuurdiscussie.

 

Buitenlandse steden ontdekten de architectuur als een hulpmiddel om via de media in de internationale belangstelling te komen. De IBA-manifestatie in Berlijn (Internationale Bauausstellung) in het begin van de jaren tachtig had een groot Europees effect. Pas op het einde van de jaren tachtig heeft dit project invloed in België, onder andere met het initiatief Stad aan de Stroom in Antwerpen.

 

Het uitnodigen van vakbekwame architecten kan echter ook als voorwendsel worden aangewend door mediageile politici of om elke discussie te ontzenuwen. Dit gebeurde in Antwerpen met de invitatie van de wereldbefaamde Amerikaanse architect Richard Meier voor een nieuw administratief complex ter vervanging van de monumentale Koninklijke Stapelhuizen. Groot gejuich dat de stad een bouwwerk zou krijgen van een “star” architect, terwijl men in ijltempo besliste tot het slopen van de unieke stapelhuizen zonder dat er voldoende waarborgen waren dat Meiers gebouw er zou komen.

 

In het buitenland nam de overheid belangrijke initiatieven om architectuur een groter cultureel en publiek draagvlak te geven. Dit gebeurde via tentoonstellingen, publikaties, colloquia enz. Frankrijk kreeg haar Institut Français d’Architecture in Parijs. In dezelfde stad werd het Pavillon de l’Arsenal een informatiecentrum voor het presenteren van nieuwe projecten.

 

In Frankfurt opende men het Duits Architectuurmuseum (D.A.M.) en Nederland kreeg een Nederlands Architectuurinstituut. In de grote musea organiseerde men architectuurtentoonstellingen.

 

De jaren tachtig kenden een spectaculaire toename van architectuurpublikaties, zowel vulgariserende als monografieën en gidsen. Ook in dag- en weekbladen komen architectuur en bouwen in het algemeen meer en meer aan bod. Een vaststelling die ook geldt voor België. Het aantal architectuurprijzen nam eveneens toe.

 

In België bleef de overheid veeleer op de achtergrond. Deze afzijdigheid werd echter ondervangen door een aantal meer bescheiden privé-initiatieven. In Brussel startte in 1986 de Fondation pour l’Architecture en in Gent in 1983 de Stichting Architectuurmuseum (S/AM). In haar tentoonstellings- en publikatiebeleid opteerde de S/AM om het recente werk te tonen van jonge architecten. Het belangrijkste kunstencentrum in Vlaanderen, de Singel in Antwerpen, wil zowel internationaal befaamde als Belgische ontwerpers presenteren.

 

Aangezien gebouwen onroerend zijn, moet men bij architectuurexposities een beroep doen op foto’s, maquettes en andere hulpmiddelen. Dat vaak informatieve karakter staat ver af van manifestaties waar het kunstwerk reëel aanwezig is. Het lijfelijk ervaren van de architectuur in haar natuurlijke context van stad en dorp blijft het meest boeiend. Het enorme succes van Chambres d’Amis (1986) te Gent waarbij vijftig kunstwerken onderdak vonden in evenveel woningen, is gedeeltelijk ook te verklaren door de fascinatie van de mens, tot op de grens van het voyeurisme, om het binnenste van een gebouw te ontdekken. Professor Bekaert omschreef Chambres d’Amis ook als de grootste architectuurtentoonstelling van het jaar!

 

Het publiek informeren en sensibiliseren voor hedendaagse kwalitatieve architectuur lag aan de basis van twee manifestaties: Architectuur als Buur (Gent 1987) en KOMA (Konfrontatie Moderne Architectuur, Kortrijk 1990). Naast een expositie en een publikatie kon men onder begeleiding een aantal interessante realisaties gaan bekijken. In navolging van de nationale Open Monumentendag, die sinds 1989 een gigantisch succes kent, organiseerde de Orde van Architecten jaarlijks een dag waarop honderden woningen worden opengesteld en dit ter promotie van het architectenberoep. Deze intiatieven dragen bij tot een sensibilisering, niet tot een diepgaand architectuurdebat, laat staan tot nieuwe beleidsopties.

 

Veel fundamenteler is het groots opgezette gebeuren Stad aan de Stroom in Antwerpen (1990). Om ideeën te ontwikkelen voor belangrijke stedelijke locaties aan het waterfront (het Eilandje, de Kaaien en het Zuid) werden een open wedstrijd en een meervoudige studieopdracht uitgeschreven. Voor dit laatste werden naast de Belg bOb van Reeth/AWG ook befaamde buitenlandse ontwerpers aangetrokken: Rem Koolhaas/OMA, Toyo Ito, Yves Lion, Beth Gali en Manuel de Solà-Morales.

 

Naar anologie met wat zich in andere grote Europese steden voordoet, ontstaan ook bij ons nieuwe beleidsopties. Er wordt eerst geïnvesteerd in denkwerk vooraleer men financiële middelen gaat vrijmaken om concreet te bouwen. Niet enkel de ingediende projecten zijn in dit proces van belang, ook de nieuwe aanpak van het beleid in relatie tot het omgaan met de stad, wat toch een levend organisme is, is hoopgevend.

 

Voor belangrijke publieke gebouwen of stedebouwkundige plannen doet men in het buitenland vaak een beroep op de formule van de meervoudige opdracht. Tegen betaling wordt aan verschillende ontwerpers gevraagd een ontwerp te maken waarna de opdrachtgever een keuze maakt. Deze werkwijze komt meestal ten goede aan de architectonische kwaliteit en depolitiseert ook het toekennen van ontwerpopdrachten.

 

Een dergelijke werkwijze werd ook bij ons gebruikt voor twee belangrijke projecten. Voor een nieuw havengebouw in Zeebrugge deed men een beroep op vijf architecten: de Belgen bOb van Reeth/AWG en Charles Vandenhove, de buitenlanders Fumihiko Maki, Aldo Rossi en Rem Koolhaas/OMA. De keuze viel op het sublieme voorstel van Koolhaas, een van de meest fascinerende projecten van de jaren tachtig. Het betreft een ontwerp waarvoor men hopelijk de moed en de financiële middelen zal vinden om het te realiseren.

 

Voor het gebied Hoog Kortrijk, de omgeving van het Hallencomplex, formuleerden vier ontwerpers een voorstel: AWG/bOb van Reeth, Stéphane Beel, Rem Koolhaas en Bernardo Secchi. Deze laatste kreeg de opdracht om zijn project verder uit te werken.

 

In vergelijking met de ons omringende landen is er een geringe openbaarheid en nauwelijks een gespreksplatform om tot een coherent opdrachtenbeleid te komen.

 

Verschillende factoren zijn hiervoor medebepalend: een gebrek aan openbaarheid van bestuur, de politisering van het toekennen van opdrachten, weinig interesse bij de architecten voor een open debat en te weinig journalisten die met kennis van zaken het bouwen in een ruimer perspectief kunnen plaatsen. Kan er enige verandering komen in een land met een “beschermende” Orde van Architecten en meer dan 8.000 architecten, een Europees record in verhouding tot de bevolking?

 

De Belgische architectuur krijgt enige waardering in het buitenland. Vandenhove en Albert kregen opdrachten in Nederland louter omwille van hun reeds gerealiseerde oeuvre! Ook voor Vlaamse architecten als bOb van Reeth, Luc Deleu en Stéphane Beel is er een duidelijke buitenlandse belangstelling. In 1988 behaalde architect Jo Crepain in Italië de internationale architectuurprijs Andréa Palladio met de woning Sijssens te Brasschaat. De aanwezigheid van de Vlaamse architecten op de Vde Internationale Architectuurbiënnale van Venetië 1991 kan zeker bijkomende impulsen geven.

 


Architectuur van de overheid

 

 

Gebouwen komen tot stand op initiatief van de privé-sector of van de overheid. Deze laatste investeert jaarlijks miljarden van het geld van de gemeenschap voor het bouwen van postkantoren, stations, scholen... en dit zonder zich veel te bekommeren om het architectonisch niveau. Overheidsgebouwen die het louter functionele overstijgen, die iets meer te vertellen hebben dan hun constructie, zoals het postgebouw van Eysselinck in Oostende of de Singel van Stynen in Antwerpen, zijn uiterst zeldzaam in het Belgische architectuurlandschap. Men kan zich de vraag stellen naar de oorzaken van deze middelmatigheid of waarom de meeste gebouwen compleet irrelevant zijn in de ontwikkeling van onze 20ste-eeuwse Belgische architectuur, dit in tegenstelling tot de 19de eeuw. Een mogelijk antwoord is complex en heeft verschillende facetten.

 

In het artikel De negatie van een eigen bouwcultuur gaat Francis Strauven in op het opdrachtenbeleid van de Belgische en Vlaamse overheid. Opdrachten worden maar al te vaak met een grote lichtzinnigheid uitgedeeld alsof het gaat om een vorm van “sociaal dienstbetoon”. Zelfs bij het ontbreken van budgetten worden opdrachten verleend met als gevolg dat sommige projecten meer dan tien jaar op hun uitvoering wachten en dan meestal achterhaald zijn. Zoals in vele andere geledingen van onze samenleving heeft de politieke en ideologische verzuiling ook nefaste gevolgen voor de architectuur. Hierbij heeft ontwerptalent nauwelijks enige betekenis. Wat een “rode”, “blauwe” en “oranje” architectencombinatie oplevert, toont ons het nieuwe theatergebouw in Antwerpen! Kwalitatieve architectuur is nog nooit een programmapunt geweest van een van de traditionele politieke partijen.

 

Wie had gehoopt dat er een nieuwe aanpak zou komen in Vlaanderen na de regionalisatie van 1980 kwam bedrogen uit. Dit komt schrijnend tot uiting in de twee nieuwe grote kantoorgebouwen van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel: het Markiescomplex nabij de Sint-Goedelekathedraal en het Boudewijncomplex aan de Leopold II-laan. Alhoewel de overheid niet optrad als bouwheer konden de twee gebouwen via een langlopende huurovereenkomst worden gerealiseerd. De twee gebouwen zijn ontworpen door architect Jacqmain van het Atelier de Genval. Vooral de pseudo-gotische pastichegevel van het Markiesgebouw is een aanfluiting en een gemiste kans voor Vlaanderen om via een kwalitatief sterk ontwerp visueel een plaats op te eisen in Brussel.

 

Een ander groot complex dat de emanatie moest betekenen van het dynamische Vlaanderen is het Flanders Expo-complex in Gent. Alhoewel geen overheidsopdracht, kwam het toch via omwegen tot stand als onderdak voor Flanders Technology. Geen uitstraling van vernieuwing of nieuwe technologie, wel een alledaags gebouw als honderden andere Super- en Maxicomplexen.

 

Het nieuwe Museum van Hedendaagse Kunst in Antwerpen (MUHKA) kreeg kritiek te verduren op architectonisch vlak. Positief is zeker de keuze van de inplanting: het gaf de Zuidwijk een vitale injectie. Wanneer men het MUHKA gaat vergelijken met de nabijgelegen Galerie Van de Velde van architect Baines, ontdekt men de ruimtelijke beperkingen ervan.

 

Een meer geslaagde verbouwing is het Provinciaal Museum voor Moderne Kunst (PMMK) in Oostende, ondergebracht in het voormalige SEO-warenhuis ontworpen door architect Eysselinck. Een vergelijking met het MUHKA is relevant omdat men tot de vaststelling komt dat een warenhuis gemakkelijker is te transformeren dan een silo! Het is boeiend dat een samenleving op een inventieve wijze op zoek gaat naar nieuwe bestemmingen voor bestaande constructies, maar elk gebouw is niet geschikt voor om het even welke nieuwe functie. Het nieuwe Museum van Schone Kunsten te Brussel werd in 1984 officieel opengesteld. Het ontwerp van de architecten Bastin en Beeck dateert van de jaren zeventig. Het is een gebouw waarvan een gedeelte is opgetrokken achter oude gevels, terwijl de zalen bijna volledig ondergronds zijn. Dit complex zal in de annalen van de Belgische architectuur zeker het voorbeeld bij uitstek blijven van de discussie over de manier waarop nieuwbouw zich moet inpassen in een stad.

 

De grootste opdrachtgever van de overheid is de Regie der Gebouwen van het Ministerie van Openbare Werken. Door de Regie, die vroeger nauwelijks belangstelling had voor ons historisch patrimonium, werden een aantal renovaties in het Brusselse mogelijk, onder andere de Waucquezmagazijnen van Horta die werden getransformeerd tot het Centrum voor het Beeldverhaal, en de verbouwing van de Muntschouwburg. Deze laatste gebeurde onder leiding van het bureau A2RC & Urbat.

 

Ook architect Vandenhove werkte mee aan deze renovatie. In samenwerking met internationaal gerenommeerde kunstenaars als Buren, Paolini en Sol Lewitt gaf hij het entreegedeelte en het Koninklijk Salon vorm.

 


Wallonië

 

 

Alleen al door de aanwezigheid van architect Charles Vandenhove blijft Luik het belangrijkste centrum. In het begin van de jaren tachtig werd Hors Château in gebruik genomen, een boeiend stadsvernieuwingsproject in de Luikse binnenstad. Hier toont Vandenhove op een sublieme wijze hoe men restauratie, renovatie en nieuwbouw kan verenigen tot een nieuw geheel. Het is een evenwicht tussen restauratie en eigentijdse creativiteit. De internationale belangstelling bleef niet uit. In 1985 presenteerde het Institut Français d’Architecture (IFA) in Parijs een restrospectieve van zijn oeuvre, een overzicht dat onmiddellijk resulteerde in een opdracht voor een invulproject op de Montmartreheuvel. Nadat de IFA-expositie in Amsterdam werd getoond, kreeg Vandenhove opdrachten in Den Haag, Hellevoetsluis, Maastricht en Amsterdam. Terwijl hij in het buitenland erkenning kreeg, werd hem de afwerking van het Universitair Ziekenhuis te Luik ontnomen: een magistraal complex waaraan hij gedurende meer dan twintig jaar het beste van zichzelf gaf. Tussen 1985 en 1990 realiseerde Vandenhove slechts één belangrijk gebouw in het Luikse, een tehuis voor kinderen “La Maison Heureuse” te Ans.

 

Zijn architectuur bezit een strenge geometrie. Door vaak gebruik te maken van repeterende elementaire vormen krijgen zijn gebouwen een bijzondere monumentaliteit. Vandenhove omschrijft zijn benadering als “premoderne architectuur”. Wat in zijn oeuvre onveranderlijk is gebleven, is het gebruik van mooie materialen, niet uit een zucht naar luxe, wel uit liefde voor de kwaliteit van de materie en de zorgvuldige verwerking ervan. Steeds tracht hij samen te werken met beeldende kunstenaars. Dit alles komt tot uiting in “La Maison Heureuse”.

 

Samen met Vandenhove is Bruno Albert de interessantste Waalse architect. Zijn werk getuigt van een grote rijpheid in de beheersing van de architectonische middelen.

 

Met een sober, maar uiterst geraffineerd vocabularium maakt hij gebouwen die een tijdloos karakter in zich dragen. Zijn werk ontsnapt aan trends en formalistische oplossingen. De zorg waarmee Albert zijn gebouwen ontwerpt en detailleert, getuigt van een grote liefde voor het vak en een geloof in de ethische positie die een architect dient in te nemen voor de kwalitatieve verbetering van onze gebouwde leefomgeving.

 

Zijn meest representatieve realisaties uit de jaren tachtig zijn: de woning Herzet te Esneux, de verbouwing van drukkerij Mardaga te Luik (waaraan ook Dan van Severen meewerkte) en een sportcomplex te Verviers (in samenwerking met ir. René Greisch). Albert kreeg erkenning uit Nederland: momenteel wordt een groot woningcomplex opgetrokken in Amsterdam. Zoals Vandenhove wacht Albert nog steeds op een belangrijke overheidsopdracht!

 

De inbreng van ingenieur René Greisch heeft een grote invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van het oeuvre van Vandenhove en Albert. Een ingenieur moet volgens Greisch ingenieuze oplossingen bedenken waarbij het hoofddoel steeds het maken van mooie, elegante constructies moet zijn. Greischs streven om technische mogelijkheden te combineren met de schoonheid van de vorm heeft hij op een meesterlijke wijze gevisualiseerd in zijn bruggen over de Maas (Ben-Ahin) en over het Albertkanaal tussen Luik en Maastricht (onder andere Lanaye, Hermalle en Wandre).

 

Deze bruggen behoren tot de mooiste van Europa.

 

Misschien zijn deze “kunstwerken voor het collectief geheugen”, zoals Paul Vermeulen deze land-marks omschreef, het beste wat België het laatste decennium presteerde op Europees niveau!

 

Realisaties uit Wallonië die zeker het vermelden waard zijn: het Shell-onderzoekscentrum in Louvain-la-Neuve van architect Samyn & Vennoten, een school te Hamme-Mille van de architecten Yves Lepère & Joseph Polet, de regionale zetel van de Generale Bank in Verviers van de architecten Fettweiss en Geenen en een natuurcentrum in de Hoge Venen van architect Englebert.

 

Wat betreft de sociale huisvesting dient zeker de wijk Bernalmont te Luik van architect Arnould en ingenieur Greisch te worden vermeld. Het optimaal gebruik van de terreinhelling en een uiterst verzorgde afwerking maken van dit ensemble een kwalitatief hoogstaande bijdrage op dit gebied.

 

Voor de historische, landschappelijke site van Waterloo organiseerde de Koning Boudewijnstichting in 1988 een internationale ideeënwedstrijd. Architect Rik Nijs werd laureaat, maar een concrete uitwerking bleef achterwege.

 


Brussel, Europese hoofdstad

 

 

Duizenden mensen komen jaarlijks naar Brussel om de Art Nouveau te bewonderen. Rond de eeuwwisseling was de stad het centrum van architectonische vernieuwing in Europa, vooral door het werk van Hankar en Horta. Dat Brussel al lang geen pioniersrol meer inneemt, weet ondertussen wel iedereen. In vergelijking met andere Europese steden is het erg bedroevend gesteld met de hedendaagse architectuur. Welke gebouwen overstijgen het louter produceren van vierkante meters en bevallige gevels?

 

Welke nieuwe toevoeging roept enige fascinatie op?

 

Als reactie op de agressieve, zielloze architectuur van de jaren zestig en zeventig pleiten velen, onder leiding van Maurice Culot en het AAM, voor een terugkeer naar een klassiek architectonisch vocabularium voor het ontwerpen van gevels. Meestal resulteerde dit in modische gevelmaquillage. Het succes van het bureau A & U met onder andere het SAS-hotel is hiervan een sprekend voorbeeld.

 

Gebouwen die zeker kwaliteiten bezitten op architectonisch en stedebouwkundig vlak zijn: de Economische Hogeschool Sint-Aloysius (ir.-architect Alfons Hoppenbrouwers, de BAC-hoofdzetel, het Europees Parlement (Groep Planning) en de nieuwbouw en restauratie van Concert Noble (Groep Planning).

 

Veel bescheidener van omvang is architect Luc Maes’ verbouwing van een Art Nouveau woning met een aanpalend indrustriepand tot een Centrum voor Middenstandsopleiding.

 

Ongetwijfeld het meest opzienbarende nieuwe gebouw in de Brusselse regio is het hoofdkantoor van SWIFT in Terhulpen van de befaamde Spaanse architect Ricardo Bofill en zijn Taller de Arquitectura. Ingeplant in het groen is dit “Versaillesachtig”, op de klassieke symmetrie gebaseerde gebouw een mooie illustratie van het streven naar een nieuwe monumentaliteit. Als tegenpool van de massieve zijvleugels bezit het centraal gelegen entreegedeelte een atrium in glas.

 

Terwijl men in het Brusselse Brupark op de Heizei de hoogtepunten van de Europese bouwkunst kan bewonderen in schaalmodellen (een nieuwe toeristische attractie), blijkt deze stad niet in staat om haar rijke patrimonium aan te vullen met hedendaagse creaties die de grijze middelmaat overstijgen. Het “façadisme” viert hoogtij.

 

Het meest dramatische verhaal is de nieuwbouw op het Europakruispunt, het driehoekig terrein tussen het Centraal Station en de Grote Markt. Voor deze open plek kwamen tientallen voorstellen van de tekentafel. In 1984 behaalde architect Georges Baines de Bonduelleprijs, een van de meest eerbiedwaardige onderscheidingen, met een waardevol ontwerp. Wat er nu staat, is echter een complete aanfluiting, een banale platvloerse pastiche. Een volledig gemiste kans in het hart van de “Europese stad”. Wie is hiervoor verantwoordelijk? De overheid die voor een dergelijk ontwerp een bouwvergunning afleverde, de bouwpromotor of de architect zonder vakkennis die niet eens weet hoe men een gevel met elementaire verhoudingen moet ontwerpen? Gaat het hier om een collectieve verantwoordelijkheid?

 


De sociale huisvesting

 

 

In vergelijking met bijvoorbeeld Nederland heeft de Belgische overheid, met uitzondering van een periode na de oorlogen, weinig prioriteit gegeven aan de sociale huisvesting. Het aantal sociale woningen liep jaarlijks spectaculair terug, een evolutie die niet enkel te maken heeft met een economische recessie of een geringe toename van de bevolking. In de periode 1975-1980 waren er jaarlijks 6.000 eenheden terwijl voor 1985-1990 in Vlaanderen slechts 660 eenheden op jaarbasis werden afgewerkt! Men kan stellen dat het hier gaat om een bewuste afbouw en om de optie om de volkshuisvesting zoveel mogelijk via het vrije marktmekanisme te realiseren. Deze optie is zeker problematisch voor grotere stedelijke agglomeraties.

 

Gelijktijdig met deze sterke vermindering van het marktsegment van de sociale huisvesting werden initiatieven genomen om de architectonische kwaliteit te verbeteren. In 1984 en 1985 organiseerde de toenmalige minister Buchmann op initiatief van architect Crepain de WISH-wedstrijden (Wedstrijden Ideeën Sociale Huisvesting). Het werd echter geen blijvende impuls. Door de steeds wisselende kabinetten is het onmogelijk om een beleid met enige continuïteit te ontwikkelen. Het opzet resulteerde wel in een aantal waardevolle realisaties verspreid over Vlaanderen: een nieuwe woonkern in Tervuren (architect Jan Maenhout), in Beveren-Waas (groep STAD) en in Kuurne “Ter Groenen Boomgaard” (architecten Louis Hagen en Pierre Huyghebaert).

 

In een stedelijke context valt hier zeker een appartementsgebouw in Antwerpen (architect Lode Wouters en Fons Mostien) te vermelden. WISH veranderde niets fundamenteel aan het idee van de sociale huisvesting, noch aan de twee partijen “de huisvesters” en “de gehuisvesten”. Wel kregen jonge dynamische ontwerpers kansen, verhoogde de architectonische kwaliteit en werden de opdrachten “gedepolitiseerd”.

 


Nieuwe behoeften / nieuwe gebouwen

 

 

In een snel veranderende samenleving worden gebouwen afgestoten wanneer hun oorspronkelijke functie komt te vervallen. Voor nieuwe noden, al dan niet op een artificiële wijze aangewakkerd, ontstaan nieuwe gebouwen. Vooral gebouwen met een publieksgerichte functie tonen ons bijgevolg ook de maatschappelijke transformaties die zich voordoen.

 

Recreatie is een steeds belangrijker wordend aspect. Kleine bioscoopzalen in het stadscentrum verdwijnen om plaats te maken voor gigantische complexen aan de rand van de stad. Gent kreeg haar Decascoop en Brussel Kinepolis. “Vakantieparken” vonden met het introduceren van tropische zwembaden een uniek lokmiddel. Men kan stellen dat in de jaren tachtig een nieuw type zwembad zijn intrede deed in België: een cirkelvormig volledig beglaasd gebouw. Tegenover het klassieke rechthoekige zwembad, dat associaties oproept met competitie, is de nagebootste “natuur” in het nieuwe type een illusie van verre tropische bestemmingen.

 

Goedkope grondprijzen zijn noodzakelijk om sociale huisvesting te kunnen realiseren, zeker in stedelijke agglomeraties. In functie hiervan ontwikkelde de Brusselse overheid in het begin van de jaren tachtig het idee om oude militaire kazernes te transformeren tot bouwlocaties voor sociale huisvesting. Er werd zelfs een nationale architectuurwedstrijd uitgeschreven voor de Rolinkazerne, gewonnen door architect Jef van Oevelen. Van dit opzet kwam echter weining in huis!

 

Het hergebruik van industriële panden is ook een fenomeen van de jaren tachtig. Honderden atelierruimtes werden verbouwd tot Aldi’s en dergelijke om alzo de reglementering voor nieuwe grote winkeloppervlakten te ontwijken. Ook woningen, die men omschrijft met het Engelse woord loft, werden ondergebracht in meestal verlaten industrieruimtes.

 

De loft van Loppa in Antwerpen, getransformeerd door architect Kris Mijs en de verbouwing van de Nieuwe Molens in Leuven illustreren deze tendens.

 

Het verouderingsproces van onze bevolking resulteert ook in een toename van gebouwen die specifiek zijn ontworpen voor de opvang van bejaarden. Binnen een strikte reglementering is het geriatrisch centrum “Ter Kerselaere” in Heist-op-den-Berg van architect Ferre Verbaenen zeker de knapste realisatie, die ook invloed had op ontwerpen van andere architecten. Ook architect Lucien Kroll, die in de jaren zeventig internationaal in de belangstelling kwam met het studentenhuis “La Mémé”, bouwde een bejaardentehuis in Oostende. Hier maakte hij eveneens gebruik van een grote diversiteit van vormen en materialen om de eentonigheid van een groot gebouw te breken.

 


De jaren tachtig / een "oude" en een "nieuwe" generatie

 

 

Wie nu de boeiendste architectuur maakt, de “oude” of “nieuwe” generatie, is weinig relevant. De afgelopen tien jaar profileerden zich een aantal architecten die reeds met hun werk in de jaren zeventig de aandacht trokken.

 

Ongetwijfeld de belangrijkste persoonlijkheid is bOb van Reeth. In het begin van de jaren tachtig richt hij AWG (Architectenwerkgroep) op en evolueert zijn architectuur naar een grotere beheersing en zuiverheid van de totaliteit.

 

Zijn oeuvre, waarin veeleer de nadruk ligt op een attitude ten opzichte van architectuur dan op een streven naar een herkenbare taal, blijft beperkt. Het meest gepubliceerde gebouw in Vlaanderen na 1980 is ongetwijfeld de woning Van Roosmalen. Volgens Professor Bekaert gaat het hier om een bundeling van alle karakteristieken van Van Reeths werk: “De beheersing en elegantie van de vorm, het respect voor en de waardering van de context die het vernieuwt, de speelsheid en de inventiviteit waarmee beelden, in casu de allusie op een ontwerp van Adolf Loos, zowel als de verwijzing naar maritieme symbolen, worden aangewend”.

 

Jo Crepain manifesteerde zich in de jaren zeventig met een aantal interessante rijwoningen met een sterke ruimtelijke beheersing. In de jaren tachtig maakt hij gebruik van een symmetrisch ordeningsprincipe, een benadering die in de woning De Wachter (1982-1984) tot uiting komt. Deze “roze tempel” of “Palladiaanse villa”, om slechts de twee meest voorkomende omschrijvingen te citeren, wordt uitvoerig gedocumenteerd in OKV.

 

Binnen de Belgische architectuurscène neemt Luc Deleu een uitzonderlijke plaats in. Zijn positie is controversieel voor velen, voor anderen is hij de enige wezenlijke architect, iemand die de verbeelding openlaat en terreinen aftast waarvoor bij andere architecten weinig belangstelling bestaat. In de jaren tachtig legt hij zich toe op projecten met als thema “Schaal en perspectief”. Een van zijn meest spectaculaire voorstellen maakt hij in 1989: een TGV “luchtlijn” boven Brussel. Uitgewerkt met een grote zin voor realiteit, wil Deleu met dit project ook beklemtonen dat in de discussie over de TGV nooit het architectonische aan bod komt, omdat het architectenkorps hiervoor geen belangstelling toont. Ook zijn inzending voor de wedstrijd Stad aan de Stroom, door de jury als oninteressant afgedaan, valt hier te vermelden. Met het aanbrengen van een draaibare brug over de Schelde wil Deleu vooral benadrukken dat het geven van een nieuwe dynamiek aan een stad meer is dan stedelijke renovatie.

 

Elk decennium brengt ook een nieuwe generatie. Met meestal zeer bescheiden realisaties zoals een individuele woning, een verbouwing of een winkeltransformatie eist zij een plaats op. In een tijd van grootschaligheid stelt men vast dat de meest boeiende gebouwen nog steeds het werk zijn van een individu en niet van grote bureaus.

 

Interessante woningen ontstaan ook wanneer architecten voor zichzelf bouwen, zoals de woning Bruggemans in Neerijse (1980), de woning Demartelaere in Leefdaal (1980-1981), de woning Wintermans in Mol (1982-1984), de woning Defraeijne in Gent (1985), of de woning Deceuninck in Aalter (1985). Deze laatste is een eenvoudig rechthoekig volume met een hellend dak: geen pseudo-hoeve, maar ook geen modernistische villa met een plat dak. Dit zoeken om woningen te ontwerpen binnen de rationaliteit van het eenvoudige volume vindt men ook bij Eugeen Liebaut terug, vooral in de woning Gees te Erpe-Mere.

 

De keuze voor eenvoud, waarbij alle aandacht gaat naar afgewogen verhoudingen zowel in de gevel als in de ruimtelijke ontwikkeling, is ook de essentie van het werk van M.-José van Hee. Dit komt het sterkst tot uiting in de woning Lowie-Derks te Gent (1982-1987).

 

In het werk van Paul Robbrecht en Hilde Daem staat de verhouding tussen architectuur en beeldende kunst centraal, wat tot uiting komt in de woning Mys en het penthouse Mariën-Meert.

 

Weinig architecten krijgen de kans om zich te affirmeren met een groot project. Met het kantoorgebouw De Noordstar te Gent toont Henk de Smet dat hij op een intelligente wijze een programma en een site kan combineren tot een verrassend geheel.

 

Met twee realisaties, onder andere “Ringzicht” dat in OKV aan bod komt, toont W.-J. Neutelings zijn vermogen om sterke architectonische beelden te produceren. In het gebouw “Ringzicht” komt hij tot een uiterste helderheid van de plannen en ontstaat een boeiende, onverwachte hoekoplossing.

 

Een van de boeiendste figuren die zich hebben aangemeld is Stéphane Beel. Op vijf jaar tijd bewees hij met een aantal opmerkelijke realisaties zijn ontwerptalent.

 

Vertrekkend vanuit een programma van eisen weet hij functionaliteit te koppelen aan een verbluffend ruimtelijk inzicht. Geen grote verhalen, wel een vermogen om architectuur te maken met de elementaire middelen die een ontwerper ter beschikking heeft: muren en licht. Dit komt tot een eerste synthese in het Spaarkrediet te Brugge, een van de knapste bijdragen tot de Belgische architectuur van de jaren tachtig. Voor andere projecten met een ander programma blijft het thema constant: ruimte maken in de nabijheid van wanden. Dit komt tot uiting in de woning Van Pelt te Zoersel, een 60 meter lange villa in Zedelgem en de woning Leuridan in Mortsel.

 

Zoals reeds gesteld, ontstaan boeiende gebouwen enkel wanneer bij een opdrachtgever de openheid aanwezig is om het onverwachte een kans te geven. Een interessante ingesteldheid toont ons de BAC Spaarbank met een aantal van haar nieuwe filialen. In plaats van aan “architectuurstandaardisering” te doen zoals de andere banken, koos de BAC om per locatie de boeiendste architectonische oplossing te zoeken. Men inviteerde meestal jonge ontwerpers die verfrissende oplossingen bedachten binnen een strikt geformuleerd programma.

 

Voor de nieuwe regionale zetels van Mechelen en Brugge koos de BAC voor een meervoudige opdracht, respectievelijk gewonnen door architect Baines en Beel & Morel. Dat dit nummer van OKV twee BAC-filialen bevat, is dan ook niet toevallig.

 

In de geschiedschrijving wordt te weinig gewezen op de belangrijke rol van de opdrachtgever. Twee magistrale topwerken van de wereldarchitectuur in Brussel, hotel Solvay van architect Horta en het Palais Stoclet van Jozef Hoffmann, zijn er niet enkel gekomen door de financiële draagkracht van de heren Solvay en Stoclet, maar ook door hun openheid en hun durf om te kiezen voor het onverwachte.

 

Er is dringend nood aan ”bouwheren” met persoonlijkheid.

 

Marc Dubois


Architectuur van de winkelruimtes

 

 

Het stadsbeeld wordt bepaald door zijn architectuur en niet in het minst door winkels.

 

De winkel als onderdeel van ons economisch systeem van vraag en aanbod is nog steeds een vergankelijke en aan de mode gebonden vorm van verleiden. Door het overaanbod op de markt dienen produkt, verkoper en handelspand zich steeds opnieuw en steeds meer te onderscheiden. Een steeds bredere laag van de bevolking verlangt een zekere toegevoegde waarde, een vorm van exclusiviteit. Dit wordt vooral verwacht van een winkel of een zakenruimte, waar de consument wil binnentreden in een andere wereld van luxe en kwaliteit, of de indruk wil krijgen bij een exclusieve groep te horen, een culturele elite.

 

De visuele communicatie is uiterst belangrijk en de ontwerpers gaan aan het interieur een steeds sterkere visuele entiteit meegeven. Steeds meer verkoopt het imago van de winkel het produkt, en de klant koopt geen produkt, maar een levensstijl.

 

In het begin van de jaren tachtig, in volle economische crisis, ontwikkelde een deel van de winkelarchitectuur zich van toonkast voor de massa naar exclusieve ruimte voor een uitgelezen publiek.

 

Onze drang naar individualisme zal deze tendens ondersteunen. Het creëren van een sfeer of een totaalomgeving, het scheppen van een decorum, vormt de essentie van de opgave van de architectuur: ruimte waar geslenterd en geflaneerd kan worden, waarbij het kopen zélf naar de achtergrond lijkt te zijn verdrongen.

 

Zoals in vele andere aspecten van ons dagelijkse leven is de invloed van Japan ook fundamenteel wat betreft de recente ontwikkelingen in de winkelarchitectuur. De stiliste Rei Kawakubo (Comme des Garçons) maakte furore met haar modeontwerpen, maar ook met de inrichting van haar winkels in Europa. Kawakubo’s voorkeur gaat naar harde, solide materialen zoals beton, staal, glas en lood. Haar winkelruimtes zijn een ruimtelijke vertaling van haar filosofie: het zijn architecturale orkestraties van de leegte en het harde. In deze brutalistische omgeving controleert zij alles: de kleding, de ruimte, het licht en zelfs de muziek. Bij haar wordt de gehele ruimte etalage, het winkelen een gedragscode.

 

De invloed van Kawakubo was enorm, en in haar kielzog verscherpte onze belangstelling voor de hele, ook traditionele Japanse cultuur. Als waarachtige kleine theaters langs de straat, zijn deze boetieks weerspiegelingen van het No- en Kabukitheater, waarbij wij de precisie van het gebaar bij het passen, de schoonheid van het kledingstuk in het minimalistische decor en de hoogst verfijnde materialenbehandeling kunnen appreciëren als belangrijkste ingrediënten van het ontwerp.

 

De winkelarchitectuur van de jaren tachtig wordt echter ook gekenmerkt door enorme ruimtes van meerdere verdiepingen die Amerikaanse afmetingen benaderen. Deze boetieks, zoals de Esprit-keten in Europa, stellen een veelheid aan produkten voor in gigantische decors, produkten die wel precies binnen een welbepaalde lijn vallen met eenzelfde culturele referentie. De ambiance die soms dicht bij de sfeer van het filmplateau ligt, weerspiegelt beelden uit Hollywood of Cinecittà. De fascinerende verlichting, de muziek als onderdeel van het decor en de architectuur vormen één scenografie.

 

Enkele van deze realisaties gaan verder dan het gewone concept van de boetiek. Zij omvatten naast het presentatie- en winkelgedeelte een aantal diensten die dicht aanleunen bij de ontspanningsindustrie: een café of bar-restaurant, elektronische spelletjes, video’s en rustruimtes.

 

Wat ook de grootte is van de huidige winkels, de winkelarchitectuur bekleedt op dit ogenblik reeds een manifeste plaats in de ontwikkeling van de architectuur.

 

Winkels zijn meermaals gangmakers en voldoende excuus voor gerenommeerde architecten om hun creativiteit bot te vieren. Vrij van de limieten verbonden aan de “grote” architectuur realiseren zij tot in de perfectie afgewerkte ensceneringen van de illusie, de droom, het buitengewone, het jonge, het lege...

 

Paradoxaal genoeg rivaliseert deze efemere realisatie met de zogenaamde permanente architectuur in de behandeling van het detail, het gebruik van nieuwe technologie en het veelvuldig gebruik van edele materialen (marmer, graniet, dure houtsoorten, roestvrij staal). Uit deze tegenstellingen is, gecombineerd met marketingnoden, de interesse voor deze vorm van architectuur toegenomen.

 

De keuze voor een openheid of een geslotenheid naar de straat is erg bepalend in de huidige winkelarchitectuur.

 

Goede architectuur op zich wordt gelukkig steeds meer een stijl- en handelskenmerk voor de betere winkel. De ruimtelijke beleving wordt een conditio sine qua non, het is een onderdeel van het imago van het produkt.

 

De spectaculaire technische ontwikkelingen in de verlichtingsindustrie van het voorbije decennium hebben de enscenerende mogelijkheden enorm vergoot. Een vooropgestelde sfeer kan technisch trefzeker worden bereikt, elke architectonische ruimte en elk detail ervan kan perfect worden uitgelicht en benadrukt. De term lichtarchitectuur is hieruit ontstaan.

 

Het betere winkelinterieur in Vlaanderen gaat volledig met deze evolutie mee. Door onze geografische ligging en door de vele buitenlandse tijdschriften wordt de internationale produktie geassimileerd.

 

Openbaar Kunstbezit presenteert vier winkels waar deze tendensen worden gevisualiseerd. (Voor de afbeeldingen raadpleeg het pdf-formaat)

 

Steven Stals


Winkelruimte Queen's, Gent Ir. architect Dirk de Meyer

1988-1989

Om een ruimtelijke binding te realiseren tussen het oorspronkelijke, aan de straat gelegen winkelvolume en een volledig ingesloten gedeelte werd een schuine wand geïntroduceerd die aan de ganse ruimte een nieuw ortogonaal systeem oplegt. Deze wand vormt een ritmisch onderbroken scherm, visueel verdubbeld door het aanbrengen van een spiegel. De luifel, de licht schuine helling in het plafond en de rode loper versterken de beweging naar achter. Een groenmarmeren wand geeft de beëindiging aan. Om optimaal het daglicht in de winkel te brengen, werd de eerste verdieping in het hoofdvolume weggenomen. Ook de paskamers krijgen zenithaal daglicht.


Comme des Garçons, Brussel Concept: architecten Rei Kawakubo & Takao Kawasaki

Uitvoering: architect Karel Lindemans / architectuurbureau AR.BR.

1983-1990

Na Barcelona, Milaan en Parijs opende Rei Kawakubo een winkel in Brussel, gelegen aan het Sint·Katelijneplein. Deze winkel was niet enkel een trendzetter, maar gaf aan de wijk ook een zekere impuls voor andere nieuwe winkels. In de Daensaertstraat bijvoorbeeld met de twee interessante winkels, Stijl en Stijl +, beide ontworpen door Peter Cornelis. Comme des Garçons is ongetwijfeld de meest markante illustratie van de " leegte". De ruimte en niet de decoratie is hier essentieel.


Esprit Superstore, Antwerpen Architecten Antonio Citterio (Italië) en Werner de Bondt

1987-1988

In opdracht van het Amerikaanse textielconcern Esprit verbouwde men een 19de-eeuws pand gelegen aan de Meir. Enkel de gevels werden behouden, het interieur werd volledig gesloopt. Daarna werd een nieuw skelet van verzinkt staal ingebracht. Via een passerelle komt men in de winkel waar men niet onmiddellijk wordt geconfronteerd met de koopwaar, maar met een drie verdiepingen hoge ruimte. De ruimtelijkheid van deze winkel heeft iets van de kwaliteiten van de 19de-eeuwse magasins, waar de klant naast de koopwaar ook het genot van de ruimte werd geboden.


Winkel Loppa, Antwerpen Ir. architect Kris Mijs

1987-1989

Met minimale middelen en ingrepen zijn de bestaande architectonische ruimtes getransformeerd. Hier geen interieurdecoratie, wel de leegte als een stimulans tot het genot van de ruimte. De modezaak, gelegen op de eerste en tweede verdieping, is bereikbaar via een stalen spiltrap. Het opengewerkte trappenhuis fungeert overdag als een onderdeel van de stedelijke ruimte. In de winkel zijn de verschillende onderdelen, zoals kleedcabines, spiegels en kantoorruimte, ontworpen als vrijstaande elementen in de ruimte. De enige decoratieve toevoeging, die ook is te zien van de straat, is de plafondschildering van Wouter Hoste. Zij toont een fragment van Michelangelo's Sixtijnse kapel. De figuren zijn echter "aangekleed" met ontwerpen van de Franse mode ontwerper Gauthier.


Auteursidentificatie:

Marc Dubois is architect en voorzitter van de Stichting Architektuurmuseum vzw. Hij is redactielid van ARCHlS en assistent-lesgever aan het Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas Gent.

Steven Stals is binnenhuisarchitect en lesgever aan het Hoger Architectuurinstituut van het Rijk Antwerpen (H.A.I.R.)