U bent hier

De molen - Technisch vernuft en vakmanschap

Roomanmolen te Sint-Pauwels (Sint-Gillis-Waas) Maalvaardig gerestaureerd in 1996 maar met een onmiskenbaar industriëel verleden dank zij de behouden schoorsteen van de 19de-eeuwse stoommachine-installatie. (Foto Mola)

 

Inleiding 

 

Vlaanderen telde ooit 2770 wind- en watermolens. Dat zijn er zo'n vijf per vierkante kilometer. Na 1930 was hun glorietijd definitief voorbij. Ze waren niet langer rendabel, verloren de concurrentiestrijd tegen de moderne maalderijen en raakten in verval. Pas veertig jaar later keerde het tij, zij het vanuit andere dan economische motieven. Vandaag vormen de zowat 400 beschermde Vlaamse molens een uniek staaltje van mechanisch erfgoed. 

 

De oorsprong van de molen ligt in de Jonge Steentijd (ca. 11.000 voor Christus) in het Nabije Oosten, toen de mens aan akkerbouw begon te doen en zijn zwervend, jagend bestaan opgaf voor een sedentair leven. Graan werd belangrijk als voedsel en dus bedacht men instrumenten om de onverteerbare graankorrels tot meel te verwerken. De eerste molen bestond uit een platte steen waarop men de tarwe legde en een ronde steen waarmee men de graankorrels open wreef. Omwille van de uitgeholde vorm van deze wrijfsteen, wordt hij vaak zadelsteen genoemd. 

 

Het malen op spierkracht was hard labeur, dat meestal door vrouwen gebeurde. Dit blijkt uit afbeeldingen, maar ook uit grafgiften in Neolithische graven: mannen werden begraven met hun jachtuitrusting, vrouwen kregen hun maalstenen, aardewerk en oker mee. In de IJzertijd (vanaf 700 voor Christus) doet een compleet nieuwe handmolen zijn intrede: de draaiende handmolen of kweern. De vooruitgang was revolutionair: men had tien keer minder tijd nodig om dezelfde hoeveelheid graan te malen. De kweern bestaat uit twee ronde platte stenen, waarbij de onderste steen onbeweeglijk is (de ligger of de meta) en de bovenste steen (de loper of de catillus) rondgedraaid wordt. In het midden van de bovenste steen is een opening gemaakt, waarlangs het graan tussen de stenen kan gegoten worden. De stenen werden gescherpt om de graankorrels nog beter open te snijden en het meel van tussen de stenen te drijven. Dit eenvoudig maalmechanisme werd de kern van alle latere graanmolens: de ligger en de loper. 

 

Gods molens malen langzaam,

De goddelijke gerechtigheid doet zich ten slotte toch gelden 


 Inhoud

 

  • Inleiding
  • Meer dan meel. De meest frequente molenfuncties
  • De molen in het landschap. Beschermd erfgoed
  • Praktisch 

 

Er is lang gedacht dat dit soort handmolens een Romeinse uitvinding was, maar nu is duidelijk dat het ouder is (ca. 500 voor Chr.) en dat het Keltisch van oorsprong moet zijn. Waarschijnlijk kwam de kweern vanuit Spanje of het Middellands Zeegebied naar het Noorden. Met het verschijnen van de ronddraaiende kweern is het fabriceren van molenstenen in handen gekomen van gespecialiseerde 'ateliers'. Dat blijkt uit een zekere standaardisatie van de vorm en het materiaal van de maalstenen. In onze regio gebruikte men vaak stenen uit basaltlava, ingevoerd uit de Eifel. Soms maalde men ook met lokale zandsteen of met uit Zuid-België ingevoerde arkose. Archeologen vinden op bewoningssites immers geen spaanders die wijzen op het kappen van de stenen. 

 

Het malen zelf gebeurt wel nog altijd in de familiale sfeer en binnen de huiselijke kring. De opkomst van de kweern verloopt ook parallel met het verhoogde aandeel van de graanteelt in de landbouw. Waar graan eerder maar af en toe genuttigd werd, wordt het stilaan een basisonderdeel van het voedsel. Graanteelt wordt een belangrijk onderdeel van de landbouweconomie. 

 

Als een molensteen op het hart liggen

Een zware (geestelijke) last  

 

WATERKRACHT IN DE OUDHEID 

 

Molens aangedreven door spierkracht van mens of dier bleven bij ons tot in de twintigste eeuw in gebruik. Toch kende men al van bij de Oude Grieken molens die werkten op waterkracht. Het waren molens met een horizontaal waterrad dat via een gootje met water uit de beek in beweging werd gebracht. Het waterwiel was met een verticale as verbonden met de loper en bracht deze zo rechtstreeks in beweging. Eén omwenteling van het wiel bracht één omwenteling van de steen teweeg. De horizontale watermolen kende verspreiding in heel Europa en er bestaan, vooral in Oost-Europa, nog her en der voorbeelden van. 

 

Geniaal was de uitvinding om het horizontale rad door een verticaal te vervangen en de verticaal draaiende beweging van het rad met behulp van een haakse overbrenging of koppeling in een horizontale maalbeweging om te zetten. De draaibeweging wordt niet alleen gekanteld, ze wordt ook versneld door de grootte van het waterrad en van het binnenwerk aan te passen. Dit laat toe meer graan te malen. In latere tijden liet de koppeling ook toe verschillende machinerieën of meerdere steenkoppels door één rad te laten aandrijven. 

 

Waar bij de horizontale watermolen een eenvoudig watergootje volstond, had de verticale tegenhanger een meer ingenieus waterbouwkundig systeem nodig. Vooral voor het bovenslagrad (een rad dat aangedreven wordt door water dat er overheen loopt en dus alleen in heuvelachtige gebieden kan gebruikt worden) moesten stuwen, omleidingsgrachten, spaarvijvers en sluizen gebouwd worden. 

 

Er is meer dan de molen in het woud omgegaan

Er is iets bijzonders gebeurd  

 

GENIAAL EN VLAAMS

 

Is het water vrij berekenbaar en mits enig sluis- en stuwwerk gemakkelijk naar een molen te leiden om energie te leveren, wind vangen om een molen te doen draaien ligt toch nog wat moeilijker. De uitvinding van de staakmolen is een mijlpaal in de geschiedenis van de mechanica en getuigt van immens vernuft en degelijk vakmanschap. De houten standaardmolen balanceert immers op een staak en is daardoor verkruibaar (dit is draaibaar in molenaarstermen) naar alle windrichtingen. Een subtiel spel tussen evenwicht, kracht en beweging. Hij is quasi volledig in hout opgetrokken en naargelang de functie van het molenonderdeel, gebruikte de molenbouwer een andere houtsoort: eik voor de standaard en andere statisch zwaar belaste onderdelen, olm of iep voor schokbestendige en buigsterke elementen, hard en taai kornoelje, palm, buxus of robinia voor de dynamisch zwaarst belaste delen.  

 

Bij veel mensen leeft nog de overtuiging dat de Arabieren de uitvinders zijn van onze windmolen met een verticaal gevlucht. De oorsprong van de houten windmolen ligt echter veel dichterbij : met name het vroegere, middeleeuwse Graafschap Vlaanderen. De Late Middeleeuwen, vanaf de elfde eeuw, waren in onze contreien een zeer dynamische periode. Verschillende vorstendommen, zoals Vlaanderen en Brabant, onttrokken zich aan de Franse en Duitse kroon om een eigen Nederlandse ruimte in te richten. Koningen, hertogen of graven begonnen zich te bekommeren om het openbaar welzijn: dit was nog nooit eerder vertoond. Zo werden er nieuwe gewassen geïntroduceerd, kanalen gegraven, dijken gebouwd, hongersnoden bestreden, acties ondernomen tegen interne wanorde en banditisme, nieuwe steden gesticht en, jawel, de vorstelijke inkomsten werden efficiënter geïnd. Ook de grote kloosters en abdijen speelden een essentiële rol in het economisch leven dat binnen het leenstelsel georganiseerd lag.

 

Met molentjes lopen / Molentjes zien

Gek zijn 

 

De steden herleefden en verkregen in onze gewesten een zekere zelfstandigheid. Tegelijk ontwikkelde de landbouw zich hier met rasse schreden zodat een opvallende bevolkingsgroei in stand kon gehouden worden. Niet alleen zorgden nieuw ontgonnen gronden voor grotere opbrengsten, ook betere bemestingstechnieken, geavanceerde werktuigen en een nieuwe manier om trekdieren in te spannen vergrootten de landbouwproductie. En met deze voedselproblematiek komen we zeer dicht in de buurt van onze molens. Want het sluitstuk van de voedselvoorziening was tot in de negentiende eeuw: de molen. Zonder molen, geen volwaardige voeding. 

 

Watermolens en rosmolens (molens aangedreven door een paard of een ander trekdier) waren intussen algemeen verspreid, maar zij konden de toevloed aan graan, die nodig was om de explosieve bevolkingstoename in Vlaanderen op te vangen, niet aan. Windmolens met een verticaal gevlucht moeten precies in deze twaalfde eeuw van bevolkingsgroei en landbouwinnovatie ontstaan zijn. 

 

De ontegensprekelijk oudste bronvermelding van een verticale windmolen is gedateerd in 1183. In het document bevestigt graaf Filips van den Elzas de bezittingen van de benedictijnerabdij van Sint-Winaksbergen in Wormhout (Frans-Vlaanderen) en stelt dat niemand er een wind- of watermolen mag bezitten. Het fenomeen windmolen was dus bekend en werd belangrijk genoeg geacht om te vermelden. Andere vermeldingen in 1195 (Opzullik), 1197 (leper) en steeds frequenter in de dertiende eeuw, doen er geen twijfel over bestaan: de windmolen was op het einde van de twaalfde eeuw in Vlaanderen geen onbekende en economisch reeds van groot belang. Bovendien leende het Noordzeeklimaat zich uitstekend tot dit type van molen. Gezien de grote investering die gepaard gaat met het optrekken van een staakmolen, speelden de abdijen, net als bij de ontwikkeling van de watermolens, een pioniersrol en de feodale heren wendden de molens al snel aan om hun machtsposities te verstevigen en hun schatkist te spijzen.  

 

Een van de oudst bekende afbeeldingen van een staakmolen is eveneens Vlaams. Het is een houten molen getekend in het rentenboek van de heer van Pamele (bij Oudenaarde), de Veil Rentier d'Audenarde uit 1270, bewaard in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Op deze tekening is duidelijk te zien dat de nu nog overgebleven staakmolens bijzonder veel gelijkenis vertonen met de eerste middeleeuwse exemplaren. Ze zijn wat groter geworden en de wieken zijn linksgetuigd en gestroomlijnder dan de middeleeuwse dwarsgetuigde wieken, maar het principe van de verkruibare (d.i. naar de wind draaibare) molenkast, draaiend op een eiken staak, heeft eeuwenlang stand gehouden. De teerlingen (stenen, gemetste blokken waarop de staakmolen staat) ontbraken in de dertiende eeuw wel nog.  

 

Archeologisch zijn er weinig sporen van verdwenen windmolens. Bestaande houten of stenen molens zijn vaak opgetrokken op een eeuwenoude molenplek en verbergen zo de sporen van hun voorgangers. Bovendien werd er steeds zo veel mogelijk materiaal herbruikt. Wanneer een houten windmolen door een storm geveld werd in de achttiende of negentiende eeuw, besliste men vaak om een stenen molen in de plaats te bouwen. De molenonderdelen die men kon recupereren, herbruikte men dan in de stenen molen. 

 

Heel af en toe stuiten archeologen op structuren die mogelijk afkomstig zijn uit de twaalfde of dertiende eeuw. Het gaat dan meer bepaald om een kruisvorm met een circulaire gracht eromheen, die zou wijzen op de ingegraven kruisplaten van een staakmolen, zoals in De Panne (Oosthoekduinen, 2005) of in Sint-Denijs-Westrem (Flanders Expo Zone 2 en 3, 2008). De allereerste staakmolens stonden immers nog niet op teerlingen, maar werden licht ingegraven. 

 

De ontstaansgeschiedenis van de stenen bovenkruiers, windmolens met een conische gemetste romp en een draaibare kap, is nog niet echt geschreven en botst nog op enkele missing links. Reeds in de tweede helft van de veertiende eeuw blijken er in het Graafschap Vlaanderen torenmolens of cilindrische bovenkruiers bestaan te hebben. Tussen 1400 en 1750 verdwenen ze op de achtergrond en pas vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw treffen we in Vlaanderen courant stenen bovenkruiers aan. Aanvankelijk waren het grondzeilers, maar wanneer de toenemende bebouwing de windvang van molens meer en meer bedreigde, werden --er ook bergmolens (bovenkruiers op een kunstmatig heuveltje) en stellingmolens (hoge bovenkruiers waarrond een stelling gebouwd is om van daar op de kap te kunnen verkruien) gebouwd. 

 

Na de industriële revolutie en het aanboren van andere energiebronnen dan wind en water slagen veel molens er nog een tijdlang in om economisch rendabel te blijven en stand te houden tegen de concurrentie van de grote industriële maalderijen. Op het einde van de negentiende eeuw echter wordt de grote teloorgang van de molens in Vlaanderen definitief ingeluid en na de Tweede Wereldoorlog is die teloorgang een feit geworden. 

 

Vandaag ijvert de molenzorg voor het behoud van de molens die ons resten. Ze worden maalvaardig gerestaureerd en draaiende gehouden door vrijwillige molenaars om zo het publiek te laten genieten van de moeder van alle machines, de molen. 

 


HET RECHT OP DE WIND 

 

Eigenaar en molenaar waren doorgaans verschillende individuen. De eigenaar was kapitaalkrachtig. Kloosters, abdijen, graven of baronnen : zij konden molens optrekken en onderhouden. Van bij het ontstaan van de windmolens, blijken de feodale heren de touwtjes strak in handen te hebben gehouden. Niet iedereen kon zomaar ergens een windmolen bouwen : men had hiervoor de toestemming nodig van de hogere heer in de vorm van een wind brief. Hierin gaf de heer eigenlijk de wind in pacht ! Natuurlijk lette hij er zorgvuldig op dat elke nieuwe molen geen bedreiging zou vormen voor eigen nabijgelegen molens, want dat zou inkomstenderving betekenen. 

 

Sommige molens waren bovendien banmolens: ze lagen in een bangebied en alle inwoners van dit gebied waren verplicht hun graan op deze ene banmolen te laten malen en dus ook de prijs te betalen die de banheer bepaalde. Wanneer naburige molenaars in het bangebied graan ophaalden om bij hen goedkoper te malen, konden zij hiervoor gestraft worden. Dit heette "ketsen" en werd vaak bij verordening verboden ...

 

De molenaar zelf was meestal een eenvoudige pachter. Hij kreeg een pachtcontract en moest instaan voor het onderhoud van het draaiende werk van de molen. Bij het "begaan" van de molen, dit is de aanvang van het pachtcontract, werd er een prijzij gemaakt : een zorgvuldige beschrijving van de staat van de draaiende molenonderdelen. Bij het afgaan werd dan alles zorgvuldig gecontroleerd en de meer- of minwaarde berekend. Het staande werk moest door de eigenaar of de heer onderhouden worden. 

 

Na het Ancien Régime, ruwweg vanaf de negentiende eeuw, konden meer molenaars zelf eigenaar worden van hun molen. 


 

De molen naar de wind keren

Zich gedragen naar de omstandigheden 

 


 

Meer dan meel

De meest frequente molenfuncties 

 

 

Het nog bestaande molenpatrimonium in de Nederlanden laat uitschijnen dat de molentechniek bijna alleen werd toegepast voor het malen van graan. Een nuance is op haar plaats.  

 

 

HET LIEP GESMEERD

 

In 1571 functioneerden in het Land van Aalst ongeveer 37 oliewatermolens tegenover 38 graanwatermolens. In het midden van de negentiende eeuw was nog altijd elf procent van de wind- en watermolens in ons land een oliemolen: een installatie om uit zaden olie te winnen. De olie werd aangewend voor menselijke consumptie (bakolie en broodsmeersel), aanmaak van verf, smeren van overbrengingen en verlichting. Oliehoudende zaden werden ter plaatse geteeld naargelang de bodemgeschiktheid: lijnzaad uit het vlas, raapzaad, sloor- of koolzaad, hennepzaad. De meeste oliemolens voorzagen in een beperkte, locale behoefte. 

 

De oudste vermelding van een oliewatermolen gaat terug tot in de twaalfde eeuw. Het betrof de watermolen te Kasteelbrakel die eigendom was van de Sint-Waldetrudisabdij te Bergen. De oudste oliewindmolens, van het type staakmolen, vinden we terug in de veertiende eeuw: in 1360 wordt die te Sint-Martens-Latem vernoemd. In de tweede helft van de zeventiende eeuw kregen oliewindmolens voet aan wal in de Noordelijke Nederlanden. Inwijkelingen uit de Zuidelijke Nederlanden introduceerden de techniek en legden mee de basis van de eerste industriemolens ter wereld te Alkmaar en later het eerste industriegebied ter wereld, de Zaan. De naam van molenmaker Lieven Janszoon Andries uit Moerbekc-Waas duikt steevast op als pionier en grondlegger van de oliemolenindustrie in het Noorden. Hij liet zijn oliemolens in het Waasland demonteren en overbrengen naar Holland. 

 

De oorspronkelijke bewerking bestond uit het breken van het zaad met heien of stampers in stamppotten. Vervolgens verwarmde men het gebroken zaad en stortte het in builen. Die builen werden in een houten bank geklemd waar door middel van heien een enorme druk werd veroorzaakt. Die dreef de olie uit het zaad, naar teilen die onder de 'slagbank' of 'perslade' stonden. Het overblijvende meel, vastgeslagen in zogenaamde koeken, was voedzaam en gegeerd veevoeder. 

 

Vanaf het begin van de zestiende eeuw kende men in Noord-Nederland het gebruik van een zogenaamde kollergang of kantstenen om het zaad te pletten. Geen stampers dus, maar rechtopstaande molenstenen die het zaad breken. Eerst in rosmolens en watermolens toegepast, vond deze techniek uitbreiding naar de windmolens. De bovenkruiers leenden zich daartoe uitstekend. Ook de Zuid-Nederlandse windolieslagers schakelden vanaf de achttiende eeuw massaal over op de kollergang.  

 

Met de komst van hydraulische persen in de tweede helft van de negentiende eeuw en later door de introductie van de extraheermethode verdwenen de klassieke oliemolens uit het Vlaamse landschap. Nu resten, beschermd, nog in Vlaanderen: Napoleonsmolen in Hamont-Achel, Toremansmolen in Arendonk, Oostmolen in Giste!, Hovaeremolen in Koekelare, (windmolens); Hoolstmolen in Balen, Molen van Ellikom in Bokrijk-Genk, Laermolen in Hoogstraten (watermolens) en Slagmolen te Lille (gemechaniseerde rosmolen) als laatste maalvaardig gerestaureerde getuigen van een economisch belangrijk ambacht. Een aantal oliewindmolens hebben mogelijk nog zicht op een maalvaardige restauratie, onder andere: De Witte Macht te Moorsele-Wevelgem en Ter Geest en Ter Zande te D eerlijk. Andere en ook vele watermolens dragen nog duidelijke sporen van een indrukwekkend oliemolenverleden. 

 

 

OP HET RITME VAN DE ZEE 

 

Een bijzonder type van watermolen is de getijdenmolen. Bij vloed wordt het water opgestuwd achter de watermolen, hetzij in een spaarkom, hetzij rechtstreeks op de waterloop waarop de molen zich bevindt. Bij de ebbeweging van het water wordt het opgestuwde water naar het waterrad geleid dat door het sterk afstromende water in beweging komt. 

 

Getijdenmolens kwamen in de kustgebieden voor waar de getijdenwerking van de zee sterk voelbaar is. In Europa zijn dat de kusten van Portugal tot halfweg Nederland en die van Groot-Brittannië en Ierland. Samen met de Theems is de Schelde een rivier waar de zeebeweging tot 250 km, tot in Gent, stroomopwaarts voelbaar is. Ook zijrivieren als Rupel, Nete, Dijle, Durme en in mindere mate Dender en Leie ondergingen, althans vóór de kanalisatie en constructie van sluizen, de eb- en vloeddynamiek.

 

Wanneer een watermolen op de hoofdstroom stond, maakte men niet alleen gebruik van het getij om het waterrad aan te drijven, maar ook van de stroming van de rivier zelf. De Braemgatenmolen (einde twaalfde eeuw - 1874) te Gent, de Volmolen (vijftiende eeuw - 1894) te Lier en het complex van zeven watermolens Dijlemolens (1470-1909) te Mechelen zijn voorbeelden van zo'n gemengd type.Het mag geen verwondering wekken dat in het Scheldebekken, inbegrepen de thans afgesloten Oosterschelde, 94 getijdenmolens telde. Al vanaf de elfde eeuw waren er in de Nederlanden watermolens die profiteerden van de getijdenwerking. 

 

De vele waterbouwkundige werken en aanpassingen in het Scheldebekken betekenden de doodsteek voor de getijdenmolens. Thans rest nog een werkelijk uniek maalvaardig exemplaar, de Getijdenmolen, ook wel Spaanse Molen geheten, op het zijriviertje De Vliet te Rupelmonde (Kruibeke). Al in 1187 was hier een watermolen in bedrijf. De huidige watermolen is opgetrokken in 1516. Na een verwoestende brand in 1562 werd hij hersteld. Het 'gaande werk' is in 1924 gemoderniseerd. Het molenrad is met zijn afmetingen van 6 meter x 1,5 meter het grootste van ons land. Vanaf 1963 werd er niet meer gemalen. In 1996-1997 volgde de maalvaardige restauratie en sindsdien is de watermolen weer geregeld in werking, op het ritme van het getij. Andere, grotendeels ontmantelde, getuigen van getijdenmolens vinden we nog te Goes, Middelburg, Bergen-op-Zoom, Mechelen, Hamme en Temse. 

 

Dat ligt me als en molensteen op het hart

Dat drukt me ontzettend 

 

 

POMPEN OF VERZUIPEN 

 

In de strijd van Holland en Zeeland tegen het water hebben de windmolen én Vlaanderen hun pertinente rol gespeeld. Het indijken om land te winnen en te behouden op de zee, het inpolderen, was een kunde die in de vroege middeleeuwen Vlaamse abdijen goed onder de knie hadden en die ook door de graven van Zeeland en Holland erg werd geapprecieerd. Die strijd was moeizaam en het is pas met de ontwikkeling van de technische mogelijkheden om windkracht in te schakelen dat op grote schaal en duurzaam kon worden ingepolderd. Die technische ontwikkeling resulteerde in de zogenaamde poldermolen, in Noord-Nederland watermolen genoemd: reden waarom Nederlanders voor 'onze' watermolen meestal de term waterradmolen gebruiken. 

 

Het lag voor de hand dat die poldermolen in Holland zijn ontstaan zou vinden: de regio waar 95 procent van het op Europees grondgebied ingepolderd land is te situeren. Historici en molendeskundigen waren lang overtuigd dat de eerste poldermolens het licht zagen in 1407 in de buurt van Alkmaar en in 1408 in Zoeterwoude. Recente ontdekkingen nuanceren die conclusie en situeren een eerste polder(wind)molen te Drongen bij Gent. Op 10 februari 1316 kocht Sirnon Willebaert van zijn broer Jan gronden te Ekkergem in de nabijheid van de Leie, waaronder meersen tussen Ekkergem en Rooigem. Eén van deze gronden wordt nader gesitueerd: en[de] an tstic lands daer de hoesse molen up staet.

 

Van deze transactie bleven de Vlaamse en de Latijnse notariële akten bewaard, die op dezelfde dag (10.02.1316) zijn gedateerd. Onder andere de term 'hoosmolen' (van hozen of water opvoeren) verwijst naar de functie als poldermolen. De oorspronkelijke poldermolen, aanwijsbaar een staakmolen, werd in 1597 als houten achtkante grondzeiler heropgebouwd. Die werd op zijn beurt in 1701 in steen aangepast. In 1852 nam een stoommachine de windbemaling over. In 1897 is het scheprad vervangen door de nog bestaande Phoenixcentrifugaalpomp en werd de windmolen herleid tot ingekorte romp. In 1945 schakelde men over op elektrische aandrijving. In 2004 werd na een doorgedreven restauratie ook de pomp uit 1897 weer in de waterbeheersing van het Stedelijk Natuurreservaat Bourgoyen-Ossemeersen ingeschakeld.  

 

Polderwindmolens deden niet allen dienst in de waterhuishouding van de zeepolders, maar ook in het droogleggen en -houden van moerasgebieden en kleiputten overal te lande. Overbekend is het droogleggingsproject 'De Moeren', onder Veurne, in 1620 aangevat door de Antwerpse ingenieur-bouwmeester Wenzei Coebergher (ca.1560-1634) in opdracht van de toenmalige aartshertogen. Van de 22 windmolens die toen een gebied van 3400 ha droogmaalden, is alleen de Sint-Karelsmolen overgebleven. De provincie West-Vlaanderen nam de molensite in 2006 voor 99 jaar in erfpacht van Polder De Moeren. Er komt een nieuw elektrisch pompgemaal en de windmolen wordt weer maalvaardig gemaakt. In het nabijgelegen pompgebouw Baudouin is een didactische ruimte over de drooglegging van De Moeren gepland. Naast de Sint-Karelsmolen met vijzel is in Vlaanderen alleen nog de Grote Molen (Meetkerke, Zuienkerke) met scheprad als volwaardige polderwindmolen overgebleven. 

 

In de tredmolen lopen

Geestdodende arbeid verrichten 

 

 

ZWINGELMOLENS 

 

In Oost- en West-Vlaanderen, en vooral rond de Leie, werd tot in het midden van de twintigste eeuw intensief vlas geteeld. Het is een dankbaar gewas. Het zaad levert rijkelijk lijnolie, onder andere voor de verfindustrie, en de stengel is de grondstof voor de aanmaak van lijnwaad en andere weefsels. Daartoe moet het vlas allerlei bewerkingen ondergaan. Een van die bewerkingen, het zwingelen, bestaat in het afslaan van de harde bast van de stengels. Voor het zwingelen worden de vlasstengels gebraakt: tussen tegen elkaar indraaiende walsen geduwd zodat de zogenaamde scheven worden gebroken en de vlasvezels al gedeeltelijk vrijkomen. Al bij al vergt dit zware lichamelijke inspannmgen. 

 

In 1865 construeerde vlasboer Ivo Deprez uit Heule-Kortrijk een staakmolen om met windkracht op mechanische manier vlas te braken en te zwingelen. Zijn Preetjesmalen brandde in 1872 af maar werd spoedig heropgebouwd. In 1914 werd de molen uit bedrijf genomen. Verval en herstel volgden elkaar op en daarbij ging men niet altijd te werk volgens de regels van het molenmakersbedrijf. In 1994-1996 volgde een ingrijpende restauratie die teruggreep naar de toestand van 1865. De Preetjesmalen kreeg grote navolging en talrijke vlaszwingelwindmolens werden, vooral in de Leiestreek, opgetrokken. Ze zijn alle in het begin van de twintigste eeuw gesloopt. De Preetjesmalen te HeuleKortrijk is nu de enige maalvaardige vlaszwingelwindmolen ter wereld. 

 

 

"BYSONDER CRECKWERCK" 

 

In tegenstelling tot andere toepassingen van de molentechniek zijn zaagmolens in de Zuidelijke Nederlanden vrij schaars gebleven. Nochtans kwamen zij al in het begin van de dertiende eeuw voor in Vlaanderen, meer bepaald in de streek van Oudenaarde. Haast vanzelfsprekend waren dit watermolens. In de loop der eeuwen, tot in de negentiende eeuw, werden in Vlaanderen verscheidene watermolens als houtzaagmolens ingericht. 

 

In 1595 bouwde Cornelis Cornelisz. van Uitgeest te Alkmaar de eerste houtzaagwind molen, naar een ontwerp dat in 1593 een octrooi kreeg toebedeeld. Het was de uitvinding en introductie van de zogenaamde krukas, "een bysonder creckwerck", waarbij een horizontale beweging werd omgezet in een op- en neergaande beweging. Een jaar later richtte hij in de Zaan, een plattelandsgebied ten noorden van Amsterdam, zijn volgende houtzaagmolen op. Hiermee nam het eerste industriegebied ter wereld een vliegende start, mogelijk gemaakt door de spectaculair stijgende vraag naar timmerhout voor de nieuwe Amsterdamse scheepswerven. Specifiek voor het zagen van hout ontwikkelden de Hollanders uit de eerste zaagwindmolens het type van de zogenaamde paltrokwindmolen. De naam paltrok staat in het Middelnederlands bekend als synoniem voor tabbaard. De Verenigde Provinciën hebben de strategische kennis van de houtzaagwindmolentechniek met draconische maatregelen afgeschermd, reden waarom elders het houtzagen met de hand of met watermolens de bovenhand bleef houden. 

 

Vanaf het midden van de achttiende eeuw kon de Compagnie van de Houtzaagmolens in Bredene bij Oostende acht houten achtkantige windmolens en negen paltrokken als houtzaagmolen bouwen. In Antwerpen waren in de achttiende en negentiende eeuw vijf paltrokken en zeven houtzaagachtkanten werkzaam.Niet toevallig waren dit de twee centra van scheepsbouw in de Zuidelijke Nederlanden. Die Vlaamse windhoutzaagmolens overleefden de negentiende eeuw niet. 

 

In het begin van de twintigste eeuw werd aan de oliewatermolen Klaaskensmolen, opgericht in 1548, te Neeroeteren (Maaseik) een zaaginrichting met horizontale portaalzaag toegevoegd. De oliemolen werd later verwijderd en de zaagmolen bleef in bedrijf tot 1953. Na een 'zaagvaardige' restauratie in 1994 is dit de nog enige historische zaagmolen in bedrijf in Vlaanderen. 

 

 

RIJKE ZUID-NEDERLANDSE PAPIERMOLENGESCHIEDENIS 

 

In Alsemberg (Beersel) vinden we de laatste ingerichte papiermolen van het land: de Herisemmolen. Hier ontrolt zich voor de ogen de ontwikkeling van het papier en vanaf de negentiende eeuw van de moderne kartonproductie. 

 

In 1306 stond de Herisemmolen bekend als graanwatermolen, gelegen op een van de honderden Molenbeken die Vlaanderen rijk is. Tussen 1536 en 1542 werd aan de graanmolen een papiermolen toegevoegd, om aan de stijgende Brusselse vraag naar papier te voldoen. In 1858 schakelde de eigenaar Winderickx over op de productie van karton. In 1940 sloot de Cartonnerie Fr.-X. Winderickx definitief de deuren. Na jarenlange verwaarlozing, volgde in de jaren 1990 een ingrijpende restauratie. De inrichting als papier- en kartonmolen is weer compleet en operationeel. Een metalen bovenslagrad drijft de papiermolen aan; een kleiner houten bovenslagrad drijft de graanmolen aan. De in 1894 geplaatste eencilinder stoommachine uit het Brusselse constructieatelier Bollinkx die de grotere machines aandreef, werd functioneel gerestaureerd. De site is nu uitgegroeid tot een dynamisch museum, waarbij de bezoekers de gelegenheid hebben het papierscheppen te volgen of zelf uit te voeren. 

 

Tot in de negentiende eeuw werd papier gemaakt van plantaardige vezels, als katoen, vlas en jute. Verzamelde afgedankte stoffen en kledingstukken werden versneden, geroot en vervolgens vermalen. Dat vermaalproces gebeurde in grote hamerbakken, waarin op- en neergaande hamers de vezels lossloegen en de gerote materie tot pulp werd geslagen. In deze fase leverde de molentechiek een essensiële bijdrage in de aandrijving van de hamers. In de achttiende eeuw werd de hamerbak vervangen door de zogenaamde 'hollander', een soort van permanente snij- en roerkuip, waardoor de capaciteit verveelvoudigde. De wind- en watermolen bleven echter dit productieproces sturen. Vanaf het midden van de negentiende eeuw vond een nieuw procédé ingang: de papierproductie op basis van cellulose, voornamelijk gewonnen uit houtpulp. De rol van de historische molens was dan snel uitgespeeld. 

 

Het is niet toevallig dat de Herisemmolen, ten zuidwesten van Brussel, in de zestiende eeuw werd ingeschakeld in de productie van papier. De administratief-fiscale en juridische centrale instellingen en het daarmee onvermijdelijk groeiende ambtenarenapparaat van de Brabantse-Bourgondische hertogen vonden immers vanaf de vijftiende eeuw een vaste stek in Brussel. Papier vond daar dus een grootste afnemer. Na een eerste molen te Linkebeek in 1439 volgde een ware explosie van papiermolens in de omgeving. De snelstromende waterlopen ten zuiden (Linkebeek-Ukkel), later ten oosten (Woluwevallei) en tenslotte ten zuidwesten (Molenbeekvallei) van Brussel leverden de ideale energie en het onontbeerlijke zuiver water. Bovendien zorgden de inwoners van de snel groeiende stad voor de basisgrondstof: afgedankte klederen.  

 

Ook Gent, vanaf 1563 met hoogtepunt in de negentiende eeuw, is een historisch centrum van papiernijverheid, met acht wind- en watermolens met grote capaciteit, die werkten op het getij van de Zeeschelde. 

 

Krimpende winden en uitgaande vrouwen zijn niet te vertrouwen

Daar is geen huis mee te houden 

 

 

EEN EXPLOSIEVE ONTWIKKELING

 

De innovatie van de kollergang, de dubbele verticale molenstenen, in de oliemolen en de invoer van nieuwe grondstoffen in de zestiende eeuw leidden tot nieuwe functietoepassingen in de molen. Dank zij die kollergang werden tabaks- en snuifmolens, verfmolens, kruidenmolens opgericht die economie en handel gevoelig deden toenemen. Het hoeft niet te verwonderen dat de Nederlanden in deze nieuwe techniek het voortouw namen. 

 

Een belangrijke toepassing was de ontwikkeling van de buskruit- of poedermolen. Nochtans was het buskruit al eeuwenlang bekend. Oorspronkelijk een Chinese uitvinding van vóór onze jaartelling, maakte het Westen kennis met het explosieve mengsel van houtskool, salpeter en zwavel via de Arabische wereld. Pas in de veertiende eeuw werden effectief vuurwapens ontwikkeld waarvoor buskruit onontbeerlijk was. Dat werd mogelijk omdat de productiemethoden werden verfijnd. De allereerste veldslag waarin vuurwapens het verschil maakten, vond trouwens plaats in Vlaanderen. In de Slag van Beverhoudsveld bij Brugge haalden op 3 mei 1382 de Gentse milities, onder leiding van Filips van Artevelde, de overwinning op het leger van graaf Loclewijk van Male dank zij het gebruik van kleine kanonnen. 

 

Oorspronkelijk werden de buskruitelementen met de hand in mortieren fijngestampt en gemengd. De eerste buskruitmolens werden ingericht in Vlaanderen, in de vijftiende eeuw, dank zij de aldaar gekende en gebezigde techniek van de oliemolens. Aanvankelijk gebeurde dit met de techniek van stamppotten waarin open neergaande heien de grondstoffen verbrijzelden en fijnmaalden. In de zestiende eeuw werden de stamppotten veelal vervangen door de kollergang.  

 

De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) was een bloeiperiode voor de buskruitindustrie. Van overheidswege werd zowel in de Noordelijke als in de Zuidelijke Nederlanden de oprichting van buskruitmolens bevolen. Antwerpen, dat van oudsher met Brugge en Venetië de belangrijkste stapelplaats van de salpeterhandel in het Westen was; Mechelen dat een centrum was van brons- en kanongieterij en fungeerde als arsenaal van de Habsburgse legers; het prinsbisdom Luik met zijn wapenindustrie en in mindere mate Gent waren West-Europese buskruitproductiecentra. Op het einde van de zeventiende eeuw namen Amsterdam en Rotterdam die rol over. 

 

In 1763 bestonden er in de Zuidelijke Nederlanden nog vijf buskruitmolens. Slechts 1 buskruitmolen zou de negentiende eeuw overleven. In 1778 richtte Jan-Frans Cooppal (1724-180 4) op een afgelegen gebied te Wetteren een buskruitmolen aangedreven door paarden op, die later evolueerde naar een echte buskruitfabriek. De buskruitfirma Cooppal kreeg in de negentiende eeuw wereldfaam. In 1967 ging Cooppal een fusie aan met Poudreries Réunies de la Belgique en de nieuwe naam werd PRB. Wegens opsJorpingen in binnen- en buitenland en oprichting van nieuwe productiecentra in het buitenland werd de huidige firmanaam Recticel aangenomen die genoteerd staat als een wereldbedrijf inzake de productie van polyuteraanschuim. Springstoffen worden op de site te Wetteren sinds de jaren zestig van vorige eeuw niet meer geproduceerd. Als herinnering aan de laatste buskruitmolen van het land werd aan de ingang van de site te Wetteren een van de vier kollergangen op een sokkel geplaatst, naast het bustebeeld van de stichter. De twee andere overblijvende kollergangen van de buskruitmolen worden bewaard in het Provinciaal Molencentrum Mola te Wachtebeke. 

 


MOLENS ALS VERBEELDING 

 

Vanaf het tijdperk dat landschappen in afbeeldingen een volwaardige plaats innamen, kregen wind- en watermolens, die prominent aanwezig waren in het Vlaamse landschap, in de teken- en schilderkunst een niet onbelangrijke functie toebedeeld. De windmolen werd een stijlfiguur; als medium tussen hemel en aarde (af)geschilderd en de watermolen, steeds draaiend op de voorbijvliedende stroom, fungeerde als symbool voor de onverbiddelijk voortschrijdende tijd of noeste vlijt. 

 

Onze grootste kunstenaars van die tijd als Hiëronymus Bosch (1450-1516), Pieter Brueghel (ca.1525-1569) en zijn nakomelingen, Joos de Momper (1564-1635) en Peter Paul Rubens (1577-1640) plaatsten wind-, water- en rosmolens vooraanstaand in hun composities. Vanuit Vlaanderen zou deze schildercultuur haar weg vinden naar de Noordelijke Nederlanden, waar schilders als jacob van Ruisdael ( 1628-1682) en Meindert Hobbema ( 1638-1709) ongeëvenaard de molens in hun kunstcreaties verwerkten.

 

Molens waren haast een exclusiviteit voor schilderijen uit de Nederlanden, juist daar waar molens hun grootste stempel op het economische en maatschappelijke leven hebben gedrukt. 

 

In vele schilderijen vinden we molens terug als zinnebeelden van algemeen menselijke ervaringen, belevingen en overtuigingen. Omwille van hun alomtegenwoordigheid in het landschap en Ieven konden molens direct als symbolen op de voorgrond treden en door iedereen begrepen worden. Dat bleef zo tot de molens uit het landschap verdwenen en bijgevolg ook de symbolische betekenis ervan uit de hoofden van de mensen verdween. 

 

Dikwijls kwamen in de volksverbeelding rond de molen metaforen tot stand die in de seksuele en erotische sfeer lagen. Het wrijven van de stenen op elkaar; het omvormen van zaad en graan tot levenverschaffend meel en brood, de graanzak die buitenhing en molenstaart die van ver zichtbaar was: de vergelijkingen lagen snel voor de hand. Minder triviaal was de symboliek voor huwelijk en voortplanting, hoop en verwachting, voorspoed. De meeste voorstellingen van Pieter Breughel mogen zo verklaard worden. Anderzijds konden molens ook symbolen zijn van zware arbeid en kwelling. Hiëronymus Bosch was een meester in het verwerken van deze metaforen in zijn helse taferelen. 

 

In religieuze afbeeldingen symboliseert de windmolen, met zijn wiekenkruis, de verbondenheid tussen de wereld en de hemel; tussen de werkende mens en God; de verlossing van de mens door Christus gesublimeerd in de eucharistie. 

 

In de periode van het realisme en impressionisme werden molens opgevoerd om heimwee en verval uit te drukken. Als voelde de kunstenaar aan dat ook molens in de snel veranderende wereld hun alomtegenwoordigheid zouden verliezen. Zij kregen gelijk. 


 

De molen in het landschap

Beschermd erfgoed

 

 

Eind negentiende eeuw was het duidelijk dat windmolens het moesten afleggen tegen het groeiend aantal mechanische maalderijen en dat ze op termijn wel eens zouden kunnen verdwijnen. De eerste windmolen die een wettelijke bescherming kreeg (1939) is de Kalfmolen te Knokke. Het debat over de noodzaak tot herstel van deze staakmolen woedde in de Koninklijke Commissie voor Monumenten tussen 1913 en 1924. In 1925 werd de molen slecht hersteld zodat hij in 1927 moest worden stilgelegd. Om hem toch van een mogelijke sloop te redden, kocht de vzw Les Amis de la Commission Royale des Monuments et Sites de molen in 1928 aan. Voorzitter Jules Cadier (1851-1930) van deze vriendenkring kon daarvoor onder andere een beroep doen op de maatschappij Le Zoute en de Touring Club. Als voorzitter van de Conseil supérieur de !'Industrie et du Commerce had hij niet alleen oog voor de toekomst van de Belgische nijverheid, maar ijverde hij ook voor het behoud van natuur- en stedenschoon. 

 

 

DUITSERS PESTEN 

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, tussen 1942 en 1944, werden in ons land 54 molens beschermd als monument. Het was een vorm van administratief verzet. Veel van deze molens stonden in de buurt van militaire vliegvelden die de Duitsers gebruikten. Vooral voor nachtjagers vormden de molens een levensbedreigende hindernis. De Duitse militaire overheid wou de meeste obstakels in de aanvliegroutes verwijderen, maar respecteerde de Belgische monumentenwetgeving van 1931. Door een aanral molens - en andere gebouwen - te beschermen maakte de Belgische administratie het de Duitse militaire bezettingsoverheid danig lastig. 

 

De twee molensites van Hekelgem werden op 27 september 1943 beschermd. Hiermee had het militair vliegveld te Moorsele een technisch probleem voor een van zijn aanvliegroutes. Ook in de ruime omgeving van het vliegveld van Grimbergen werden op 27 september 1943 molens beschermd. De Heidemolen te Malderen (Londerzeel) is daar een mooi voorbeeld van. En met de bescherming op 26 augustus 1 943 van de molen van Oelegem kreeg het vliegveld van Deurne een hinderlijk obstakel. 

 

In West-Vlaanderen waren sommige molens zowel een obstakel voor de Luftwaffe als voor de Atlantikwall. Een van de eerste oorlogsbeschermingen van molens is dan ook terug te vinden met het vrijwaren van de Grote Molen te Meetkerke (Zuienkerke) die op 23 december 1942 beschermd werd. De molen Van Kerrebroeck te Jabbeke is een voorbeeld van een militant beschermingsbeleid dat nog in april 1944 werd uitgevoerd. 

 

Op eigen wieken drijven

Zelfstandig zijn 

 

 

BESCHERMD EN TOCH VERDWENEN 

 

Een bescherming wil niet zeggen dat de molen blijft bestaan. De stenen grondzeiler te Lissewege werd in 1 946 uit bedrijf genomen. Hij was beschermd als monument, maar werd toch afgebroken in 1988. Sommige deklasseringen zijn niet echt logisch te noemen. Zo was de Beddermolen te Tongerlo tussen 1960 en 1973 beschermd als monument, maar na een stevige brand trok men de bescherming in. De molen werd als lege karkas heropgebouwd om het molenlandschap te kunnen behouden. 

 

Ook enkele beschermde molens zal men tevergeefs in hun oorspronkelijk landschap zoeken. Een staakmolen zoals de Vinkerooien uit Oosterzele werd in 1 983 door een zware storm omver gewaaid en ontmanteld. Nadat een reconstructie te Oosterzele niet meer mogelijk bleek, verhuisden de onderdelen naar de wijk Wijlegem te Sint-Denijs-Boekel. De staakmolen werd in 2003 opnieuw in gebruik genomen en is nu een ideaal windmolenbeeld op de Franskouter in het watermolenlandschap van de gemeente Zwalm.

 

De Geluveldmolen te Zonnebeke ligt gedemonteerd te wachten op het heropbouwdossier. De oorspronkelijke staakmolen was in de Eerste Wereldoorlog het slachtoffer van militair geweld. In 1 925 kocht juffrouw Léonie de Gheluvelt in Watou een molen uit het begin van de negentiende eeuw. Deze staakmolen met gesloten voet werd gedemonteerd en in Geluveld heropgebouwd. Tussen 1926 en 1932 was de molen in gebruik en werd nadien aan de weerelementen overgelaten. Nadat in 1982 enkele onderdelen verwijderd werden, volgde in 1992 de volledige demontage. Ondertussen was de molen in 1 973 beschermd als monument. De gemeente Zonnebeke heeft de molenrestanten aangekocht met het oog op een reconstructie. Ook bakstenen bergmolens kunnen dat lot ondergaan. De Delmerensmolen te Aarsele (Tielt) werd in 1944 beschermd en in 2005 gedemonteerd. 

 

Tenslotte kunnen ook enkele specifieke molenrestanten beschermd zijn. De ruïnes van de Steenputmolen te Dworp werden in 1995 beschermd voor de specifieke watergang. Met een verval van 5,5 meter was dit zeker een bovenslagmolen met pit die tot net voor de Eerste Wereldoorlog een papierfabriek van de nodige drijfkracht voorzag. 

 

 

MOLENONDERHOUD

 

Van de nog bewaarde molensites in Vlaanderen is een deel eigendom van een gemeente of provincie. Ook enkele verenigingen bezitten een eigen molen of beheren er een of meerdere in erfpacht. De meeste molens in het openbaar domein worden regelmatig in werking gesteld. Meestal wordt de molen los gedraaid, met andere woorden: de molen draait wel op wind- of waterkracht maar maalt niet. Alhoewel dit ergens spijtig is, omdat daarmee het behoud van oude maaltechnieken verloren gaat, is het toch een goede zaak. Een molen in beweging wordt immers onderhouden. En door het bewegen van de molen krijgt de houtworm geen kans, wat dure vervangingsrestauraties voorkomt. 

 

Een beschermde molen geniet het voordeel een 'monument zonder economisch nut' te zijn. Dat betekent dat een dubbele restauratiepremie wordt toegekend. Dit werd niet zonder slag of stoot gerealiseerd. Sensibiliseringspioniers als een Alfred Ronse en Victor De Kinderen kregen in de jaren 1970 een waardige opvolger met Paul Bauters. Door de aankoop en restauratie van een eigen molensite, de Huisekoutermolen te Huise, en tal van socio-culturele randactiviteiten in het kader van dat molenbeheer werd een positieve tendens opgestart die het aantal beschermingen stelselmatig deed toenemen. Veel andere industrieel-archeologische sectoren kampten met een veel beperktere beschermingspolitiek. 

 

In totaal staat de teller van de moleninventaris op 781 sites in het Vlaamse Gewest, waarvan er 384 beschermd zijn, meestal als monument. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest telt nog eens 9 molensites. 

 

De molen is door de vang / loopt door de vang

De zaak of persoon is in de war (gek) 

 

 

DE MOLEN ALS TOERISTISCH PLAATJE 

 

Een aantal monumenten- en landschapsverenigingen propageerden doorheen de twintigste eeuw het belang van het behoud van molens, zowel als monumenten van techniek als voor hun landschappelijke waarde. Naast regionale verenigingen, zoals het West-Vlaamse Biekorf, valt daarbij vooral de (Koninklijke) Vereniging voor Natuur- en Stedenschoon te vermelden. Met zetel en hoofdmoot van haar leden te Antwerpen heeft deze in 1910 gestichte vereniging steeds het behoud van het molenpatrimonium verdedigd. Dit mondde in 1950 uit in het aankopen van de Keeses Molen te Kasterlee "om en mits de som van twaalfduizend vijfhonderd frank". De vereniging zou hem restaureren en in werking stellen als molenmuseum. Om de windvang te beschermen werd de molen in 1954 verplaatst naar de duinen van Kasterlee. In Koksijde was de functie van toeristisch baken het uitgangspunt van het gemeentebestuur om de in 1773 te Houtem opgetrokken staakmolen aan te kopen. Op de historische locatie van de 'Zuidmolen' van de cisterciënzerabdij OLV ter Duinen werd in 1953 de molen heropgebouwd om door toeristen effectief als bestemmingspunt te worden erkend. 

 

Het vervagen van het molenbeeld in het Vlaamse landschap en de link die heemkundigen legden tussen de molen met de aloude agrarische samenleving, betekende dat in het concept van een Vlaams bouwkundig openluchtmuseum molens aanwezig dienden te zijn. Bij de opening in 1958 van het Limburgse Bokrijk kon dan ook trots worden uitgepakt met de windmolen van Millegem (Mol) en de Galgenmolen uit Schulen, een achtkantige houten bovenkruier die al in 1954 naar Bokrijk was overgebracht. Later volgde de watermolen van Rekhoven bij Lummen die het binnenwerk vande Rooiermolen van Gruitrode kreeg. De molen van Ellikom werd in 1 963 aan het gebouwenpatrimonium van Bokrijk toegevoegd. Niet de olieslagmolen maar wel het bruggetje bij het waterrad bleek snel een postkaartblikvanger. Hierbij speelde zeker mee dat de molen als decor werd gebruikt in de BRT-reeks Johan en de Alverman. Een roskot uit Lampernisse en een uit Leisele vervolledigen het molenpatrimonium te Bokrijk. Een pittig detail hierbij is dat de molens in het openluchtmuseum pas beschermd werden als monument in september 1996. 

 

Kleinere 'Bokrijkjes' proberen ook het lokaal molenpatrimonium te vrijwaren. Het openluchtmuseum Bachten de Kupe te Izenberge heeft zich gefocust op het reconstrueren van een rosmolen. Het heemkundig museum van Kasterlee, het heemerf De Waaiberg, neemt de staakmolen in de buurt mee in zijn werking. Een van de recentste initiatieven die de oude techniek weten te combineren met recenter gebruik is de Hertboommolen te Onze-LieveVrouw-Lombeek. De molensite is bekender als locatie in het BRT-televisiefeuilleton Kapitein Zeppos uit de jaren 1960. De gerestaureerde molen fungeert als baken voor een museum annex cafetaria.  

 

De meeste gemeentebesturen proberen het molenpatrimonium in hun gemeente toeristisch te valoriseren. In het slechtste geval troont een molen op een toeristische folder, in het beste geval is er een heus bezoekerscentrum in ondergebracht. Goede voorbeelden daarvan zijn de Couchezmolen te Zarren en de Oostmolen of Kleine Molen te Giste!. Deze molensite werd in 2008 in volle glorie hersteld. De staakmolen op zijn torenkot is terug maalvaardig gerestaureerd. Het opslaggebouw van de molen evenals enkele andere ruimten werden ingericht als klein molenbezoekerscentrum. Naast de werking van de Oosthoekmolen wordt ook het historisch molenpatrimonium van de fusiegemeente Gistel getoond. Dit heeft veel te danken aan zowel Alfred Ronse - die als molenminnend politicus burgemeester van Gistel en voorzitter van de provincieraad een belangrijke rol voor het molenbehoud gespeeld heeft - als van de molenbouwers Peel, die decennia lang vanuit Gistel molens doorheen Vlaanderen hersteld en gerestaureerd hebben. 

 

Andere molens kunnen niet meer werken. Het Mieleke, een onderslagwatermolen te As, heeft nog nauwelijks debiet. De molen werd in 1 966 ingericht als woning en begin jaren 1990 gerestaureerd op initiatief van de lokale heemkundige Sint-Aldegondiskring. Zij gebruiken de molen als museum en tentoonstellingsruimte, een herbestemming met socio-culturele doeleinden die door de lokale gemeenschap wordt gedragen. De Rufferdingemolen te Landen heeft onvoldoende waterdebiet om autonoom te draaien. Daarvoor dient er eerst een waterreservoir gevuld te worden om het bovenslagrad in beweging te krijgen. De installatie is volledig gerestaureerd en de molen wiens geschiedenis teruggaat tot de dertiende eeuw wordt als (heem)museum gebruikt. Het museaal karakter is nadrukkelijk aanwezig bij de Tomme- en de Liermolen te Grimbergen. Beide watermolens zijn een onderdeel van het Museum voor Oudere Technieken. In de Rodenburgmolen, een stenen stellingmolen, te Marke werd een bakkerijmuseum geopend. De bezoeker kon er zo de weg van graan over meel tot brood integraal volgen. De molen werd ondertussen ingebouwd door een modieus designhotel dat de molen als baken gebruikt. Ook tientallen andere molensites hebben een herbestemming gekregen als woning, atelier, cafetaria of restaurant. 

 

En er komen ook nieuwe molens bij. Naast de tientallen schaalmodellen die manifeste molenliefhebbers meestal zelf bouwen en die het Vlaamse straatbeeld sieren zijn er ook nog enkelen die een volwaardige molen willen bouwen. De nieuwe Zephyrusmolen te Ruddervoorde is een stellingmolen op basis van een staalskelet. Eigenaar Willem Verhaeghe liet deze tussen 1975 en 1990 bouwen. Een andere nieuwe molen is de stellingmolen Zeldenrust van Harrie Theeuwes te Viersel. Deze werd gebouwd van 1986 tot 1997. 

 

 

VIS EN ELEKTRICITEIT 

 

In de voorbije eeuwen gaf vissen aan een watermolen de quasi zekerheid dat men met een redelijke portie vis of paling naar huis zou trekken. Nadat de feodale rechten op de visvangst in 1795 formeel opgeheven werden, kon in praktijk iedereen zijn net of zijn hengel in een molenbeek uitgooien. Ook als de molen draaide, kon paling perfect omheen het obstakel. De Oosterlomolen te Geel is nog een van de molens waar een visfuik of palingbak aanwezig is. Door kleine openingen in het beschot kon de vis toch migreren, maar kwam dan wel in een val en wat later op een bord terecht. Andere vissen konden migreren op het moment dat de molenaar zijn schotten optrok en de molenbeek enige tijd op een normaal debiet draaide zonder ophoping van watermassa's op hogere niveaus. 

 

Door het aanleggen van afwateringskanaaltjes, de zogenaamde by-pass, had de vis een alternatief om voorbij de molenhindernis te geraken indien de molenbeek zelf geen aftakking was van de hoofdbeek. Bij vele watermolensites is de by-pass de laatste decennia gedempt, al dan niet om er een verkaveling van te kunnen maken. Een van de molensites waar het oorspronkelijk bypass systeem nog aanwezig is, is de Rotemse molen op de Velpe te Halen. In mei 2009 werd een grootse vistrap afgewerkt op de Velpe en niet op de by-pass.  

 

Het onoordeelkundig plaatsen van een vistrap kan de volledige watermolenbiotoop vernielen. Een voorbeeld daarvan is de - niet beschermde - Molen van Arnauts te Vroente (Kersbeek-Miskom, Kortenaken) op de Velpe waarbij de vistrap zelfs een te grote hindernis bleek voor de vissen. 

 

Ondertussen wordt het natuurelement zowel door de vzw Natuurpunt (Boembekemolen te Michelbeke) als door de Vlaamse Milieumaatschappij (Meerhout) gebruikt om bij de renovatie van een watermolen, gelegen in een natuurgebied, een educatieve functie rond energie en natuurbeheer toe te voegen. Die watermolen te Meerhout leverde in het begin van de jaren 1920 zelfs elektriciteit aan het dorp. Dit bedrijfsgegeven werd stopgezet. De eerste watermolen waar opnieuw elektriciteit opgewekt werd is de site Dijlemolens te Leuven die in de jaren 1980 door vzw TSAP gerenoveerd werd tot lofts met eigen elektriciteitsopwekking. Ook op andere watermolens werd opnieuw elektriciteit opgewekt, zoals de watermolen te Rotselaar, de Molen Van Doren, en de Wedelse molen te Overpelt. 

 

Nadat een pionier als Alfred Ronse in 1933 met zijn eigen Meerlaanmolens te Gistel moest ervaren dat windmolens niet perfect elektriciteit kunnen opwekken, werd er niet verder gewerkt om op basis van oude(re) windmolens elektriciteit op te wekken. Specifiek ontworpen windmolens vangen nu wind. 

 

 

EEN CASUS VAN HEDENDAAGSE GEÏNTEGREERDE MOLENERFGOEDZORG 

 

De Zwalmmolen of Molen Ten Berge te Munkzwalm (Zwalm) is voor het eerste vermeld in 1040 als eigendom van de Gentse Sint-Pietersabdij. Oorspronkelijk was dit, zoals vele watermolens in Vlaanderen, een dubbelmolen. Op de linkeroever bevond zich een molengebouw met waterrad dat in de loop der eeuwen verschillende functies had: oliemolen, snuifmolen, cichoreimolen. In 1891 werd de linkermolen afgebroken. De molen op de rechteroever bleef steeds een graanmolen. In 1930 werd in het sterk uitgebreide gebouw een gemotoriseerde maalderij ondergebracht. Na een dodelijk ongeluk van zijn nichtje legde de molenaar in 1970 de molen voorgoed stil. Zoals de meeste watermolens in de regio vond in het molengebouw een horecazaak een onderkomen. 

 

In 1990 verwierf het Oost-Vlaams provinciebestuur het complex, bracht het horecagebeuren over naar het vroegere molenhuis en streefde naar een maalvaardige restauratie van de Zwalmmolen. Ondertussen had de plaatsing van een automatische klepstuw op de Zwalm, juist voor de molen, de toevoer van het water naar het waterwiel stilgelegd. Zelfs voor een openbaar bestuur verloopt een restauratiecampagne niet altijd op rozen. Stedenbouwkundige en financiële beslommeringen vertraagden de procedure. Bovendien kwamen watermolens in de twintigste eeuw sterk onder vuur liggen. Niet alleen omdat zij als hindernis werden beschouwd voor de snelle afvoer van het rivierwater bij wateroverlast. Ook inzake natuurbeheer worden watermolens geviseerd omdat het Vlaams overheid sinds het begin van deze eeuw streeft naar vrije vismigratie op alle rivieren, van monding tot bron. De Zwalm is bovendien een primaire waterloop betreffende zeldzame migrerende vissoorten. 

 

Watermolens genieten echter sinds mensenheugenis een juridisch beschermd recht om water op te houden, het zogenaamde stuwrecht, ongeacht of hiervan al dan niet regelmatig gebruik wordt gemaakt. 

 

Op basis van overleg dokterde men een compromismodel uit, waarbij het weer functioneren van de watermolen, vismigratie en degelijke waterbeheersing complementair mogelijk worden. In 2007 kon de restauratie van start gaan. Gelijktijdig met de maalvaardige restauratie van de eeuwenoude Zwalmmolen is op de linkeroever, haast onzichtbaar voor het oog, een kleine waterkrachtcentrale geplaatst die groene stroom genereert. Gelijktijdig vond een archeologisch onderzoek plaats in de site op de linkeroever waar zich tot 1891 de molen bevond. De resultaten worden opgenomen in een kleine tentoonstelling die in het ruime watermolengebouw is ondergebracht. Archeologische sporen en onderzoek van onze oudste watermolens zijn uiterst zeldzaam. 

 

De molen zelf wordt weer regelmatig bemalen, in eerste instantie door vrijwillige molenaars die het product zijn van de zogenaamde Molenaarscursus die her en der in Vlaanderen wordt georganiseerd. De horeca in het molenaarshuis biedt hier een ondersteunende functie aan het toeristisch potentieel van een eeuwenoude malende Zwalmmolen. En omgekeerd. Essentieel is dat horeca uitstekend past naast, niet in de molen. De historische beleving, een voorname doelstelling van erfgoedzorg, komt hierdoor niet in het gedrang. 

 

Er is geen molenaarshaan of hij at gestolen graan

Waar men werkt wordt veelal oneerlijk mee omgegaan Zich gedragen naar de omstandigheden  

 

Gij rommelt als een molen, doch ik zie nog geen meel

Je doet wel belangrijk, maar ik zie geen resultaat

 


IMMATERIEEL MOLENERFGOED 

 

Als we bedenken dat er in Vlaanderen ooit 2770 wind- en watermolens draaiden, hoeft het geen betoog dat molens en molenaars een cruciale rol speelden in de samenleving. De molen was een trefpunt bij uitstek, want iedereen kwam er om zijn graan te laten malen. Als je nieuwtjes wou weten, moest je in de molen zijn. Kinderen vonden een leuk speelterrein op de molenberg of lieten zich zoals de graanzakken omhoog hijsen in de molen. De molenaar genoot aanzien, want hij bediende met behulp van de indrukwekkende natuurkrachten een levensnoodzakelijke machine. 

 

Tegelijk werd de molenaar gewantrouwd en kreeg hij een heel dubieus imago toebedeeld. Zijn molen was vaak erg afgelegen en er werd soms 's nachts gewerkt, wat het voor sommigen toch wel een verdachte plek maakte. De molenaar werd betaald met een scheploon: hij mocht een afgesproken hoeveelheid (schep) meel voor zich houden. Natuurlijk vond menig boer dat de molenaar wel heel diep schepte en dat er beduidend minder meel in de zak zat dan hij graan bij de molen afgeleverd had .. .Tot overmaat van ramp markeerde de molenaar de zakken met een geheimschrift (het mulderslatijn) en mocht hij als enige van het dorp op zondag werken, behalve tijdens de hoogmis. Zijn reputatie als vrouwenversierder (en dito bedrieger) was legendarisch. Spreuken en gezegden liegen er dan ook niet om ... 

 

De molenaar was ook een fantastische bron van inspiratie voor menig liedjeszanger. Jan Delcour bundelde 99 molenliederen van de zestiende tot het begin van de twintigste eeuw in zijn boek Zingende zeilen. 99 molenliederen (Gent, Provincie Oost-Vlaanderen i.s.m. Muziekmozaïek, 2009) 


 

Praktisch


AUTEURS

 

Els Otte (Gent, 1964) studeerde geschiedenis aan de Gentse universiteit. Ze werkte zeven jaar als wetenschappelijk medewerker bij het Museum Plantin-Moretus in Antwerpen en is sinds 1996 als wetenschappelijk medewerker cultuur verbonden aan Mola - het Provinciaal Molencentrum in Wachtebeke.

 

Walter Van den Branden ( Herentals 1958) is historicus (Ugent). In 1985 werd zijn belangstell ing gewekt voor de techniek en problematiek van het molenpatrimonium en volgde de opleiding tot actief meester-molenaar. Sinds 1991 is hij conservator van het Provinciaal Molencentrum Mola te Wachtebeke, dat ook vijf wind- en watermolens beheert. Naast publicaties over molenerfgoed verschenen van hem ook diverse bouwhistorische studies over monumenten en bedreigde sites.

 

Harry van Royen (Hamme, 1965) studeerde geschiedenis aan de Universiteit Gent en is momenteel als stafmedewerker wetenschappelijk onderzoek verbonden aan het Abdijmuseum Ten Duinen 1138 te Koksijde. Hij is tevens actief als (vrijwillig) wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit Gent en aan het Departement Architectuur van PHL Campus Diepenbeek. De geschiedenis en het erfgoed van molens is een van zijn aandachtspunten.  


 

ILLUSTRATIES 

 

Tenzij anders vermeld, alle illustraties © Mola - Het Provinciaal Molencentrum, Johan Bracke.

De afbeeldingen op de binnencovers en op de bladzijden 12, 13 en 27 uit: Molenland Vlaanderen, Deel I Historie verbeeld, Deel 2 Nu in beeld, 2008, een project van Alain Goublomme


MOLENLITERATUUR 

 

• Een exhaustieve bibliografie over molens is in dit bestek niet te geven. Meer gegevens over nog bestaande molens kunnen op de website van Molenzorg Vlaanderen vzw gevonden worden: www.molenechos.org

• De historische nota's worden er aangevuld met een literatuu rlijst en een fotoselectie van de behandelde molen.

• Voor verder onderzoek kan men terecht in de bibl iotheek van het Mola - Puyenbrug 5 - bij het Provinciaal Domein Puyenbroek te Wachtebeke.

• Als initiërende literatuur rond molens is volgend werk alvast verhelderend: Paul Bauters, Van zadelsteen tot zetelkruier. Tweedu izend jaar molens in Vlaanderen, Gent, 1998-2002, 3 delen.

• Lopende titels van tijdschriften over molens in Vlaanderen zijn: Molenecho's, Vlaamse Molens, Levende Molens, Ons Molenheem.


MOLENVERENIGINGEN IN VLAANDEREN 

 

 

INTERNATIONALE MOLENVERENIGINGEN

 


MOLENMUSEA