U bent hier

De landcommanderij Alden Biesen

De landcommanderij Alden Biesen

 

 


 

Inhoudsopgave

De landcommanderij Alden Biesen

  • Een historisch overzicht van de Duitse Orde en van de balije Biesen door dr. Michel van der Eycken
  • Een wandeling door Alden Biesen door Godelieve Juvens-Geerkens en Guido Daniëls
  • De restauratie van Alden Biesen door Etienne Castermans
  • De huidige functie door Suzanne Vanaudenhove 

 


Een historisch overzicht van de Duitse Orde en van de balije Biesen

 

 

Achthonderd jaar geleden ontstond voor de poorten van het door een kruisvaardersleger belegerde Akko in Palestina de Duitse Orde. Tijdens de derde kruistocht (1189-1192) werd in augustus 1190 door inwoners van Bremen en Lübeck een veldhospitaal ingericht om er de vele gewonden en zieken te verplegen. Deze gebeurtenis wordt als de stichting van de Fratres Domus Hospitalis Sanctae Mariae Teutonicorum in Jeruzalem (Broeders van het hospitaal van Onze-Lieve-Vrouw der Duitsers in Jeruzalem) of kortweg Duitse Orde beschouwd. Met de oprichting van dit veldhospitaal sloten de stichters zich aan bij de traditie van een reeds eerder bestaand, maar teloorgegaan Duits hospitaal te Jeruzalem, bestemd voor de opvang van pelgrims uit het Duitse keizerrijk. Na verovering van Akko kregen de broeders een permanent huis in de stad waar ze hun activiteiten ontplooiden. Mede door de toegenomen belangstelling van de Duitse keizers voor een permanente aanwezigheid in het Heilig Land, evolueerde de broederschap naar een ridderorde. In 1198 werd ze tot een ridderorde omgevormd, alhoewel ze haar eerste roeping van zielezorg en verpleging trouw bleef. De regel van de nieuwe orde was geïnspireerd door de regels van de reeds bestaande Tempeliers en Johannieten of ridders van Malta. Bij de eersten haalde men vooral inspiratie voor het militaire aspect, terwijl men bij de tweede voor het caritatieve terecht kwam.

 

Tijdens de eerste decennia van haar bestaan slaagde de Duitse Orde erin zich snel te ontwikkelen en hierbij kon ze rekenen op de bescherming van de Duitse keizers en van de paus. In het begin van de 13e eeuw had de Duitse Orde niet alleen vestigingen in het toenmalige keizerrijk, maar ook in het huidige Frankrijk, Spanje en Griekenland. Belangrijk in de ontwikkeling van de orde was het feit dat ze zich vanaf 1230 actief ging bezighouden met het onderwerpen van de heidense Pruisen. Hiermee werd de start gegeven voor de uitbouw van een eigen land aan de Oostzee. Tijdens de volgende jaren rukte de Duitse Orde verder op naar het oosten. De nederlaag tegen de Russische troepen van Alexander Nevski aan het dichtgevroren Peipusmeer in 1242 betekende het einde van de oostelijke expansie. In de onderworpen gebieden bouwde de Duitse Orde een eigen vorstendom uit. Langzamerhand verplaatsten haar activiteiten zich meer en meer naar deze regio, temeer omdat door de opmars van de Turken het Heilige Land in 1291 definitief verloren ging. In 1309 werd de zetel van de grootmeester van Venetië naar Mariënburg (het huidige Malborg in Polen)verplaatst.

 

De Duitse Orde was sterk hiërarchisch gestructureerd. Aan het hoofd stond de grootmeester. De verschillende bezittingen waren gegroepeerd in balijen of landcommanderijen onder de leiding van een landcommandeur. Het Duitse keizerrijk telde twaalf balijen: Oostenrijk, Bozen, Elzas-Bourgondië, Lotharingen, Franken, Marburg, Thüringen, Saksen, Westfalen, Koblenz, Utrecht en Biesen. Nadat de grootmeester zich in Pruisen had gevestigd, kwam in het Duitse Rijk de landsmeester of Duitsmeester aan het hoofd van de orde. De verschillende balijen waren op hun beurt onderverdeeld in commanderijen met aan het hoofd een commandeur.

 

De orde bestond aanvankelijk uit ridders, priesters, "serjantzbroeders", ordezusters, halfbroeders en -zusters en "familiares". Aanvankelijk was een adellijke afkomst geen noodzaak om tot de ridderstand toegelaten te worden, maar alras eiste men van de postulant dat hij vier kwartieren kon bewijzen. In 1567 werd dit aantal tot acht en in 1671 tot zestien kwartieren vermeerderd. De ordepriesters stonden in voor de eredienst en de parochiale zorgen in de vele parochies waarvan de Duitse Orde het begevingsrecht bezat. De "serjantzbroeders" stonden onder de ridders en vervulden beheersfuncties binnen de gemeenschap. Zij moesten samen met de ridders ten strijde trekken. De zusters en halfzusters werkten in de hospitalen. In de balije Biesen waren echter geen zusters actief. De halfbroeders vervulden allerlei ondergeschikte taken in de gemeenschap. De "familiares" tenslotte waren personen die zich door hun levenswijze met de orden verbonden. Dikwijls waren het weldoeners.

 

Tijdens de tweede helft van de 14e eeuw werd de Duitse Orde in Pruisen vooral geconfronteerd met de opkomende macht van de steden en van de zich ontwikkelende territoriale staten. In 1410 kwam het tot een bloedige confrontatie met Polen en Litouwen in de slag bij Tannenberg, die op een verpletterende nederlaag uitdraaide voor de orde. Ze slaagde er evenwel in haar grondgebied te vrijwaren, maar moest hiervoor enorme financiële inspanningen leveren, wat lange tijd zwaar doorwoog op haar werking.

 

De Reformatie betekende een mijlpaal in de geschiedenis van de Duitse Orde. In 1525 onderwierp de toenmalige grootmeester Albrecht von Brandenburg zich aan de Poolse koning. Hij legde de ordemantel af en bekeerde zich tot het protestantisme. Voortaan zou hij als hertog over Pruisen regeren. Hiermee ging het land van de orde na drie eeuwen verloren. Enkel in het Duitse Rijk bleef de orde bestaan, alhoewel zich hier ook structurele en religieuze moeilijkheden voordeden. Zo bekeerden een aantal ridders zich tot het nieuwe geloof met als gevolg dat er binnen het Duitse rijk een aantal balijen met verschillende geloofsovertuigingen ontstonden. De Duitse Orde werd door de als nieuwe grootmeester erkende Duitsmeester vanuit Mergentheim bestuurd. De balije Utrecht ging met de afscheiding van de Verenigde Provincies een eigen leven leiden. Op dit ogenblik is deze balije trouwens de enige waar edelen nog steeds het bestuur waarnemen. Vanaf de 17e eeuw kreeg de orde nieuwe opdrachten. Zij engageerde zich aan de zijde van de Habsburgse keizers in de zogenaamde Turkenoorlogen en voortaan zouden de nieuw opgenomen ridders eerst hun sporen in de strijd tegen de Turken moeten verdienen. De invloed van de Habsburgers nam in de 17e en 18e eeuw langzamerhand toe. Verschillende telgen uit dit vorstenhuis, zoals bijvoorbeeld Karel Alexander van Lotharingen, werden grootmeester.

 

De Franse Revolutie en de daaropvolgende Franse expansieoorlogen maakten een einde aan de feodale structuren en aan de activiteiten van de orde in de veroverde gebieden. De rijke bezittingen vielen ten prooi aan de Franse veroveraars of werden, zoals in het Duitse rijk in 1809 gebeurde, verdeeld onder de landsvorsten. Enkel in het door de Habsburgers geleide Oostenrijkse keizerrijk wist de orde zich te handhaven.

 

Vanaf 1839 werd onder impuls van grootmeester aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk-Este een nieuwe structuur aan de Duitse Orde gegeven. Onder leiding van de ridders werden nieuwe vormen van dienstverlening en ziekenzorg uitgewerkt. Hospitalen en weeshuizen zagen het licht. De priesteropleiding werd verbeterd en ook de sinds de middeleeuwen verdwenen zustergemeenschap werd heropgericht.

 

Met de ineenstorting van het Habsburgse Rijk na de Eerste Wereldoorlog werd ook de Duitse Orde zwaar getroffen. Vele bezittingen werden door de nieuwe staten onteigend en verbeurd verklaard. Enkel de kerkrechterlijke erkenning en structuren bleven in Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije, Joegoslavië en Italië bestaan. De curie keurde een nieuwe regel goed waarbij voortaan geen ridders meer zouden worden aangenomen. Grootmeester aartshertog Eugeen van Habsburg trad in 1923 af en meteen had de orde een zuiver religieuze leiding. Met de aanhechting van Oostenrijk bij Nazi-Duitsland in 1938 werd de Duitse Orde opgedoekt. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam zij opnieuw van de grond. Zij heeft momenteel een driedelige structuur van broeders, zusters en familiares en is op religieus en sociaal vlak actief in een aantal landen. De hoofdzetel bevindt zich te Wenen.

 

In april 1220 schonken Arnold III, graaf van Loon, en zijn zuster Mechtildis d'Are, abdis van Munsterbilzen, de kapel van Biesen te Rijkhoven met alle aanhorigheden aan de Duitse Orde. Deze schenking gebeurde op een ogenblik dat de orde, mede onder impuls van haar grootmeester Herman von Salza (1209-1239) zowel bij de paus als bij de keizer hoog in aanzien stond. Bovendien was het ideaal van de kruistochten nog bijzonder levendig.

 

Het voorbeeld van de graven van Loon vond navolging bij de lokale adel. Alhoewel het bronnenmateriaal uit de beginperiode van de balije Biesen erg beperkt is, kunnen we vaststellen dat het nieuwe territorium snel aangroeide. Loonse, Luikse en Brabantse edelen schonken goederen aan de Duitse Orde. Sommigen traden tot de orde toe en stelden hun bezittingen ter beschikking van de gemeenschap. Zo schonk in 1230 Willem van Bekkevoort zijn heerlijke bezit te Bekkevoort. Nog voor 1240 werd te Bernissem bij Sint-Truiden een nieuwe zetel opgericht. In 1242 trad Daniel van Voeren tot de orde toe en schonk zijn bezittingen in de Voerstreek, wat de basis legde voor de latere commanderij Sint-Pieters-Voeren. Rond het domein van Alden Biesen werden eveneens nieuwe bezittingen verworven. In 1241 verkreeg de orde het domein Damereis onder Hoeselt, dat later werd aangevuld met bijkomende grondaankopen. In 1246 werd te Althoeselt het latere Hof ter Poorten gekocht. Twee jaar later verwierf de orde gronden onder Diepenbeek waaruit het Hof van Kaetsbeek ontstond.

 

In het midden van de 13e eeuw besloten de ridders het vrij onbeschermde Alden Biesen te verlaten om zich binnen de muren van Luik te begeven. In 1254 vestigden zij zich in de "vurige stede" en verwierven er het patronaatsrecht van de Sint-Andreas en Sint-Gangulfuskerken, samen met nog andere goederen. In 1266 verlegde de Duitse Orde haar zetel opnieuw naar Alden Biesen, maar de beide Luikse kerken bleven als basis voor de commanderij van Sint-Andreas fungeren. In 1281 schonk Raso van Holt bij zijn toetreding de heerlijkheid Holt, die de kern zou worden voor de commanderij en het cijnshof van Holt. In 1322 kocht de Duitse Orde de Sint-Gilliskapel met aanhorigheden te Aken. In 1358 verkreeg de orde een stuk grond te Maastricht. Vier jaar later liet landcommandeur Hoen van Hoensbroek (1356-1371) er een nieuw ordehuis bouwen. Dit Huis van de Biesen of de Nieuwen Biesen te Maastricht werd uiteindelijk de nieuwe hoofdzetel van de landcommanderij. De oude vestiging te Rijkhoven kreeg voortaan de naam Alden Biesen.

 

In 1371 verkocht "Deutschmeister" Philip von Bickenbach de commanderij Ramersdorf nabij Bonn aan de balije Alden Biesen. Deze was eveneens in het begin van de 13e eeuw gesticht en tot dan toe rechtstreeks afhankelijk van de Deutschmeister. Ramersdorf was niet de enige commanderij in het Rijnland die onder de balije Biesen ressorteerde. Op het einde van de 13e eeuw werd de in 1219 gestichte commanderij van Siersdorf opgenomen. In de huidige Nederlandse provincie Noord-Brabant werden in de 14e eeuw de commanderijen van Gemert, gesticht ca. 1249, en Vucht, gesticht ca. 1334, geïncorporeerd. In 1417 kocht landcommandeur Iwan van Cortenbach (1410-1434) de heerlijkheid Gruitrode en vestigde er een bijhuis. Hiermee kwam voorlopig een einde aan de stichting van nieuwe commanderijen. Pas in 1573-1591 werd te Keulen de Jungen Biesen opgericht. Deze commanderij lag in de schaduw van de Keulse universiteit en diende vooral als verblijfplaats voor ordebroeders en bursalen die aan de universiteit cursussen volgden. Een soortgelijke stichting - het zogenaamde Duits college - werd te Leuven geopend in 1622.

 

In 1611 verwierf landcommandeur Edmund Huyn van Amstenrade de heerlijkheid Ordingen en maakte ze tot zetel van een commanderij. Het commandeurschap van Holt werd afgeschaft en overgedragen aan Ordingen. De laatste commanderij van de balije Biesen werd in 1740 in het verafgelegen Aschaffenburg gesticht door landcommandeur Damian Hugo von Schönborn, die op die manier zijn geboorteplaats bij de Duitse Orde wilde betrekken.

 

Het uitgestrekte territorium van de balije Biesen vergde een goed uitgebouwde organisatie. De landcommandeur vormde samen met de verschillende commandeurs en enkele ordepriesters het balijekapittel. Dit kapittel was het hoogste bestuursorgaan en bepaalde het algemene beleid. Het stelde ook de landcommandeur aan, wat daarna nog wel door de grootmeester werd bevestigd. Het bestuur van de onderhorige commanderijen was in handen van de commandeurs. De commandeur was meestal een ridder, alhoewel binnen de balije Biesen ook enkele vestigingen door priesters werden geleid, zoals Luik en Vucht. De verschillende commanderijen waren niet even belangrijk en als een commandeur overleed, verwisselden de andere commandeurs van commanderij. Binnen de balije Biesen begon een aankomende ridder zijn loopbaan meestal als commandeur van Ramersdorf. Velen van de ridders van de balije Alden Biesen waren telgen uit lokale families. Tijdens de middeleeuwen recruteerde de orde hoofdzakelijk uit de adel van de streek waar ze gevestigd was. Later, vooral in de 17e en 18e eeuw, maakten vrij veel leden uit verder verwijderde gebieden carrière in de balije. Het valt overigens op dat er in sommige families blijkbaar een traditie bestond om tot de orde toe te treden. Opmerkelijk is ook dat vele van de commandeurs onderling verwant waren. Het aantal ridders binnen de balije Biesen was niet erg groot. Het gebeurde regelmatig dat er voor een deel van de commanderijen geen commandeur voorhanden was. Pas tijdens de 18e eeuw waren alle commanderijen vrijwel constant bezet en had men daarnaast meestal nog enkele aankomende ridders achter de hand. De commandeurs hielden zich niet zelf met het bestuur van hun commanderij bezig. Waren zij er tijdens de middeleeuwen nog vrij veel aanwezig, dan verminderde dit zienderogen vanaf de 16e eeuw. De commanderij was voor de commandeur enkel nog een vaste bron van inkomsten, waar hij zich soms slechts eenmaal per jaar of geheel niet liet zien. De commandeurs vervulden op dat ogenblik, zoals de andere ridders, talrijke functies in het leger of in de administratie van de Duitse keurvorsten of van de Habsburgse keizer. Het lokale beheer van de commanderij was volledig in handen van een rentmeester. Niet alleen de commanderij, maar ook de ganse balije werd door een goed georganiseerde administratie bestuurd. Aan het hoofd stond tijdens de middeleeuwen de scheffener of secretaris-rentmeester. Tijdens de 17e en 18e eeuw werd deze functie overgenomen door balijeraden. De scheffener was vroeger meestal een ordepriester die voldoende begaafd was om een dergelijke ingewikkelde administratie te leiden. Vanaf de 16e eeuw deed men een beroep op leken, meestal universitair geschoold, om in de raad de praktische leiding waar te nemen. De scheffener en balijeraden zetelden in de landcommanderij. Tot het midden van de 15e eeuw was dit meestal Alden Biesen, maar door de uitbouw van Nieuwen Biesen te Maastricht verbleef de landcommandeur meer en meer in de Maasstad en verhuisde ook de administratie mee. Tijdens de tweede helft van de 15e en tijdens het grootste deel van de 16e eeuw werd de balije Biesen dan ook vanuit Maastricht bestuurd. De godsdiensttroebelen op het einde van de 16e eeuw en de uitbouw van Alden Biesen tot de huidige residentie tijdens de 17e en 18e eeuw, brachten mee dat de landcommandeur zich opnieuw meer te Alden Biesen ging ophouden, maar de administratie bleef te Maastricht en dit tot het einde van de 18e eeuw.

 

Naast de balijeraad verbleef ook de hoofdrentmeester te Maastricht. In Nieuwen Biesen werden daarenboven alle archieven van de balije gecentraliseerd en bewaard. Jaarlijks stuurden de verschillende rentmeesters van de verschillende commanderijen hun rekeningen ter controle naar Maastricht. Vanuit Nieuwen Biesen ontvingen zij ook richtlijnen voor de werking van hun commanderij. Ook hier is het opmerkelijk dat vele rentmeesters blijkbaar uit een kleine groep families werden gerecruteerd. Zo werkten de families Lamberti, Cox, Clercx, De la Court, Wilhelmi en andere eeuwenlang voor de Duitse Orde. Bovendien waren ze meestal ook onderling verwant. Binnen het ambtenarenapparaat van de balije wisselden zij ook regelmatig van functie, en dit naargelang er belangrijker posten vrijkwamen. Het bestuur van het kasteel van Alden Biesen was een ambt dat in hoog aanzien stond en meestal aan een zeer goed element werd toevertrouwd. De Duitse Orde verwierf in de loop der eeuwen het begevingsrecht voor een aantal parochies en beneficies. Om ze te bedienen werden de eigen ordepriesters ingeschakeld en indien er onvoldoende waren, deed men een beroep op andere seculiere geestelijken. De balije Biesen was, in tegenstelling tot sommige andere balijen, steeds vrij goed van priesters voorzien. Aanvankelijk kregen de priesters hun opleiding in het convent te Maastricht, waar de kandidaten zich onder het toezicht van de sacrist, een van de belangrijkste ordepriesters en bedienaar van de kerk van Nieuwen Biesen, op het priesterschap voorbereidden. Met de oprichting van het huis van de Duitse Orde te Leuven in 1622 gingen verschillende kandidaten eerst aan de Leuvense Alma Mater studeren vooraleer in het convent te worden opgenomen. Vervolgens ondergingen zij het noviciaat, waarna zij plechtig werden ingekleed. Tijdens de 17e en 18e eeuw werden ook verschillende priesters, die elders waren opgeleid en gewijd, aanvaard.

 

Het aantal ordepriesters binnen de balije varieerde nogal, maar vanaf het begin van de 18e eeuw waren er vrijwel steeds een twintigtal in functie. Na zijn opname in de orde verbleef de jonge priester gewoonlijk nog enkele tijd in het priesterconvent te Maastricht, waar hij meehielp bij de talrijke erediensten in de ordekerk en in de administratie van de balije. Zodra er ergens een parochie vrijkwam, werd hij daar door de landcommandeur als pastoor benoemd. Het gebeurde niet zelden dat de priester na verloop van tijd zijn eerste parochie ruilde voor een andere die ondertussen was vrijgekomen. Werd de priester vrij oud en was hij niet meer in staat zijn parochiale taak naar behoren uit te oefenen, dan keerde hij gewoonlijk terug naar het priesterconvent.

 

Een aantal functies stonden in hoog aanzien. Dit gold in de eerste plaats voor de leiding over het Duits college te Leuven, waarvoor heel wat beheersgaven vereist waren, de functie van sacrist of verantwoordelijke voor de kerk van Nieuwen Biesen en het priesterconvent en tenslotte het pastoraat van Sint-Andreas en Sint-Gangulfus te Luik. De grootpastoor, zoals de pastoor van deze parochie werd genoemd, had dezelfde rang als de commandeurs en oefende het bestuur uit over de commanderij van Saint-André te Luik. Hij zetelde samen met de andere commandeurs in het balijekapittel. De priesters binnen de balije Biesen kwamen voornamelijk uit de regio van de verschillende commanderijen. Zij moesten, zoals de ridders, hun deugdzame afkomst bewijzen (vanaf het einde van de 17e eeuw over vier generaties). Daarnaast moesten zij bij hun intrede een bepaalde som betalen en instaan voor hun eigen kleding en uitzet, zodat de meeste ordepriesters uit meer begoede families kwamen.

 

Vanaf het laatste kwart van de 16e eeuw besteedde de Duitse Orde binnen de balije Alden Biesen een bijzondere aandacht aan de opleiding van haar ridders, priesters en ambtenaren. Zo had de Keulse universiteit het Collegium Laurentianum waar jonge edelen en telgen uit families die met de orde verbonden waren een opleiding konden volgen. Te Gemert bestond er een Latijnse school waar begaafde kinderen de kans kregen zich op universitaire studies voor te bereiden. In het priesterconvent te Maastricht werkte de "Stichting voor de koralen" bestaande uit jonge knapen die hielpen bij de verschillende koordiensten in de kerk, maar daarnaast konden studeren in het convent en bij de Maastrichtse jezuïeten. In Leuven had men het Duits college waar naast kandidaten voor het priesterschap ook menig aankomend ambtenaar van de balije zijn studietijd in de rechten doorbracht. De Duitse Orde besefte immers de grote noodzaak over bekwame mensen te kunnen beschikken teneinde een zo uitgestrekt patrimonium als de balije Biesen efficiënt te besturen.

 

Er is nog geen studie gemaakt van het totale grondbezit van de balije Biesen, noch van de opbrengsten van het enorme patrimonium dat de Duitse Orde zich in de loop der eeuwen in deze regio wist op te bouwen. Van de middelgrote commanderij Bekkevoort is bekend dat zij op het einde van het Ancien Régime ca. 200 ha akkerland, 60 ha weiden en 210 ha bossen besloeg. Zij incorporeerde bovendien vijf grote hoeven en bezat een aanzienlijk aantal jaarlijkse renten en obligaties. De opbrengsten van deze laatste overtroffen soms de inkomsten uit de gronden. Tijdens de 17e en 18e eeuw ging de Duitse Orde zich trouwens meer en meer toeleggen op het beleggen van geld, meer nog dan op het verwerven van landerijen. Zij werd een voornaam financier.

 

De komst van de Fransen en de brutale secularisatie van de bezittingen van de balije Biesen in 1797 betekenden aanvankelijk niet het einde van de balijewerking. Gingen de bezittingen in deze gewesten verloren, dan werkten de resterende ridders nog enkele jaren verder in de op dat ogenblik nog niet opgeheven commanderijen in Duitsland. Een belangrijk deel van het geld stond op de Bank van Wenen. De afschaffing van de Orde in het Duitse keizerrijk in 1809 maakte evenwel een einde aan bijna 7 eeuwen Duitse Orde in onze gewesten. De enkele ridders, priesters en ambtenaren die nog overbleven, werden geïntegreerd in verschillende andere structuren. Sommige ridders kwamen in de balije Oostenrijk terecht, terwijl de priesters zich na het concordaat tussen de Kerk en Napoleon opnieuw gingen bezighouden met de zorg over hun parochie. Verschillende voormalige ambtenaren vonden hun weg in het door de overheid geïnstalleerde bestuursapparaat.

 

Deze korte inleiding was niet de plaats voor een uitgebreide geschiedenis van de balije Biesen in het algemeen en van de landcommanderij Alden Biesen in het bijzonder. Ze geeft slechts een summier beeld van de uiterst boeiende geschiedenis van de Duitse Orde in onze gewesten, waarvan trouwens nog vele aspecten onvoldoende of niet zijn onderzocht.

 

dr. Michel van der Eycken


Een wandeling door Alden Biesen

 

Inleiding

 

Alden Biesen is een van de oudste bezittingen van de Duitse Orde in onze gewesten. Op 20 april 1220 schonken Arnold III, graaf van Loon, en zijn zuster Mechtildis, abdis van het stift van Munsterbilzen, een in 1216 gewijde kapel met bijhorende landerijen, in Biesen gelegen, aan de Orde van het hospitaal Onze-Lieve-Vrouw der Duitsers in Jeruzalem. Deze orde van ridder-broeders was dertig jaar eerder, in 1190, tijdens de vierde kruistocht, in Akko gesticht als hospitaalbroederschap. Paus Innocentius III bekrachtigde op 19 februari 1199 de overgang van hospitaalorde naar geestelijke ridderorde. Aan de regel der johannieterorde die tot dan toe gevolgd was, werden talrijke elementen van de tempeliersregel toegevoegd. De ridders, geestelijken en andere broeders van de Duitse Orde zouden van dan af het zwarte kruis op een wit veld als herkenningsteken dragen. Keizer Frederik II (1212-1250) was hun grote beschermheer. Herman von Salza, vierde grootmeester van de Duitse Orde (1209-1239) en een van de invloedrijkste politici van zijn tijd, vertrouwensman van de keizer en de paus, verkreeg talrijke privileges voor de Orde. Ook de graaf van Loon, heer van het graafschap dat grotendeels de huidige provincie Belgisch Limburg omvatte, was de Duitse Orde goedgezind. Kortom, er blies een gunstige wind voor deze ridderbroeders.

 

De schenking in Biesen bijna acht eeuwen geleden van een goed in een dal van het vruchtbare Haspengouw, ligt aan de oorsprong van het huidige complex. Alden Biesen groeide uit tot één van de meest merkwaardige en indrukwekkende historische sites van onze streken. Het geheel is het resultaat van een eeuwenlange groei, uitbouw, aanpassing aan veranderende behoeften, functies en omstandigheden. Men kan daarin vier grote periodes onderscheiden.

 

In de eerste eeuwen van haar bestaan was Biesen een verblijf voor een gemeenschap van priester- en ridderbroeders vooral afkomstig uit het eigen Maas-Rijngebied. Onder een strenge kloosterregel van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede en met militaire tucht, stelden ze zich ter beschikking voor de herovering van het Heilig Land. Toen dit in de 13e eeuw onmogelijk bleek, werd de bekering van de heidense Pruisen hun levensopdracht. Uit deze eerste ontwikkelingsperiode resten ons in Alden Biesen enkele archeologische vondsten.

 

In een tweede fase, die in het midden van de 16e eeuw begon, werd Alden Biesen langzaam uitgebouwd tot een representatief ambtsverblijf voor de hoogste waardigheidsbekleder van de Orde in het meest westelijk deel van het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie. Alden Biesen pastte als dusdanig in de Rijkskerk, waarin wereldlijke en kerkelijke macht onontwarbaar met elkaar verstrengeld waren. Alden Biesen werd opgenomen in een machtsstructuur die vooral zichzelf en de privileges van de bevoorrechte groepen kerk en adel in stand hield. De Franse Revolutie maakte daaraan een einde. Kerk en Staat werden gescheiden. Oude privileges verdwenen, kerkelijke goederen werden verbeurd verklaard. Het goed werd verkocht.

 

In deze derde fase verloor Alden Biesen zijn historische opdracht en degradeerde tot een - veel te groot - familieverblijf van welstellende industriëlen en grootgrondbezitters. Het historisch patrimonium takelde af. Twee wereldoorlogen en niet het minst de perikelen bij de bevrijding in 1944, versnelden het verval. Financiële onmacht, verwaarlozing en een dramatische brand op maandag 8 maart 1971 hebben bijna tot de complete ondergang geleid.

 

De vierde en voorlopig laatste episode uit het Alden Biesenverhaal begon op 5 juli 1971: de dag waarop de Belgische Staat en de provincie Limburg respectievelijk het gehavende gebouwencomplex en de omliggende gronden en landerijen aankochten. Sedertdien wordt er gewerkt aan de restauratie en revalorisatie van het geheel tot een cultuur- en congrescentrum met regionale, nationale en grensoverschrijdende opdrachten. Momenteel is Alden Biesen een historische site met een boeiend en rijk verleden en, naar wij hopen, een even boeiende toekomst.

 

Het huidig uitzicht van Alden Biesen is 18e-eeuws.

 

Tijdens onze wandeling gaan wij terug in de tijd, in een poging de oorsprong en samenhang van een en ander te verklaren. Het kasteelcomplex ligt in een dal, qua vorm te vergelijken met een lepel. Op het hoogste punt aan de oostkant torent de ingangspoort. In de holte ligt de waterburcht, omgeven door de slotgracht. De lage zijde van het dal helt verder af naar de Demervallei. In die richting wijst als de steel van de lepel, de architectonische lengteas aan de achterkant van het kasteel. De flanken van het dal bieden aan drie zijden geborgenheid, die versterkt wordt door de boomgaarden op de noord- en oostflank, de hoge rode beuken en de andere eeuwenoude bomen van het park aan de zuidzijde. In dit overgangsgebied tussen droog en vochtig Haspengouw groeit de vegetatie weelderig op de vruchtbare leembodem. De vruchtbaarheid van deze bodem lag in de loop der eeuwen mee aan de oorsprong van de rijkdom van deze landcommanderij.

 

 

Bij het poortgebouw

 

Ons bezoek aan de landcommanderij begint bij het poortgebouw op de heuveltop ten oosten van het complex. De ligging op een plek die de hele omgeving beheerst, is kenmerkend voor de zelfbewuste aanwezigheid van de Duitse Orde en symboliseert haar greep op de omgeving. Vanuit dit poortcomplex hield men toezicht op het komen en gaan van gasten en passanten. De poorttoren wordt geflankeerd door de resten van wat eens de trompetterswoning genoemd werd en door de ruïne van het 18e-eeuwse Neue Spital gebouwd onder landcommandeur Damian Hugo von Schönborn (1709-1743). Nu spreekt men van het apostelhuis. De poorttoren zelf telt drie verdiepingen onder een elegant mansardedak met dakkapellen en rondboogvensters. De barokke poortomlijsting met afwisselend ruw en glad gekapte hardstenen delen accentueert de toegang. De sluitsteen in de boog toont het gebaarde gezicht van een oude man, waarbij een zekere stijlgelijkenis met de ruwe poortlijst opvalt. De symbolische betekenis van deze figuur blijft vooralsnog onduidelijk.

 

Voor de poort kwamen vroeger zeven dreven in stervorm samen. Nu zijn het er nog zes. De kastanjedreef, langs de muur van het domein, leidde naar Bilzen; de notendreef naar Martenslinde; de verdwenen populierendreef naar Spouwen. Op heldere dagen ziet men er aan de horizon het industrielandschap van Midden-Limburg: de terrils van de gesloten Kempense steenkoolmijnen, de hoge schoorstenen van een elektriciteitscentrale en de TV-mast van Genk. De huidige Bosselaerstraat wijst richting Tongeren (bij helder weer kan men de basiliek zien), de olmendreef naar Weert. Wie echter vanuit het centrum van de Duitse Orde, Pruisen of Frankenland, via Keulen, Aken en het op 11 km afstand gelegen Maastricht naar Biesen reisde, naderde via de eikendreef, passeerde de poort en bereikte het kasteel via de huidige lindenlaan, die als Maastrichter allee werd en wordt aangeduid. Alle wegen uit de omgeving leidden als het ware naar het centrale hoogste punt. De renaissance-mens en machthebber die Biesen vorm gaf, zag zichzelf en zijn residentie als het centrum van de hem omringende natuur en drukte er zijn stempel op.

 

De gedenkstenen in de gevels verwijzen naar verschillende bouwperiodes. Onder landcommandeur Godfried Huyn van Geleen (1634-1657) werd met de bouw begonnen. In het fronton van de poortbrug prijkt zijn wapen, getooid met de gravenkroon. "Geleen heeft Biesen verfraaid met een poort en een olmendreef', luidt de bijgevoegde Latijnse tekst, "Gelukkige voorbijganger, bid voor deze man". Het in de tekst verwerkte chronogram verwijst naar 1652. Aan de andere zijde van het poortwachtershuis bevindt zich nog een gedenkplaat die naar graaf Huyn van Geleen als bouwer van de poort refereert, maar die tegelijk vermeldt dat baron Edmond von Bocholtz (1657-1690) het poortwachtershuis vanaf de fundamenten heeft bijgebouwd (chronogram 1661). Onder een nis in de oostgevel, waarin oorspronkelijk een Mariabeeld stond, luidt de tekst: "Gaude Virgo Gloriosa Super Omnes Speciosa" (Verheug U, glorierijke Maagd die boven alle maagden verheven zijt).

 

De krulgevel in het eigenaardig vooruitspringende deel van het poorthuis is gedateerd 1689, het jaar voor de dood van Von Bocholtz.

 

Van het apostelhuis aan de noordzijde van de poort is slechts een ruïne overgebleven, begroeid met struikgewas. Er bestaat een gedetailleerde beschrijving die dateert van 1726. Zijne Eminentie, kardinaal-landcommandeur von Schönborn (1709-1743), liet het gebouw optrekken als een hospitaal voor twaalf arme mannen. Beneden bevonden zich vijf kamertjes en een kapel. Op de eerste verdieping waren nog zeven kleine vertrekjes. Het geheel had een leien dak. Kort na de Tweede Wereldoorlog stortte het apostelhuis in, enerzijds door verwaarlozing, anderzijds had het erg geleden onder het gedreun van het afweergeschut dat in de buurt stond opgesteld. Landcommandeur Caspar Anton van der Heyden (1766-1784), Belderbusch genaamd, was de laatste die belangrijke veranderingen aan het poortgebouw liet uitvoeren. Waarschijnlijk was het verweerde wapenschild boven de nis van hem. In de nis stond vroeger een beeld van Onze-Lieve-Vrouw, patrones van de Duitse Orde. Bovenaan in de voorgevel ziet men tussen twee ramen een gedenksteen met jaartal 1775.

 

 

Wandelen naar het kasteel

 

We dalen nu af naar het kasteel langs de gekasseide Maastrichter allee. De vrij grote linden die de dreef omzomen, werden pas in 1981 als 20-jarige bomen overgeplant. Zij werden in Londerzeel-Wolvertem bij werken aan een weg gerooid. Rechts, parallel met de dreef, loopt meeglooiend met het landschap de lange muur die de hertenwei omsluit. In 1716 had de hertenwei (Thiergarten) nog een houten afsluiting. In de nacht van 8 op 9 januari 1716 sprongen wolven over de omheining en doodden 14 damherten. Recent werden oude fruitbomen gerooid en jonge hoogstamfruitbomen aangeplant. Laagstamfruit zou rendabeler zijn, maar niet de economische waarde, wel de reconstructie van het historisch landschap primeert bij de zorg die de provincie Limburg aan het domein besteedt. Tegen de helling van de hertenwei vertoont de begroeiing met schietwilgen enkele vochtige plekken. Het grondwater komt er aan de oppervlakte. De bronnen die er opborrelen voeden via ondergrondse leidingen de drenkplaats op het neerhof en de slotgrachten rond het kasteel.

 

Het voorkomen van kleilagen op het domein en in de streek maakte het van oudsher mogelijk hier bakstenen van goede kwaliteit te bakken in zogenaamde "veldovens". Uit de correspondentie tussen landcommandeur von Schönborn en rentmeester Cox blijkt dat de grote hoeveelheden stenen die nodig waren voor de bouwwerken in 1716 ter plaatse werden gebakken.

 

De verbouwingen uit de 18e eeuw maken het mogelijk het kasteel vanuit het oosten te bereiken. Daarvoor verlaten we de Maastrichter allee nog voor we ter hoogte van de gebouwen gekomen zijn. We volgen links de kiezelweg en bereiken de eredreef van geknotte linden die naar het kasteel leidt. Daar, bij het smeedijzeren hekken met inrijpoort, hebben we een indrukwekkend uitzicht op de residentie.

 

 

Een gezicht op het kasteel en de voorburchten

 

De façade van de waterburcht vormt het middenstuk van het indrukwekkende decor dat zich voor ons ontplooit. Heel de architectuur van de lengteas leidt tussen de bouwvolumes door, over de brug van de slotgracht, via de ingangspoort van de waterburcht naar de "cour d'honneur" en naar de witte ingangsdeur. Deze deur geeft via een hal met statietrap toegang tot de ontvangstruimten van de landcommandeur. Boven de daken van het kasteel, iets naar rechts, verheft zich de klokketoren. Op de spits van deze en andere torens pronkt in de vorm van een windwijzer het wapen van landcommandeur Hendrik von Reuschenberg (1572-1603), de man die met een drastisch saneringsbeleid Alden Biesen na een periode van inwendige crisis weer tot grote welvaart bracht. Het uitspringende middenrisaliet met balkon boven de ingangspoort van het kasteel wordt geflankeerd door telkens vier grote met hardsteen omrande ramen, op elk van de twee bouwlagen. De horizontale muurbanden van grijze kalksteen in de rode baksteen, accentueren de horizontaliteit van het geheel. De coulisse wordt aan beide zijden verbreed door de vleugels van de oude voorburcht. In 1700, wanneer Romein de Hooghe de bekende ets van Alden Biesen tekende, verbond een tussengebouw nog de parallelle noord- en zuidvleugel van de voorburcht. De gesloopte vleugel, vermoedelijk gebouwd onder landcommandeur Edmund Huyn van Amstenrade (1605-1634), gaf toegang tot het kwartier van de ordepriester en enkele hogere ambtenaren. Verder was het een boerderij met kamers voor de dienstmeiden. Op een tekening van Remacle Le Loup van ca. 1740 staat naast de U-vorm van voorburcht en slotgracht, in het verlengde van de noordvleugel, een lang, laag gebouw afgebeeld, dat voor een groot deel als paardestal werd gebruikt. Slechts enkele decennia later moest het reeds plaats ruimen voor de verdere uitbouw van het voorhof. Was het oostelijke deel van de slotgracht toen al gedempt? Hoe dan ook, tussen 1769 en 1775 werd onder landcommandeur Van der Heyden de Belderbusch (1766-1784) de as verlengd met twee indrukwekkende, vrij gesloten gebouwen buiten de ringgracht. Aan de zuidzijde kwam een manège: een overdekte rijhal, door slechts twee houten kolommen geschraagd. Tijdens deze Oostenrijkse periode waren manèges erg in trek als ontspanning voor de kasteelheren en als statussymbool.

 

Als pendant werd aan de noordkant een even monumentale schuur gebouwd, nu tiendschuur genoemd.

 

De graanopbrengst van de rijke landerijen die de landcommanderij bezat, moet indrukwekkend zijn geweest. Het is echter de vraag of er toen nog veel tienden in natura werden afgedragen. Mogelijk werd deze schuur slechts als architectonisch noodzakelijke pendant voor de rijschool gebouwd. Zeker is dat het een opslagruimte was. Deze functie vervult het gebouw na de restauratie opnieuw. Een boogvormig ijzeren hek met inrijpoort sluit het grote erehof af. De hardstenen vazen op de pilasters van de inrijpoort dragen het jaartal 1775 en het wapen van bouwheer-landcommandeur Van der Heyden de Belderbusch, met het kruis van de Duitse Orde. Oude prenten laten zien dat slechts enkele geknipte sierstruiken dit plein verfraaiden.

 

 

De voorburcht

 

De voorburcht met dienstgebouwen onderging in de loop der eeuwen verschillende wijzigingen. Vooral het slopen van de oostelijke vleugel voor de transformatie van Alden Biesen tot open residentie was een ingrijpende verandering. Wandelend tussen de gebouwen van het erehof, zien we nog weinig van de oorspronkelijke ringgracht. De hoektorens zijn gebleven, evenals de noord- en zuidvleugel. De gebouwen werden opgetrokken einde 16e-begin 17e eeuw, grotendeels onder de landcommandeurs Hendrik von Reuschenberg (1572-1603) en Edmund Huyn van Amstenrade (1605-1634). Hun wapen werd respectievelijk aangebracht aan de westelijke topgevel van de noordelijke en zuidelijke vleugels. Landcommandeur von Schönborn liet verbouwingen uitvoeren tussen 1709 en 1728. Het huis of verblijf van de portier lag vlak naast de poort. Van hieruit leidde een trap naar de kamers van de zoldermeester boven de poort. Naast de portierswoning lagen een paardestal en een koetshuis; tegen de ringgracht hadden zowel de rentmeester als de zoldermeester een kamer. In de zuidvleugel bevonden zich een grote paardestal, een koetshuis en de brouwerij. Boven de brouwerij waren moutzolders. De paardeknechten sliepen in de paardestallen in twee grote houten beddebakken die een stuk boven de vloer hingen: paarden waren kostbaar. De voorburchten bieden nu vergaderruimten en verblijfsaccommodatie voor residenten.

 

 

Voor de waterburcht

 

Als we vanop de brug naar de zuidhelling kijken, wordt de aandacht getrokken door de klassieke ronde Minervatempel in de Engelse landschapstuin. Rechts hebben we een uitzicht op de galerij en kunnen we een eerste blik werpen op de formele bloementuin. We lopen nu over de stenen brug die naar het kasteel leidt. Ze telt drie bogen, maar het derde boogsegment is duidelijk kleiner: het verving de houten ophaalbrug die op de ets van 1700 nog duidelijk aanwezig was. Het balkon boven de ingangspoort is versierd met de initialen van landcommandeur Caspar Anton van der Heyden de Belderbusch. De man bekleedde hoge politieke ambten in het bestuur van de keurvorst van Keulen, Clemens August van Beieren die ook grootmeester was van de Duitse Orde (1732-1761) en van Maximilian Friedrich von Königsegg-Rothenfels. Zoals hoger reeds gezegd, liet Belderbusch belangrijke bouwwerken en aanpassingen doorvoeren. Hem danken we uiteindelijk het huidige aanzien van Alden Biesen.

 

Wie aandachtig het metselwerk in de muurvlakken van het kasteel bekijkt, merkt de sporen van de vele verbouwingen. Vooral de bakstenen drukbogen boven de vensteromlijstingen in de façade vallen op: ze zijn smaller dan de huidige vensteropeningen, onregelmatig geplaatst en verwijzen naar de oorspronkelijke halve kruisvensters. In 1543 werd onder landcommandeur Winand van Breyl (1536-1554) de bouw van de huidige waterburcht aangevat. De nieuwe residentie kreeg de vorm van een klassiek castellum, zoals die tijdens de renaissance in Frankrijk veel werden gebouwd. Het werd een vierkant, naar buiten vrij gesloten gebouw rond een binnenplein, twee bouwlagen en een kelderverdieping hoog, op elke hoek geflankeerd door een ronde hoektoren. Onderzoek, verricht tijdens de recente restauratie, bracht aan het licht dat het kasteel rust op een fundering van geheide eiken palen met daarop horizontaal balkwerk, mergelblokken en tufsteen. Zij zorgen in de drassige bodem voor de nodige stabiliteit. Het houtwerk onder de waterspiegel bleek in haast perfecte staat.

 

Het castellum was enkel te bereiken via de houten ophaalbrug over de slotgracht. Een krulgevel aan de zuidkant van het kasteel draagt de datum 1566 wat laat vermoeden dat de waterburcht op dat tijdstip voltooid was.

 

We wandelen verder voorbij de zware poort naar het binnenplein. Onder de poort werd op 9 september 1990 in aanwezigheid van Koning Boudewijn de plaket van de Europa Nostra Award aangebracht. Zij herinnert aan de Europese waardering die Alden Biesen kreeg voor de kwaliteit van het restauratiewerk en voor de toekomstgerichte functie die het geheel nu vervult.

 

 

Op het binnenplein

 

De oostvleugel van het kasteel werd eerst gebouwd. Boven de toegangsdeur naar de klokketoren werd het wapen van landcommandeur Winand van Breyl aangebracht, boven het kleiner deurtje dat van zijn financieel beheerder Nicolaes van Merwel, tevens pastoor van Sint-Andries in Luik.

 

De binnenzijde van de oostvleugel is interessant omdat de oorspronkelijke renaissance kruisvensters en halve kruisvensters bewaard bleven. Men gebruikte hier hardsteen van Vinalmont. Talrijke steenhouwersmerken zijn nog zichtbaar. Het zandlopersmotief aan de deur van de vroegere kanselarij kon worden geïdentificeerd als het merkteken van de steenhouwersfamilie Lechien. De andere gevels op het binnenplein zijn opgetrokken in een vroeg 18e-eeuwse stijl.

 

Onder landcommandeur Hendrik van Wassenaer van Warmond (1690-1709) en zijn opvolger von Schönborn (1709-1743) werden belangrijke verbouwingen uitgevoerd. Van Wassenaer liet de renaissance vensters uitkappen en vervangen door de huidige zogenaamde Franse vensters. De noordvleugel liet hij grondig verbouwen. Zijn wapen en het jaartal 1706 bevinden zich boven de deur. De oorspronkelijke bogengalerij waarvan een fragment nog zichtbaar is, werd dichtgemetseld. In het midden kwam een voorhuis of inkomhal met rechts en links een grote kamer. Bij de restauratie werd geopteerd voor één grote ruimte over de ganse breedte. Momenteel is het V.V.V.-kantoor er ondergebracht. Van Wassenaer van Warmond liet ca. 1700 in de noordoostvleugel zijn appartement herinrichten. Naast de toegangsdeur (met het dichtgemetselde raam), lagen zijn kabinet en slaapkamer en hierbij aansluitend het salet of ontvangkamer. De houten bekleding met allegorische motieven en de schoorsteenbekleding waarin het portret van de landcommandeur was verwerkt, konden worden gered uit de dramatische brand van 1971. De restauratie is reeds gedeeltelijk voltooid.

 

Von Schönborn renoveerde de andere vleugels van het kasteel. Tot na 1700 had het waterslot twee hoog uitstekende torens, diagonaal tegenover elkaar geplaatst in de hoeken van het binnenplein. Slechts de huidige klokketoren bleef bewaard. De andere moest wijken voor von Schönborns streven naar evenwicht en symmetrie. Hij werd tot beneden het dakniveau van het kasteel verlaagd en als pendant werd een gelijkaardige traptoren toegevoegd. Tussen beide, boven de grote ingangsdeur naar het trappenhuis bevindt zich het wapen van de kardinaal (d.w.z. het wapen van de familie von Schönborn, aangevuld met het dubbele Duitse Ordekruis en de waardigheidstekens van kardinaal). Von Schönborn belastte architect Gilles Doyen met deze en andere moderniseringswerken om het waterkasteel te verbouwen tot een laat-barokke residentie. Hijzelf leverde de ideeën maar liet zich adviseren door niemand minder dan de Weense hofarchitect Lucas von Hildebrandt, de man die o.a. in de Oostenrijkse hoofdstad voor Eugen von Savoye, de overwinnaar van de Turken, het prachtige Belvédère-paleis realiseerde.

 

In de zuidvleugel, waar in 1716 nog altijd koetsen werden gestald, liet hij een privé-kapel inrichten. De deur van deze gevel moest op uitdrukkelijk bevel van von Schönborn identiek zijn aan de Wassenaerse deur. Op de bovenverdieping waren slaapkamers en kamers voor bedienden.

 

De bovenverdieping van het kasteel fungeert nu als congrescentrum. De benedenzalen worden als tentoonstellingsruimten gebruikt.

 

Waterburcht en voorburcht, beide door een slotgracht beschermd, vormden de kern van Biesen. Erbinnen en errond werd een leefwereld gecreëerd, de hoge heren en de Duitse Orde die zij vertegenwoordigden waardig. Aan drie zijden rond het castellum werd in de 17e eeuw een weelderige Franse tuin aangelegd. Tegen de zuidelijke helling ter hoogte van de voorburcht lag een omsloten boomgaard. Naar de mode van de tijd hoorden in zo'n tuin tussen de geknipte hagen en coniferen, kuipen met sinaasappelboompjes, ananasplanten en andere niet wintervaste sierplanten. Ze werden 's winters in de oranjerie die de tuin aan de zuidkant begrensde, ondergebracht. In het midden voor de oranjerie spoot een fontein in een achthoekig bassin.

 

Alden Biesen verloor geleidelijk het karakter van de oorspronkelijke gesloten, verdedigbare kloosterburcht en werd een "maison de plaisance", een open zomerverblijf waar de landcommandeur, zijn gevolg en zijn gasten aangenaam konden toeven "entre cour et jardin", tussen erehof en tuin.

 

 

Historische interieurs en schilderijen

 

Na de verwoestende brand in 1971 bleef van het hoofdgebouw niet veel meer over. Heel wat schilderijen en meubelstukken konden echter tijdig worden weggesleept. Op het gelijkvloers bleven de wandbeschotten van enkele kamers gespaard, zij het met sporen van brand en waterschade. Wat uit het vuur werd gered, kan - na herstelling - de bezoeker een beperkt maar getrouw beeld geven van de laat-barokke inrichting. Het zgn. kabinet van landcommandeur baron van Wassenaer van Warmond, dat deel uitmaakt van de tot appartement verbouwde noordoostelijke vleugel, zal in zijn totaliteit worden hersteld. De fraai gesculpteerde schouwbekleding, de beschilderde houten plafond- en wandbeschotten en de grote schilderijen op doek, met voorstelling van de vier kardinale deugden, zullen eerlang hun plaats terug innemen. Hetzelfde zal gebeuren met de bibliotheek van landcommandeur Ferdinand Damiaan Hendrik, baron von Sickingen zu Ebernburg. De houten wandbekleding met boekenkasten, de portrettengalerij en houten plafondschilderingen worden thans onder handen genomen.

 

De restauratie van dit omvangrijk schilderijenbestand werd toevertrouwd aan de "Stichting tot Behoud van het Roerend Kunst- en Oudheidkundig Patrimonium in Limburg", een v.z.w. gevestigd in de gebouwen van de voormalige abdij van Sint-Truiden.

 

De problemen waren talrijk en complex. Vooreerst diende men er rekening mee te houden dat de meeste werken deel uitmaken van een ensemble, een interieur, een portrettengalerij. De restauratie moest bijgevolg uitgevoerd worden met oog voor elk werk an sich én voor de homogeniteit van het ensemble. De schilderijen waren meestal opgenomen in plafond- en wandbetimmering, zodat van bij de aanvang nadrukkelijk gelet werd op bepaalde technische en esthetische implicaties. Bij hun aankomst in het atelier werden de kunstvoorwerpen onderzocht en tot in detail gefotografeerd. De meest urgente conserveringsmaatregelen werden uitgevoerd: het fixeren van de loskomende verf, de bestrijding van schimmels en houtworm. Daarna werd, o.a. met behulp van methoden uit de fysica en de scheikunde, het ontwerp voor de restauratie gemaakt en, wanneer nodig, met vakspecialisten besproken. De houten panelen die door vocht en brandschade vervormd, gebarsten of deels verdwenen waren, werden hersteld en vervolledigd. Schilderijen op doek werden ontdaan van vroegere marouflage en zo nodig verdoekt. De beschilderde zijde werd gereinigd, de preparatie en picturale laag hersteld en geretoucheerd. Niet zelden moest worden overgegaan tot het reconstrueren van door vuur of water vernielde partijen, aan de hand van oude fotodocumenten.

 

 

Het buitenhof

 

Langs de voormalige ingang met ophaalbrug aan de noordelijke voorburcht bereiken we het buitenhof. Vanop de brug overzien we het erf. De houten ophaalbrug werd in 1716 vernieuwd. De openingen voor de kettingen zijn nog zichtbaar, evenals het jaartal 1571. De brug nu bestaat uit twee bogen. Eén boog werd opgetrokken in gele mergelsteen. De tweede boog, van meer recente datum, is in baksteen. In die tijd was Jan van Goer (1554-1572) landcommandeur.

 

We draaien ons terug om zodat we de gebouwen van het buitenhof, in de archieven ook wel tweede voorhof genoemd, kunnen overlopen. Tegen de ringgracht ligt de grote schuur van de pachter. Zij wordt gerestaureerd en zal vanaf 1992 ingericht zijn als restaurant. Een schob en een schaapsstal aan de achterzijde van de schuur zijn verdwenen. Tegen de schuur, maar gescheiden door een brandgevel, stonden de stallingen van de pachter: twee schaapsstallen, koe- en kalverstallen en aansluitend met de pachterswoning twee gewelfde paardestallen. De hoektoren, nu dikwijls koetoren genoemd, diende als zolder. De pachterswoning zal na restauratie de administratieve diensten van Alden Biesen herbergen.

 

Naast de grote poort lag de kleine woning van de portier, daarnaast het bakhuis, stallingen, een houtopslagplaats en, waar nu de kleine doorgang is, het hok voor het tuingereedschap.

 

Het buitenhof, afgesloten door een blinde muur met schietgaten en een monumentale toegangspoort, werd gebouwd onder landcommandeur Edmund Huyn van Amstenrade (1605-1634). Zo lag ook de pachthoeve binnen de veilige beschutting van een besloten en verdedigbaar geheel. Op het neerhof zien we de grote, ronde drenkplaats waarin de dieren aan één kant, via een zachte helling, konden afdalen. Ondergrondse leidingen voeren uit de bronnen op de hertenwei vers water aan, dat in de slotgracht overloopt.

 

 

Kerk en galerij

 

In 1632 kreeg landcommandeur Edmund Huyn van Amstenrade (1605-1634) toestemming om de oude kerk die op een vochtige, drassige ondergrond was gebouwd, af te breken. (De resten van de fundamenten kan men zien in de bloementuin). Volgens een document uit 1642 werd de kerk in 1633 afgebroken. Het terrein werd geëffend en verhoogd en het volgende jaar startte de bouw van de huidige kerk en galerij.

 

Huyn van Amstenrade mocht echter de voltooiing niet beleven. Hij overleed op 9 april 1634. Zijn verre verwant en opvolger Godfried Huyn van Geleen, keizerlijk veldmaarschalk, bracht het werk tot een goed einde. Op 12 september 1638, de zondag na Onze-Lieve-Vrouw-geboorte, werd de kerk ingewijd.

 

De kerk heeft grote spitsboogvensters en forse steunberen en sluit via sacristij en toren aan bij de gebouwen van het neerhof. Een horizontale verbinding in de vorm van een lijst van tufsteen, een zachte mergelachtige kalksteen, loopt door in de muur van het kerkgebouw en de boerderijgebouwen. De steunberen, die rusten op een zware, grijze hardstenen sokkel, geaccentueerd door geelkleurige mergelblokken, verdelen het kerkschip in vijf traveeën. Daarvan vormt de vijfde een pseudo-transept, niet dieper dan de uitsprong van de steunbeer zelf. Tussen de steunberen boven de eenvoudige, grote spitsbogige vensteropeningen, bevinden zich vier medaillons met het kruis van de Duitse Orde, een mans- en een vrouwenbuste en het wapen van bouwheer Huyn van Geleen.

 

Bij de kerk sluit een galerij met Toscaanse zuilen aan. Op sluitstenen zijn het wapen van Huyn van Geleen en het jaartal 1635 zichtbaar. Oorspronkelijk was dit een overdekte wandelgalerij, die uitkeek op de vormelijke bloementuin.

 

Een 18e-eeuwse gedetailleerde beschrijving van de verdwenen bovenbouw vermeldt dat de nog bestaande trap, vertrekkend onder de galerij, leidde naar het doksaal en aan de andere kant naar een reeks kamers en zolders van het vier verdiepingen tellende gebouw. Zij werden toen gebruikt voor dienstboden; aanpalende ruimten dienden als opslagplaats. Een aardbeving richtte heel wat schade aan en deed de bouw barsten. De bovenbouw zou later verdwijnen en de galerij werd dichtgemetseld. De ruimte voor de kerk en galerij was gescheiden van de hoevegebouwen door een houten staketsel en een groen geschilderd hekken. Aan de zijde van de kerk lag een grasperk omzoomd met dennebomen.

 

 

Het kerkinterieur

 

In 1870 werd Rijkhoven een zelfstandige gemeente los van Bilzen. Bij een eerste fusie kwam het dorp bij Spouwen en sedert de laatste grote fusie (1977) is het opnieuw één van de deelgemeenten van Bilzen. Na de aankoop van Alden Biesen in 1797 schonk Willem Claes het vruchtgebruik van de kerk aan de Rijkhovenaren op voorwaarde dat het kerkbestuur het onderhoud van het gebouw op zich nam. Omdat het gebouwenpatrimonium van de voormalige landcommanderij in 1971 staatseigendom werd, heeft deze kerk nu een ongewoon statuut. Ze is én parochiekerk, gebruikt voor de katholieke eredienst, en tegelijk een deel van het cultureel centrum. De goede akoestiek maakt haar bijzonder geschikt als concertruimte.

 

De kerk is eenbeukig en heeft een kort transept. Pilasters in mergel ritmeren de ruimte. Ze is gebouwd naar de geest van de Contrareformatie. De aandacht wordt getrokken door het koor en hoofdaltaar. De overgang van het kerkschip en transept naar het priesterkoor wordt gevormd door een triomfboog, die de overwinning van het ware katholieke geloof op de Reformatie moet symboliseren. Deze triomfboog wordt herhaald in het barokke altaar. Op het hoofdaltaar in zwart en wit, de kleuren van de Duitse Orde, trekt het geelkoperen, glanzende tabernakel de aandacht. De Eucharistie is een centraal thema in de Contrareformatie en wordt hier in een barokke vormentaal veruitwendigd. Boven het tabernakel hangt een fraaie Aanbidding der Herders van de hand van de Luikse meester Gerard Douffet (1594-1660). Dit altaarstuk is omkaderd door vier witte Corintische zuilen met vergulde kapitelen, guirlandes, engelenhoofdjes en fakkels. Boven het fronton tegen de witte achtergrond contrasteert het zwarte kruis van de Duitse Orde.

 

Huyn van Geleen schonk het altaar aan de kerk. Het kostte hem méér dan 1000 goudgulden. Tegelijk schonk hij een kunstvolle monstrans en ciborie, naast gewijd maar minder waardevol vaatwerk voor dagelijks gebruik. Aan de linkerkant (heraldisch rechts) liet Huyn van Geleen het kruis van de Duitse Orde aanbrengen, aan de andere kant zijn eigen wapen en het jaartal 1634. In dat jaar werd hij landcommandeur. Op het linker zijaltaar staat een vroeg 14e-eeuwse Madonna met Kind en op het rechter zijaltaar een 17e-eeuwse H. Blasius, die werd aangeroepen tegen keelaandoeningen.

 

Het altaar van Onze-Lieve-Vrouw (heraldisch rechts) draagt de vaderlijke kwartieren van Huyn van Geleen, Huyn-Machereel, Groesbeek-Goer. De moederlijke kwartieren Bocholtz-Vinck, Wittenhorst-Weze sieren het Blasiusaltaar. Adellijke afkomst was immers een van de voorwaarden om te kunnen toetreden tot de Duitse Orde. Aan deze regel werd strikt de hand gehouden. Ten tijde van de bouw van de kerk diende de kandidaat acht adellijke kwartieren voor te leggen, vier van vaderszijde, vier van de familie van de moeder. Zo bewees hij dat zijn acht overgrootouders van rechtmatige adel waren. De echtheid van de kwartieren werd voor de ridderslag door adellijke getuigen onder ede bevestigd. Vanaf 1671 waren 16 adelkwartieren vereist. Het hoeft geen betoog dat de Duitse Orde een steeds selectiever oudadellijk gezelschap werd... Vooraan rechts in de muur van de middenbeuk bevindt zich de gedenkplaat van Von Rochau, beschermeling van landcommandeur von Bocholtz, getooid met de 16 adellijke kwartieren van zijn voorouders. De schilderijen boven de zijaltaren hadden oorspronkelijk eveneens een barokke omlijsting. Ze werden tijdens de brand uit het kasteel gered. Na restauratie hangen ze terug op hun oorspronkelijke plaats.

 

Boven het linker zijaltaar hangt een 17e-eeuwse Kruisafneming toegeschreven aan Caspar de Crayer.

 

Het doek boven het altaar rechts laat zien hoe Sint-Joris van de aartsengel Michaël de lans ontvangt waarmee hij de draak verslaat. Het is van dezelfde meester. Sint-Joris, overwinnaar van de draak die het Kwade symboliseert, werd als patroon van de ridders door de Duitse Orde bijzonder vereerd, samen met de Heilige Maagd en de Heilige Elisabeth van Thüringen. De twee doeken illustreren het tweeledige karakter van de Orde: de strijd voor het geloof als ridderorde en de caritatieve taak als hospitaalorde.

 

De bouw van de kerk van Alden Biesen was, zoals hoger reeds werd gezegd, voltooid in 1638. Als herinnering werd boven de kleine toegangsdeur onder het doksaal een gebeitelde steen aangebracht. Op 12 september 1638 werd het bedehuis plechtig ingezegend door Z.E.H. Hendrik, wijbisschop van Luik, onder paus Urbanus VIII, keizer Ferdinand II, grootmeester Johann Kaspar von Stadion (1627-1641) en de prins-bisschop van Luik.

 

Het was een turbulente tijd. Het Europese continent werd verscheurd door de Dertigjarige en Tachtigjarige Oorlog. In deze conflicten raakten de Duitse Orde, en landcommandeur Huyn van Geleen persoonlijk betrokken. Hij ligt samen met zijn voorganger en verre verwant Edmond Huyn van Amstenrade in het priesterkoor van de kerk van Alden Biesen begraven.

 

Een andere merkwaardige grafsteen bevindt zich, meestal met een loper bedekt, vooraan in de middengang van de kerk. In een gotisch decor is een bisschop ten voeten uit afgebeeld in pontificaal ornaat, met mijter en bisschopsstaf. Zijn rechterhand maakt een zegenend gebaar. Onder zijn voeten ligt een draak met gespleten tong. Gods rechterhand verheft zich zegenend boven zijn hoofd. Twee engelen bewieroken het tafereel. Het randschrift in gotische majuskels identificeert en prijst de overledene: Edmond van Wörth, priester in de Duitse Orde, bisschop van Koerland (Letland) en wijbisschop van Luik. Hij overleed op 13 december 1292, het feest van de Heilige Lucia. De vloerzerk waaronder hij rust is bijzonder fraai en in onze streken een van de oudste in haar soort. Deze grafsteen waaraan ook de geschiedschrijvers van de Orde veel waarde hechtten, werd van de oude kerk naar de nieuwe overgebracht.

 

Achteraan rechts staat rechtop in de muur de grafsteen van ridder Schenk von Nideggen zu Hellenraedt (†1688), commandeur van Siersdorf. Er tegenover bevindt zich een grafsteen van de familie Cox, waarvan enkele leden het ambt van rentmeester van Alden Biesen hebben bekleed. Achttiende-eeuwse beschrijvingen laten uitschijnen dat het oorspronkelijke doksaal zich achter de dichtgemetselde muuropeningen bevond.

 

Vanuit de grote kerkdeur onder de galerij hebben we een schitterende doorkijk naar het Engels park en het klassieke ronde Minervatempeltje dat daar aan het eind van de 18e eeuw werd gebouwd.

 

 

In de richting van het gasthuis

 

De noordkant van het buitenhof aan de Maastrichter allee maakt een zeer gesloten en stoere indruk. Hij werd gebouwd ten tijde van de Dertig- en Tachtigjarige Oorlog toen rondtrekkende soldaten het prinsbisdom onveilig maakten. Bilzen werd op 16 maart 1636 door de Kroaten van de beruchte Jan van Weert verwoest. Tongeren viel op 8 juni van dat jaar in de handen van Piccolomini en de hertog van Lotharingen. Biesen zelf kon slechts door het betalen van een sauvegarde groot onheil afwenden. De noordfaçade van de kerk heeft een heel ander karakter. De rijke barokke in- en uitzwaaiende krulgevel, de versieringen met o.a. het wapen van bouwheer Huyn van Geleen en het jaartal 1637, maar vooral de prachtige Madonna staande op de maansikkel, veruitwendigen hetzelfde triomfalisme als het kerkinterieur. De langgerekte bouw van de voormalige oranjerie en paardestallen verbindt het kerkgebouw met de poorttoren en het gasthuis. Hongerigen spijzen, dorstigen laven, naakten kleden, doden begraven, reizigers herbergen, zieken troosten en gevangenen bevrijden waren de zeven christelijke werken van barmhartigheid, die de Duitse Ordebroeders en -priesters dienden te beoefenen. De Orde heeft steeds "Helfen und Heilen", helpen en helen, als devies gevoerd. Ze heeft dit in Alden Biesen in concrete daden vertaald. De in de Franse tuin opgegraven funderingen laten veronderstellen dat bij de vroegere kerk een ziekenzaal aansloot. Het huidige gasthuis werd kort na 1600 vermoedelijk door Huyn van Amstenrade gebouwd. In een gasthuis of godshuis werden pelgrims, reizigers, behoeftigen, bejaarden en zieken opgevangen en verzorgd. Ongeveer een eeuw later liet von Schönborn het Neue Spital, later apostelhuis genoemd, oprichten naast de poort van de hoofdingang. In deze twee gebouwen werden de caritatieve taken van de orde gecentraliseerd. Het hospitaal of gasthuis zorgde via belangrijke eigen fondsen voor het levensonderhoud van vierentwintig "portionisten" of huisarmen. Zij kregen porties wit brood, mik, haring, raapzaad, erwten, spek, afgeroomde melk en ook lakens. Bovendien verdeelde de gasthuismeester brood onder andere behoeftigen en bedelaars nadat zij de Heilige Mis hadden bijgewoond. In 1662 werd 353 malder rogge gebakken en uitgedeeld, goed voor 10.943 broden of 21.889 porties van vier pond. Het valt moeilijk te berekenen hoe belangrijk deze uitgaven voor armen- en ziekenzorg waren binnen het totale budget van het huis. Ze waren in ieder geval niet gering. Het huidige gasthuis houdt het werk van barmhartigheid - de dorstigen laven - in ere.

 

 

De vormelijke tuinen

 

Barokke tuinen in Franse stijl kwamen en komen nog in heel Europa voor bij kastelen en paleizen. Het Franse hof en de Franse adel waren immers lang "bon ton". De ets van Alden Biesen in 1700, toont delen van de toenmalige bloemen- en siertuin. We herkennen het bassin van de fontein en de oranjerie. We zien ook de rechthoekige perken achter het kasteel en de sierboompjes tegen de zuidhelling. Tuinmannen sjouwen een bloembak, harken en knippen: voor hen is de last, voor de kasteelheer de lust. In 1990 werd in Alden Biesen een nieuwe vormelijke tuin aangelegd naar een ontwerp van mevrouw Viviane Paelinck uit Zolder. Uitgangspunt en inspiratiebron was de vroegere barokke tuin op de ets van R. de Hooghe.

 

Rond het achthoekige fonteinbassin voor de oranjerie kwamen vier geometrische perken met buxushagen, donkergroene broderie, bloemen- en plantenborders. Er werden massa's meerjarige bloemen en vooral veel tulpen (die in de 17e eeuw zeer gegeerd waren) in verwerkt. Grotere planten en struiken werden aangewend als scheiding of als decoratief element. Ook de oranjeappelbomen die de 18e-eeuwse tuin sierden ontbreken niet. De brede wandelpaden in dolomiet en steenslag in verschillende kleuren contrasteren fel met tinten groen en de veelkleurige bloemenpracht. Van aan de ronde hoektoren, vroeger de woning van de tuinman, tot de slotgracht zal men kunnen wandelen onder een loofgang van leiplanten, klimrozen, clematis en andere bloeiende klimplanten. In het deel tussen kasteel en straat werden opnieuw rechthoekige perken aangelegd. Dichtbij de brug concentreren zich de sierlijke broderieën: ingewikkelde tekeningen van lage hagen met arabeske centrale motieven. De topiarius, de tuinier verantwoordelijk voor het knipwerk, heeft hieraan een hele klus. Van bij de kasteelbrug kijken we op de rentmeesterij, die langs de weg naar Bilzen op de heuvel staat. Aan de omvang van de hereboerderij die de rentmeester ter beschikking had, kunnen we het prestige van zijn functie aflezen. Het gebouw is nu in privé-bezit.

 

 

De Engelse landschapstuin

 

Verder wandelend tussen het kasteel en de Kasteelstraat bereiken we het park dat tegen de zuidhelling oploopt. In 1700 strekte de vormelijke tuin tot hier. In 1785 kwam een landschapspark in de plaats. Deze nieuwe mode in de tuinarchitectuur was geïnspireerd op de ideeën van encyclopedisten en van filosofen als J.J. Rousseau die een leven in en in harmonie met de natuur voorstonden. Een geïdealiseerde natuur weliswaar. Vooral in Engeland werden door architecten als Kent, "Capability" Brown e.a. reusachtige landschappen gecreëerd met als blikvangers allerlei paviljoenen en bouwsels: sommige waren klassiek geïnspireerd, andere - de zogenaamde "follies" - oogden eerder bizar.

 

Voor de aanleg in 1785-1786 van een dergelijk park engageerde de landcommandeur architect Ghislain-Joseph Henry (1754-1820) uit Dinant. Ook de oranjerie bij de koninklijke serres in Laken en het kasteel van Duras werden door hem gebouwd. Henry schiep een toen nog vrij open landschapstuin met als grote blikvanger de prachtige Toscaanse Minervatempel. Hij bevatte tevens een diepe grot die verwijst naar Daniël in de leeuwekuil, een Oosters paviljoen en een kluizenaarsverblijf. Het bestaande theehuisje met ijskelder werd hierin geïntegreerd. In de twee eeuwen die sindsdien verliepen is enkel het Oosters paviljoen verdwenen. Het open park is een dicht maar prachtig loofbos geworden met een zeer rijke flora en fauna, een bezoek meer dan waard in elk seizoen.

 

 

Verkoop, verval en brand

 

In 1795 werden de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik bij de Franse republiek ingelijfd. Landcommandeur Fransjan Nepomuc, baron van Reischach, nam de wijk. Alles wat naar de feodale samenleving verwees moest verdwijnen, zeker een kerkelijk en adellijk goed als de landcommanderij.

 

Alden Biesen en de toebehorende eigendommen werden in 1797 verkocht aan de meestbiedende: ex-burgemeester Willem Claes uit Hasselt. Hij maakte van het kasteel zijn familieresidentie en verpachtte boerderij, dienstgebouwen en landerijen. Toen de man in de Hollandse tijd financiële problemen kreeg, werd het kasteelcomplex de inzet van een loterij die hij organiseerde en die hij door een samenloop van omstandigheden en met enige handigheid zelf won.

 

Alden Biesen bleef familiebezit van Willem Claes' afstammelingen tot 1971. Eigenaar jonkheer Armand Roelants du Vivier leidde er een teruggetrokken en sober bestaan. Door verwaarlozing en onmacht takelde het eens zo trotse bouwwerk snel verder af. Toen gebeurde het drama! Op maandag 8 maart 1971 werden bezoekers verwacht. Er zou gepraat worden over een eventuele aankoop van het goed door de Belgische Staat. De eigenaar wilde op die koude winterdag zijn gasten "warm onthalen". Hij liet vuren aansteken in de open haarden van het kasteel, vergetend dat sommige in geen jaren meer waren gebruikt. Een schouwbrand bereikte het dakgebinte en het vuur verspreidde zich over daken en zolders in het ganse gebouw. De brandweer kampte met watergebrek. De dorpsbewoners redden uit de brand wat ze konden, zoals een aantal waardevolle portretten en schilderijen. Tegen de avond restten er van de waterburcht slechts zwartgeblakerde muren en rokend puin. Alden Biesen had in de zeven en een halve eeuw van haar bestaan nooit zo'n troosteloos dieptepunt gekend. Wie met het lot van Alden Biesen begaan was, vreesde voor het definitieve einde...

 

Guido Daniëls

Godelieve Juvens-Geerkens


De restauratie van Alden Biesen

 

 

Een moeilijke opdracht

 

De restauratie van het gebouwencomplex van Alden Biesen nadert de volledige voltooiing. Op 5 juli 1971 werden het domein en de gebouwen met omliggende tuinen en wegen onder het beheer gesteld van het Ministerie van Openbare Werken, Regie der Gebouwen, Directie Hasselt met de opdracht de volledige restauratie ervan te verwezenlijken.

 

De reeds voltooide gebouwen, de aan de gang zijnde werken op het neerhof en de voor de nabije toekomst geplande restauraties van het gasthuis en het apostelhuis zullen het einde betekenen van een der grootste restauraties, zo niet de grootste, ooit in België uitgevoerd.

 

Tijdens de belangrijkste uitvoeringsfase zijn gedurende 15 jaar gemiddeld 4 miljoen frank per maand gespendeerd en waren tientallen bouwvakkers tegelijk met het werk bezig. Na de fatale brand op 8 maart 1971 waren inmiddels vier fatale maanden verlopen. Het complex was vervallen tot één troosteloze puinhoop. Enkel de kapel en de woning op het neerhof waren nog enigszins bewoonbaar en beschut tegen wind en regen. Van al de andere gebouwen was slechts de tiendschuur nog in een behoorlijke staat dankzij het oersterke houten gebintwerk. De Regie der Gebouwen begon onmiddellijk aan de meest dringende werken zodat vooral het uitgebrande kasteel voor instorting zou worden behoed. De tweede helft van 1971 werd volledig in beslag genomen door opruimings- en verstevigingswerken. Het plaatsen van een voorlopig dak op de wankele buitenmuren van het kasteel, de schoringswerken aan spitsgevels en vrijstaande schouwen en het voorlopig dichten van vensters en deuropeningen waren beëindigd voor de komende najaarsstormen en de winter. In afwachting van de totale restauratie en renovatie van de voormalige landcommanderij kon, gezien de slechte bouwfysische toestand, niet langer gewacht worden met de noodzakelijke werken aan de andere gebouwen. De Regie der Gebouwen besloot deze werken met een daarvoor speciaal samengestelde equipe grotendeels in eigen beheer uit te voeren.

 

De volgende opsomming kan een indruk geven van de omvang van de werken: het ruimen van de watergrachten rondom kasteel en noordelijke voorburcht; het schoren van de door instorting bedreigde rijschool en de schuur op het neerhof; het vernieuwen van de bedaking van de koetoren, de poorttoren van de hoofdingang en de poortdoorgang van het buitenhof naar het erehof; het herstellen van het dak van het neerhof, van de vervallen omheiningsmuur langs de Maastrichter allee; het herstellen en opfrissen van het kerkinterieur en de pachterswoning en het herstellen en bruikbaar maken van de galerij.

 

 

De organisatie van de restauratie

Het bouwbureau

 

Na het verschijnen van het K.B. van 25 oktober 1971, waarbij werd overgegaan tot de oprichting van een Bestuurs- en een Restauratiecommissie, kon op een gestructureerde wijze worden begonnen met de studie en de uitvoering van de restauratie. De Regie der Gebouwen werd belast met het onderzoek van de bestaande toestand, het zorgvuldig opmeten van de historische bouwsubstantie, het ontwerpen van restauratiedossiers, het bekomen en verwerken van de nodige kredieten en het dagelijks beheer van de onderhouds- en restauratiewerken. Op technisch gebied werd logistieke steun verleend door de Algemene Technische Dienst voor Fotogrammetrie, Groenplan, de Studiedienst voor Stabiliteit en het Bestuur voor Electriciteit en Electromechanica. De Technische Dienst der Wegen van de Provincie Limburg verleende zijn medewerking voor de aanleg van de lindendreef. Voor het oudheidkundig bodemonderzoek werd samengewerkt met de Nationale Dienst voor Opgravingen, terwijl de Dienst voor Kunstpatrimonium van de Provincie Limburg bij bouwkundige en kunsthistorische problemen werd betrokken. Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel verleende zijn medewerking voor conservatie- en restauratieproblemen van het roerend en onroerend kunstbezit. Omdat de landcommanderij een bij K.B. van 16 september 1942 wettelijk beschermd monument is, werden de door de Regie der Gebouwen geplande restauratiewerken onderworpen aan het advies van de restauratiecommissie waarin o.m. de Rijksdienst voor Monumenten en Landschapszorg en de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zitting hadden.

 

 

Restauratiebeginselen

 

Voor een grondige algemene restauratie en renovatie van het gebouwencomplex konden starten, werden herstellingswerken uitgevoerd die de toekomstige bestemming en restauratie niet in het gedrang zouden brengen. Uit de voorafgaande studies en onderzoeken bleek niet alleen de uitzonderlijke waarde van Alden Biesen als uniek voorbeeld van een landcommanderij van de Duitse Orde, maar vooral het unieke van haar laat-18e-eeuwse ontwikkeling. Om deze redenen adviseerde de restauratiecommissie een strenge restauratieve aanpak van het architecturale corpus.

 

 

De bouwfysische toestand

Funderingen

 

In de geschiedenis van de bouwkunst wordt er dikwijls op gewezen dat, in tegenstelling tot de vakkennis die bij de bovenbouw tot uiting komt, er vroeger en vooral in de 16e eeuw zo weinig aandacht werd besteed aan de onderbouw en dat er zelfs in vele gevallen grof werd geknoeid. Dit geldt ook voor de funderingen van schuren, koestallen en woning rond de voorburcht en het neerhof van Alden Biesen. Om de stabiliteit van de gebouwen te verzekeren werd een constructie gebouwd met behulp van een aantal palen van gewapend beton tot op een diepte van circa 15 meter. De fundering van het kasteel daarentegen, is wél degelijk uitgevoerd met heipalen, funderingsbalken en vloeren in hout. Ronde heipalen van 20 cm doormeter in eikehout en met een gekapte punt, werden circa 7 meter in de grond gedreven. Waarschijnlijk werden deze niet op stuit geheid, gezien de zeer variërende diepte van de dragende zandlaag. In hoofdzaak werd er gebouwd op palen die door hun kleefkracht in de grond de nodige weerstand boden. Verder werden de paalkoppen verbonden met schuine, op de funderingslijn liggende balken, waarop dwarsliggende dikke houten platen de toekomstige bouwvloer van de funderingsmuur vormden.

 

De verbouwingswerken en vooral de gevelaanpassingen uit de 16e en 17e eeuw waren, met name tegen de zuidgevel, zonder verbinding en op onvoldoende diepe funderingsvoeten gemetst. Naar alle waarschijnlijkheid zijn deze houten funderingen door verlaging van het waterpeil aan de lucht blootgesteld en verrot, met het gevolg dat deze nieuwe gevelhuid verzakte, wat ernstige scheuren en verweringen veroorzaakte. De afgezakte gevelhuid met vensteropeningen werd zorgvuldig afgebroken en opnieuw gemetst met de nodige verbindingen en gefundeerd op zolen in gewapend beton, geschraagd door consoles en geankerd in de bestaande funderingsmuren.

 

 

Metselwerk

 

De oorspronkelijke muren zijn gebouwd met handgemaakte bakstenen in klei uit de streek en de plinten, deur- en raamomlijsting in Naamse kalksteen. Al de nog bestaande muren waren zwaar beschadigd door verwering en verzakkingen. Ze droegen ook de sporen van onoordeelkundige verbouwingen. Vooral voor de buitenwand van de herstelde muren werd recuperatiemateriaal o.a. oude bakstenen uit het Limburgse Maasland, aangewend. De vervanging van zwaar beschadigde kalkstenen was dankzij de nog uitgebate steengroeven in de provincie Namen, geen probleem. Voor de herstelling van het metselwerk in mergel werden blokken uit de streek van het Nederlandse Valkenburg gebruikt. De uitspringende lijsten, blootgesteld aan snelle verwering, zijn nu gekapt uit hardere Bourgondische zandsteen.

 

 

Daken

 

De totale oppervlakte van de dakbedekking van het gebouwencomplex bedraagt circa 10.000 m² en was oorspronkelijk volledig gelegd in natuurleien, genageld op een onderdak van houten planken. Dit dakschild werd gedragen door eikehouten balken en gebinten. Onderhoud en herstelling van deze uitgebreide dakbedekking hebben van de vroegere eigenaars voortdurend zware financiële inspanning gevergd, zodat sommige daken na een summiere herstelling of aanpassing van de dakstoel gewoon terug gedekt werden met dakpannen. Dit gold vooral voor de dienstgebouwen rond het neerhof en voor het gasthuis.

 

De daken van het kasteel, voorzien van ronde torens en talrijke kleine kappen, goten en kelen werden de laatste tijd gewoon gedekt met asfaltkarton. De snelle uitbreiding van de brand op 8 maart 1971 was hiervan een gevolg. Alle dakstoelen en gebinten werden door deze brandramp volledig verteerd. De nieuwe dakconstructie in eikehout, werd uitgedacht aan de hand van gegevens die ter plaatse waren gevonden. Voor de dakbedekking werden natuurleien gebruikt, geplaatst op latten en tengellatten met onderdakbescherming en een thermische isolatie boven of onder het houten dakschild. De goten werden van een nieuwe en betere lood- of zinkbekleding voorzien.

 

 

Restaureren: een ingreep tussen het verleden en de toekomst

 

Na de noodzakelijke eerste herstellingswerken aan het uitgebrande kasteel bleek een dringende aanpak van de restauratie van het exterieur noodzakelijk. Dit omvatte de restauratie van de buitengevels en het vernieuwen van de daken, evenals het herstellen van de stenen toegangsbrug en van de keermuren van de watergracht rond het slot. Daarna werden de binnenafwerking van het kasteel afgewerkt en de aanleg van een brug die de westvleugel over de watergracht verbindt met de bloementuin.

 

Ondertussen was ook de basisinfrastructuur klaargekomen voor de opvang van het dagtoerisme in de lage vleugel, die langs de laan naar Maastricht de poorttoren bij het gasthuis verbindt met de kerk. Kaderend in het geheel van de restauratieve aanpak werd het exterieur hersteld in zijn 18e-eeuwse uiterlijk. Het interieur werd, rekening houdend met de nieuwe functie van Alden Biesen, op een zo discreet mogelijke manier aan de hedendaagse noden aangepast. Alhoewel de 16e-eeuwse waterburcht als verdedigbare vesting laat-middeleeuwse kenmerken bezit, is het tegelijk een typisch voorbeeld van een versterkt renaissancekasteel met elementen van de laat-gotische bouwstijl uit het Maasland. Enkele krulgevels maken evenwel duidelijk dat onder invloed van de Brabantse architectuur renaissancevormen hun intrede deden. De grondige verbouwing van de kloosterburcht en het daarbij horende landschappelijke environment doet Alden Biesen in de loop van de 18e eeuw, als een der eerste gebouwencomplexen in onze streken, aansluiten bij het steeds sterker wordende verlangen van bouwheren en bouwmeesters om via een ideaal bouwschema tot de verwezenlijking van een ideale architecturale site te komen.

 

Door zijn symbolische kracht en als noodzakelijke drager van de representatieve dimensie blijft het kasteel de kern van het domein. De gelijkvloerse verdieping is, vertrekkend van haar historische functie als verblijfsruimte van de landcommandeur, gerestaureerd in een stijlvolle ontvangstruimte. Bij de binnenrestauratie, verbouwing, afwerking en inrichting van het kasteel, werd niet alleen rekening gehouden met de historisch gegroeide vorm, maar ook met de nieuwe bestemming. Er werd geprobeerd zoveel mogelijk sporen van vroeger te bewaren en dit in een harmonisch en goed functionerend geheel. In enkele gevallen, waar door de noodzakelijke verbouwingen oorspronkelijke elementen van plafond, muurschilderingen, consoles moesten verdwijnen, werden deze overdekt door de nieuwe constructie, ofwel afgebroken en als getuige bewaard om als tentoonstellingselement gebruikt te kunnen worden.

 

Volledige elementen zoals bijvoorbeeld schouwen die door de nieuwe bestemming nutteloos waren geworden, kregen een nieuwe plaats. De ervaring leert dat dit de beste manier is om waardevolle getuigen te bewaren, in plaats van ze op te slaan waarbij het risico dat ze uiteindelijk toch verloren gaan uitermate groot is.

 

Ook werd bijzondere zorg besteed aan de discrete opstelling van technische apparatuur opdat deze zich nergens storend zou manifesteren in het interieur.

 

De nieuwe inrichting van de twee vleugels van de voorburcht met slaapkamers, keuken, eetzaal en vergaderzalen biedt de mogelijkheid tot het organiseren van meerdaagse seminaries en congressen. De rijschool op het voorhof werd gerestaureerd en ingericht als polyvalente zaal, terwijl de tegenoverliggende tiendschuur werd omgebouwd tot technische ruimte en stapelplaats.

 

De kerk met galerij op het voorhof werden reeds bij de aanvang der werken in 1972 aangepakt. De gebouwen van het buitenhof werden uitgerust met een horeca-infrastructuur voor toeristen en grotere groepen congressisten en gasten.

 

De noordvleugel, vroeger de pachterswoning, zal ingericht worden voor de administratie en krijgt een woning voor de portier. Eind 1991 zal het grootste deel van het gebouwenbestand hersteld zijn. In de volgende jaren zullen kleinere bouweenheden aandacht krijgen, zoals het gasthuis en het indrukwekkende, maar helaas geheel vervallen apostelhuis.

 

De bezoeker heeft reeds een indruk van het majestatisch karakter dat eertijds de Maastrichter allee had: van gasthuis tot poorttoren omzoomd met een dubbele rij indrukwekkende linden. Ook aan de her aanleg en verdere afwerking van deze lindenlaan moet nog grote zorg worden besteed. Ook de vormelijke tuin, die in de herfst van 1990 wordt aangeplant, zal nog tijd nodig hebben om te groeien. Hoedanook is sedert 1971, toen de historische site Alden Biesen een rampzalig dieptepunt bereikte, veel moeizaam maar uiterst waardevol werk geleverd. Wij mogen fier zijn op wat hier werd gerealiseerd: we hebben, zij het ten koste van grote inspanningen, een uiterst belangrijk deel van ons historisch patrimonium weten te redden en te bewaren.

 

Etienne Castermans


De huidige functie

 

 

De bestemming

 

De bestemming van Alden Biesen als cultureel centrum werd bepaald door een in 1972 geïnstalleerde bestuurscommissie. Zij stond voor een bijzonder ingewikkelde opgave, waarbij de studie van de toekomstige bestemming gelijke tred diende te houden met de dringende restauratiewerken. Op het einde van de jaren '70 beschikte men over de integrale bestemmingsnota en het daarop afgestemde restauratieplan. Op 24 mei 1980 bekrachtigde de Minister van Nederlandse Cultuur de plannen voor de finale bestemming van Alden Biesen. Belangrijk element in deze beleidsnota vormde de optie om Alden Biesen een ruime educatieve en vormende bestemming te geven. Men wilde de werking van het cultureel centrum niet beperken tot een welomschreven activiteit. Rekening houdend met de enorme financiële inspanningen van de overheid en de uitgestrektheid van het gebouwenbestand, achtte men bovendien de mogelijkheid tot participatie van zoveel mogelijk maatschappelijke groepen noodzakelijk.

 

Alden Biesen kreeg een regionale opdracht voor het verlenen van een onderkomen voor overleg, vorming en ontmoeting. De toeristische mogelijkheden moesten worden uitgebouwd via een actieve aanpak en een cultuurpedagogische begeleiding. Tenslotte adviseerde men het domein uit te bouwen tot een internationaal cultureel ontmoetings- en vormingscentrum. Die internationale opdracht werd onder meer ingevuld door het inrichten van Europaklassen voor jonge scholieren uit de lidstaten van de Europese Gemeenschap. Deze bestemming werd geïnspireerd door de internationale rol die de voormalige landcommanderij vervulde als balije van de Duitse Orde in het gebied tussen Maas en Rijn. Daarnaast vervulde het voormalige ordehuis ook een belangrijke functie voor de regio op economisch, religieus en cultureel vlak.

 

 

De uitrusting

 

De restauratie van Alden Biesen gebeurde in functie van haar bestemming waardoor het cultureel centrum beschikt over een uitgebreide en technisch goed uitgeruste infrastructuur.

 

Eén.Een toeristisch onthaalcentrum met projectiezaal en een didactische tentoonstelling. De horeca-accommodatie omvat een café, een cafetaria en vanaf 1992 ook een restaurant.

 

Twee.Een residentieel vormings- en conferentiecentrum met een overnachtingscapaciteit en een horeca-uitrusting voor 60 personen. Er zijn 11 vergader-, conferentie- en/of congreszalen voor 12 tot 270 personen. Daarnaast kan men gebruik maken van 2 zalen voor atelierwerking, 2 receptieruimten met elk een maximum capaciteit van 270 personen, 2 ontspanningslokalen en 1 recreatielokaal. Het centrum beschikt eveneens over didactisch materiaal en audio-visuele middelen.

 

Drie.Een tentoonstellingsruimte voor wisselende historische en hedendaagse tentoonstellingen, zowel binnen als in openlucht. Het cultureel centrum beschikt over een multifunctionele infrastructuur, waardoor aan alle museale eisen kan worden voldaan. Tegen 1992 zullen het appartement van de landcommandeur en de vroegere salons in het kasteel historisch verantwoord zijn heringericht. Hierbij wordt geprobeerd maximaal gebruik te maken van het reeds gerestaureerde kunstpatrimonium. In dit permanent museum zullen de schilderijen ongetwijfeld de grootste blikvangers vormen.

 

Vier. Een infrastructuur voor uitvoeringen. De rijschool en de kerk hebben een capaciteit van 270 zitplaatsen en een uitstekende akoestiek. De von Bocholtzzaal telt 120 plaatsen en is geschikt voor concerten van ensembles met een kleine bezetting.

 

 

De werking

 

De regionale functie wordt ingevuld door plaatselijke verenigingen en instellingen die hun activiteiten zoals vormingscursussen, vergaderingen, congressen en evenementen in openlucht in Alden Biesen organiseren. Ook de concertprogrammatie van Alden Biesen richt zich in eerste instantie tot de bevolking uit de directe omgeving. De toeristische opdracht gebeurt via een actieve aanpak die zich richt tot de regio's Vlaanderen en Wallonië en het buitenland. De historische ontsluiting van de geschiedenis van de Duitse Orde en van de landcommanderij Alden Biesen is daarbij een belangrijk element.

 

Alden Biesens internationale opdracht wordt gerealiseerd door de organisatie van hoofdzakelijk Europese vormingscursussen, workshops en seminaries, al dan niet gekoppeld aan hedendaagse tentoonstellingen.

 

Deze drie functies vloeien in elkaar over en vullen elkaar aan. Sommige regionale activiteiten hebben bijvoorbeeld een internationaal thema of trekken buitenlandse deelnemers aan, terwijl bij de programmatie van internationale activiteiten een participatie van de regio wordt ingebouwd. Toeristen bezoeken meestal de tentoonstellingen of gaan naar een concert, terwijl congressisten meestal ook een toeristisch bezoek aan Alden Biesen in hun programma opnemen.

 

Die spontane en verrijkende wisselwerking wordt geconcretiseerd binnen enkele specifieke werkingsterreinen.

 

 

Toeristisch onthaal

 

Alden Biesen is een druk bezochte historische site. Jaarlijks komen ongeveer 250.000 bezoekers naar de enige landcommanderij van de Duitse Orde in België, Nederland en Luxemburg.

 

Een V.V.V.-kantoor vangt de toeristen op en geeft hen informatie. Er is bovendien een verkooppunt van documentatie, boeken en souvenirs. Voor de begeleiding van de toeristen staat een team van viertalige gidsen ter beschikking. Zij leiden de groepen door de site en schetsen de geschiedenis van Alden Biesen van 1220 tot nu.

 

Voor de exploratie van het natuurlijke landschap werden natuurgidsen opgeleid. De streek rond Alden Biesen geeft immers een prachtig overzicht van het heuvelende Haspengouw met holle wegen, hoogstamboomgaarden, hagen, wegbermen en dreven te midden van velden. In de onmiddellijke omgeving liggen het Engels park, de hertenberg en de zeven dreven met streekeigen en uitheemse flora en een rijke fauna met vooral een groot aantal vogelsoorten. Tussen de oranjerie, het kasteel en het Engels park zijn de formele barokke tuinen aangelegd.

 

Om Alden Biesen in haar totaliteit te ontdekken, worden vier verschillende rondleidingen aangeboden: een historische rondleiding (duur 1.30 u); een landschapswandeling (1.30 u); de combinatie van beide (enkelvoudig 1.30 u, dubbel 3 u); de natuurwandeling onder leiding van een natuurgids (2 u). Zij kunnen schriftelijk of telefonisch aangevraagd worden. Deze rondleidingen kunnen nog worden aangevuld met audiovisuele voorstellingen. Het centrum beschikt over een diareeks en de film "Alden Biesen - acht eeuwen Europese geschiedenis" (Ned., Fr., D. en Eng.). Daarnaast lopen er twee permanente, didactische tentoonstellingen. De eerste behandelt de geschiedenis van de Duitse Orde en Alden Biesen, de tweede gaat in op de natuur en de geologie in en rond het domein. De natuurtentoonstelling is uitsluitend te bezoeken met een gids omdat ze in het afgelegen zomerpaviljoen werd ondergebracht.

 

 

Vormings- en conferentiecentrum

 

Hier bestaat een duidelijk onderscheid tussen de receptieve werking en de eigen programmatie. Als receptief centrum verhuurt Alden Biesen haar infrastructuur en uitrusting aan verenigingen, instellingen en bedrijven voor de organisatie van vergaderingen, seminaries, colloquia en congressen. Men kan een eendaagse activiteit inrichten of een meerdaagse met overnachting en de nodige horecaservice. Het vormings- en conferentiecentrum probeert zoveel mogelijk aan de wensen van de inrichter te voldoen.

 

Alden Biesen zelf richt historische, artistieke en Europese vormingsprogramma's in. Het project Europaklassen dat in 1980 in het bestemmingsplan werd opgenomen, is inmiddels uitgegroeid tot een modeluitwisselingsprogramma voor middelbare scholen van de Europese Gemeenschap. Sinds 1986 nodigt Alden Biesen secundaire scholen uit van verschillende landen van de EG voor een verblijf van een week. Iedere studieweek wordt bijgewoond door één Belgische en drie buitenlandse scholen. Tijdens deze verblijven leert men taalbarrières overwinnen, verschillende standpunten begrijpen en worden gemeenschappelijke problemen onderzocht. Vier middelbare scholen vaardigen elk 12 leerlingen tussen 17 en 18 jaar, en 2 leraren af om mekaars politieke, economische, sociale en onderwijssystemen te vergelijken en de praktische binnen- en buitenlandse problemen van de landen van de EG te bespreken. De behandelde onderwerpen worden door de deelnemende scholen voorbereid, in plenaire vergaderingen voorgesteld en in vier multi-nationale discussiegroepen besproken. In Alden Biesen wordt er niet vertaald. De vier deelnemende scholen kiezen twee werktalen (meestal Engels/Frans, Engels/Duits of Frans/Duits) waarna de deelnemers worden geselecteerd op basis van hun algemene kennis van beide en grondige kennis van een der talen. Dit heeft tot gevolg dat leerlingen uit Engels-, Frans- en Duitstalige landen hun moedertaal kunnen gebruiken, terwijl leerlingen uit de kleinere landen van Europa voortdurend in vreemde talen moeten werken. Het programma wordt afgerond met bezoeken aan de gebouwen van de EG in Brussel en aan andere interessante plaatsen in de Euregio, het internationale gebied tussen Rijn en Maas. 's Avonds wordt er gesport of worden muzikale, dansante en andere al dan niet ludieke activiteiten ingericht. Elk schooljaar worden zo'n 10 weken ingericht waaraan in totaal 40 scholen deelnemen uit België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië, Luxemburg, Nederland. Binnenkort zal ook Italië vertegenwoordigd zijn, en later ook Ierland, Portugal en Spanje. Het aantal scholen dat wil participeren is echter groter dan het aantal beschikbare plaatsen. Daarom hoopt Alden Biesen dat sommige deelnemende scholen een gelijkaardig initiatief in hun eigen land zouden nemen.

 

Het meest gerenommeerde artistieke vormingsproject dat in Alden Biesen plaatsvindt, is de "Opera-zomercursus van het Europees Centrum voor opera en vocale kunst". Gedurende de maand augustus verblijven jaarlijks ongeveer 30 gevorderde zangers te Alden Biesen. Zij komen uit de hele wereld en worden geselecteerd tijdens audities in de grote Europese steden en de USA. Het hoofddoel van het ECOV is jonge zangers met talent helpen in hun groei naar technische en artistieke vervolmaking. Het programma is zeer intensief en bestaat uit meestercursussen, lessen in vocale techniek en interpretatie, uitspraaklessen en de voorbereiding en uitvoering van twee opera's. Dit gebeurt onder leiding van vermaarde masters, coaches, regisseurs en dirigenten. Zij worden bijgestaan door een orkest, scenografen, technici en een reeks specialisten. Het publiek kan tijdens de hele maand het operagebeuren volgen door het bijwonen van de masterclasses. Bovendien wordt de hoogmis in de kerk van Alden Biesen iedere zondag opgeluisterd met religieuze muziek. De zomerschool wordt afgerond met de uitvoering van twee operaprodukties. Dank zij deze opleiding doen vele leerlingen hun allereerste echte opera- en concertervaring op. De internationale successen van talrijke oudstudenten zoals Aga Winska, die eerste laureate werd van de Koningin Elisabeth-wedstrijd in 1988, bewijzen dat het ECOV in zijn opzet slaagt.

 

 

Tentoonstellingen

 

Jaarlijks worden van maart tot november 5 historische en/of hedendaagse tentoonstellingen ingericht. De historische tentoonstellingen behandelen meestal de geschiedenis van de regio, de landcommanderij of de Duitse Orde. Zij zijn een belangrijk hulpmiddel bij de studie van een rijk verleden dat tot op heden nog grotendeels onontgonnen terrein is. Het historisch bronnenmateriaal en de archieven van de voormalige balije Alden Biesen werden immers door de grilligheid van de Europese geschiedenis over verschillende landen verspreid. Via thematische tentoonstellingen brengt Alden Biesen geschiedkundigen samen om een welbepaald aspect van dit verleden uit te diepen, het in een tentoonstelling te visualiseren en in een catalogus vast te leggen. Voorbeelden hiervan zijn "Biesen in Bilzen"(1986); "Karel Alexander van Lotharingen. Mens, veldheer en grootmeester"(1987); "De Utrechtse balije der Duitse Orde"(1988); "Nieuwen Biesen in Alden Biesen"(1989); "De commanderij Gemert"(1990); "De commanderij Saint-André"(1991); "Achthonderd jaar Duitse Orde in Noord-West-Europa"(1992).

 

Hedendaagse tentoonstellingen liggen meestal in het verlengde van internationale workshops of seminaries, waarvoor befaamde gastdocenten worden aangetrokken. Aan deze buitenlandse docenten wordt de kans geboden om hun werk aan het Belgische publiek te tonen. Deze wisselwerking is niet alleen verrijkend voor de cursisten omdat zij het werk van hun docenten kunnen bestuderen, bovendien worden de cursussen op die manier opengetrokken naar het grote publiek. Geslaagde initiatieven waren de internationale kalligrafiestage met de "Internationale tentoonstelling van hedendaagse kalligrafie"(1987); een seminarie rond Deense keramiek met de tentoonstelling "Contemporary Danish Ceramics"(1988); een internationaal symposium over textielkunst met de "Internationale Textielkunst Tentoonstelling" en de "Tentoonstelling 2e internationale Betonac-prijs"(1988); workshops landschapsfotografie met de tentoonstelling "Landscape"(1989); workshops portretfotografie met de tentoonstelling "Portret"(1991); workshops hedendaags sieraad met de tentoonstelling "Beauty is a story"(1991).

 

 

Concerten en openluchtactiviteiten

 

De eigen muziekprogrammatie van Alden Biesen bestaat hoofdzakelijk uit een reeks Balijeconcerten en Kerkconcerten. De "Balijeconcerten" gaan door in het kasteel en brengen hoogstaande kamermuziekensembles uit Vlaanderen en Nederland. Gelet op de aard van het gebouw wordt tijdens de Kerkconcerten in de kerk meestal religieuze muziek opgevoerd. Naast de eigen muziekprogrammatie worden ook concerten georganiseerd door koren, verenigingen of instellingen. Congressen en academische zittingen worden bovendien regelmatig met muziek opgeluisterd. Het uitgestrekte domein van 52 ha is een uniek kader voor het inrichten van activiteiten in openlucht. De jaarlijkse landbouwdagen en het folklorefestival lokken tienduizenden deelnemers. Een ander evenement dat ieder jaar gedeeltelijk in openlucht doorgaat, is de "Internationale dag van de oude muziek". Dit muziekfestival is een coproduktie met de "Basilica concerten" - Festival van Vlaanderen Limburg, en "Musica", het Vlaams centrum voor oude muziek. Telkens wordt een gevarieerd programma van topklasse aangeboden met de beste Europese ensembles. Men kan er best een gezinsuitstap van maken, want de kinderen kunnen eventueel worden opgevangen door een team animatoren. Met eenvoudige materialen leren de kleintjes historische klederdrachten maken, waarna ze geïnitieerd worden in oude dansen.

 

 

Europa Nostra

 

In 1989 ging de Europa Nostra prijs naar Alden Biesen voor de herwaardering van de vroegere 1andcommanderij tot een hedendaags congres- en cultuurcentrum. Europa Nostra, gevestigd in Montreux (Zwitserland), is een federatie van onafhankelijke verenigingen en stichtingen uit 22 Europese landen, die alle tot doel hebben de verbetering van de kwaliteit van het leven, zowel in de vrije natuur als in dorpen en steden, tot stand te brengen. De oorsprong loopt terug tot de jaren '60.

 

Internationale organisaties zoals UNESCO, ICOMOS en de Raad van Europa bestonden reeds, maar de gedachte aan uitbreiding met een nieuwe niet-gouvernementele federatie werd gunstig onthaald. Later verleende de Raad van Europa aan de federatie een "adviserend statuut" in het kader waarvan rapporten en voorstellen m.b.t. het Europees patrimonium kunnen worden ingediend. Sinds kort heeft die nauwe samenwerking zich ook uitgebreid tot het Europees Parlement. De voorstellen die Europa Nostra doet aan regeringen, locale overheden en andere bevoegde organisaties, over specifieke problemen met internationale draagwijdte worden haar door haar ledenorganisaties medegedeeld. In ons land geschiedt dit dank zij Belgica Nostra.

 

Europa Nostra gelooft vast in de kracht van het voorbeeld en richt sinds 1978 een wedstrijd in waaraan zowel regeringen, nationale of locale verenigingen, ondernemingen en particuliere bezitters kunnen deelnemen. Mede dank zij de milde sponsoring van American Express worden er door de federatie jaarlijks 5 medailles en 25 diploma's van verdienste uitgereikt, waardoor internationaal hulde gebracht wordt aan projecten die, verspreid over heel Europa, een bijzondere bijdrage geleverd hebben tot de bescherming of verfraaiing van het cultureel, architecturaal of natuurlijk patrimonium.

 

 

Besluit

 

Alden Biesen is een gerestaureerde historische site van internationaal belang. Binnen de werking van het cultureel centrum wordt aandacht besteed aan het rijke verleden van de voormalige landcommanderij en de Duitse Orde. Alden Biesen is echter meer dan een reminiscentie aan een deel van de internationale geschiedenis. Het is een actief cultureel en vormingscentrum dat zich richt op de belangstellingssferen van de hedendaagse mens. Dank zij deze wisselwerking is Alden Biesen geen statisch monument, maar een actieve instelling waar de bezoeker telkens weer nieuwe ervaringen kan opdoen.

 

Suzanne Vanaudenhove


Auteursidentificatie:

Guido Daniëls is voorzitter van de v .z. w. Gidsen van Alden Biesen.

Godelieve Juvens-Geerkens is secretaris van de v.z.w. Gidsen van Alden Biesen.

Suzanne Vanaudenhove behaalde het Europees Baccalaureaat en studeerde sociologie aan de Katholieke Universiteit in Leuven. Zij was aanvankelijk werkzaam bij de Diensten van de Europese Gemeenschap en van de Vlaamse Gemeenschap. Zij werd in 1984 benoemd tot directeur van de Landcommanderij Alden Biesen.

Dr. Michel van der Eycken studeerde moderne geschiedenis aan de Katholieke Universiteit van Leuven en aan de Rheinische Friedrich-Wilhelm Universiteit in Bonn. Sedert 1986 leidt hij als afdelingshoofd het Rijksarchief in Hasselt.

Etienne Castermans studeerde aan het Hoger Instituut voor Architectuur in Luik en behaalde in 1949 het diploma van architect. Hij was vanaf 1950 verbonden aan het Ministerie van Openbare Werken waar hij in 1970 hoofdarchitectdirecteur werd van de Dienst der Gebouwen in de Provincie Limburg. In deze functie had hij vanaf 1971 de leiding van de restauratiewerken van de Landcommanderij Alden Biesen.


'Historia nostri temporis', Aanbidding der Herders, Albrecht von Brandenburg, Alden Biesen, Armand Roelants du Vivier, Arnold III graaf van Loon, Belderbusch, Blasius, Brachelius A., Caspar Anton van der Heyden, Castermans Etienne, Claes Willem, Clemens August van Beieren, Clercx, Collegium Laurentium Keulen, Cox, Damery Walther, Damian Hugo von Schönborn, Daniël van Voeren, Daniëls Guido, De Crayer Gaspar, de Hooghe Romein, De la Court, Douffet Gérard, Duitse Orde, Duitsmeesters, Edmond von Bocholz, Edmond von Wörth, Edmund Huyn van Amstenrade, Elisabeth van Thuringen, Eugen van Habsburg, Eugen von Savoye, Europa Nostra Award, familiares, Ferdinand Damiaan Hendrik baron von Sickingen zu Ebernburg, Fransjan Nepomuc baron van Reischach, Fratres Domus Hospitalis Sanctae Mariae Teutonicorum, Frederik II keizer, Gemert, Gilles Doyen, Godfried Huyn van Geleen, grootmeester, H. Michael, H.Joris, Hendrik van Wassenaer van Warmond, Hendrik von Reuschenberg, Henry Ghislain-Joseph, Herman von Salza, Hoen van Hoensbroek, Hof ter Poorten Diepenbeek, Hof van Kaetsbeek, Innocentius III paus, Iwan van Cortenbach, Jan van Goer, Jan van Weert, Johann Kaspar von Stadion, Johannieten, Jungen Biesen, Juvens-Geerkens Godelieve, Karel Alexander van Lotharingen, Kent William, Kruisafneming, Lamberti, landcommanderij, le Loup Remacle, Lechien, Lucas von Hildebrandt, Madonna met kind, Maximilian van Oostenrijk-Este, Maximilian Friedrich von Königsegg-Rothenfels, Mechtildis d'Arc abdis van Munsterbilzen, Minervatempel, Nevski Alexander, Nicolaes van Merwel, Nieuwen Biesen, Paelinck Viviane, Philip von Bickenbach, Piccolomini, Ramersdorf Bonn, Raso van Holt, Ridders van Malta, Rousseau Jean Jacques, Schenk von Nideggen zu Hellenraedt, serjantsbroeders, Siersdorf, Sint-Andreaskerk Luik, Sint-Gangulfuskerk Luik, Sint-Gilliskapel Aachen, Stichting voor de Koralen Maastricht, Tempeliers, Van der Eycken Michel, Vanaudenhove Suzanne, Vinalmont, Von Rochau, Vucht, Wilhelmi, Willem van Bekkevoort, Winand van Breyl, OKV1990, Brown Lancelot, OKV1990.4