U bent hier

In de intimiteit van Franz Courtens

Openbaar Kunstbezit Vlaanderen - Franz Courtens

 

Franz Courtens is sinds jaar en dag een vaste waarde in de schilderkunst van ons land. Wat een buitenkans om dankzij twee van zijn kleinzoons werk te zien dat altijd in familiebezit gebleven is. In één klap maakt het stereotype en wat stoffige imago van de meester van de Dendermondse School plaats voor meer nuancering en verrassende nieuwe inzichten.

 

Het is altijd uitkijken als onbekende kunstschatten plots aan de oppervlakte komen. Het recent verleden heeft het ons nogmaals bewezen. De wonderen zijn de wereld niet uit, alleen mag je geen mirakels verwachten. Neem nu Franz Courtens (1854-1943). Over hem zou het laatste woord al lang gezegd zijn, in die mate zelfs dat er nog nauwelijks naar hem wordt omgekeken. En toch komen een drietal jaar geleden twee van zijn kleinzoons voor de dag met het voorstel een aantal werken te tonen, die altijd in het familiebezit gebleven zijn, schilderijen en tekeningen die zelden of nooit getoond werden. Het blijkt over meer dan tweehonderd werken te gaan.

 

Een selectie uit dat familiebezit werd vorig jaar in het cultureel centrum van Moeskroen tentoongesteld en doet nu Dendermonde aan, zijn geboortestad. Later reist de verzameling door naar het Charliermuseum in Sint-Joost-ten-Node, de gemeente waar hij tot aan zijn dood gewoond heeft.

 

Voor Marc en Eric Courtens is dit meer dan een huldebetoon aan hun illustere grootvader. Zij koesteren de herinnering aan een lieve opa en aan het hechte familieleven dat zij in hun prille jeugd meegemaakt hebben, ruim driekwart eeuw geleden. Er viel altijd iets te beleven in en rond het huis met atelier in de rue du Cadran (in Nederlandse administratieve kromtaal vertaald als ‘Uurplaatstraat’). Iets dat voor ons niet geldt natuurlijk, maar zij hebben nog persoonlijke herinneringen aan de plaats waar bepaalde werken waren opgehangen en de gevoelens die zij bij een jong kind konden oproepen.

 

Een zuivere pleinairist

 

Wij kennen Franz Courtens vooral als één van de meest toonaangevende figuren van het pleinairisme in België. De pleinairisten zijn die kunstenaars die de atelierdeur achter zich dichttrekken en, bepakt en beladen, de natuur opzoeken om de schoonheid en de eigenheid ervan vast te leggen. In weer en wind, in alle seizoenen, op elk uur van de dag, poten zij ergens hun ezel neer: op het strand, langs waterlopen, in bossen, op de heide, op boerenerf en dorpsplein. Daar schilderen zij wat zij zien. Bij Courtens tref je het allemaal aan, met een bijzondere voorliefde voor het licht en hoe het op de meest uiteenlopende voorwerpen weerkaatst: een leien dak, een schapenvacht, een hek, een wolk, het gebladerte. Wij denken dan aan de heldere luchten in zijn Zeeuwse landschappen, maar ook de zonnige dreven die hij met onvermoeibare ijver op doek blijft vastleggen. Wij zien in hem vooral de landschapsschilder, toch besteedt hij ook aandacht aan het dagelijkse doen en laten van de plattelandsbevolking. Nederland ligt in die dagen bijzonder goed in de markt; voor kunstenaars was dit een exotische bestemming binnen handbereik, bezongen door dichters als Verhaeren en Baudelaire. Courtens heeft een voorliefde voor Philippine, vlak over de grens, maar net als iedereen is hij ook in Volendam of op Marken geweest.

 

De Dendermondse school

 

De naam van Franz Courtens wordt in één adem genoemd met de Dendermondse School: hij is haar vaandeldrager, haar uithangbord. Beide eretitels komen hem ongetwijfeld toe, maar met die reserve dat zijn loopbaan zich grotendeels ver van Dendermonde afspeelt en dat de artistieke bedrijvigheid rond 1900 veel minder gestructureerd verliep dan de term ‘school’ laat veronderstellen. Het is een van die termen waar de Belle Epoque tuk op was. Ging een groep kunstenaars ergens aan de slag, dan duurde het niet lang of zij kregen het etiket opgeplakt. Het is uiteraard een verwijzing naar de school van Barbizon, waar het pleinairisme voor het eerst consequent beoefend werd. Bij ons is Sint-Martens-Latem een begrip geworden, zo ook Tervuren, Kalmthout, Genk, Wechelderzande, Mol, Verviers en niet te vergeten Dendermonde. Maar zo honkvast waren die kunstenaars niet; zij reisden van de ene naar de andere plek, zoals het hen uitkwam. De inspiratie had voorrang op het groepsgevoel.

 

Het neemt niet weg dat er in en rond Dendermonde in die dagen en nadien behoorlijk wat schilders aan de slag waren. De rol van Courtens? Hij was zeker een referentiepunt. Terwijl zijn oudere stadsgenoot Jan Verhas nog gebukt ging
onder burgerlijk conformisme en moralisme, kan Courtens zich helemaal uitleven in het uitbeelden van hetgeen hij waarneemt. En dat doet hij met brio en trefzekere vinnigheid. Dat is de tijdgenoten niet ontgaan en critici jongleren
met de meest extravagante termen om zijn stijl te benoemen: het gaat van warm en overvloedig licht, brutaal materialisme, schittering, mysterie, tot metselwerk en moeilijk te duiden neologismen. Pol de Mont ging hierin het verst en heeft het over flamandisme, wat dat ook moge zijn. 

 

Aan erkenning heeft Courtens geen tekort gehad. De jonge schilder die tegen de zin van zijn vader in voluit voor het kunstenaarschap kiest, heeft het geluk vrij vlug kopers te vinden die in zijn kunst geloven. Werken worden bekroond
en de tentoonstellingen volgen elkaar op, in binnen- en buitenland. Flatterend nevenverschijnsel van dat succes: hij krijgt af te rekenen met vervalsers; altijd een goed teken. Dan wordt hij in de adelstand verheven. De koning stelt hem het park van het Kasteel van Laken ter beschikking en drukt hem zelfs de sleutel van een achterpoortje in de hand. Bij leven wordt in Dendermonde een straat naar hem genoemd. Kort na zijn dood krijgt hij er eveneens een standbeeld, een werk van zijn zoon Alfred Courtens. Koningin Elisabeth komt het onthullen. Courtens was inderdaad een gevierd artiest.

 

Impressionist tegen wil en dank

 

De wat academische figuur, in de kunstgeschiedenis eens en voor altijd gecatalogeerd als een landschapsschilder met naam en faam, wordt met deze tentoonstelling bevrijd uit die eenzijdige benadering.  Hoe groot de verleiding ook kon zijn om alle ontdekte werken te tonen, toch werd geopteerd voor een strengeselectie, met de klemtoon op kwaliteit en diversiteit. Landschappen kunnen uiteraard niet ontbreken. Als rasechte pleinairist heeft Courtens oog voor het buitenissige, ook binnen het alledaagse. Op het eiland Urk ziet hij hoe de wind driftig raast tussen de waslijnen. Even driftig worstelt de schilder met de materie. In vegen, klodden en krullen tovert hij het wapperende wasgoed om tot haast abstracte vormen, een feest van licht en kleur. Beter dan dit kan je de wind niet uitbeelden. Het bevestigt het imago van Courtens als een impressionist, zelfs met expressionistische trekjes. Het predicaat maakte op hem niet de minste indruk. Hij weet wat hij in zijn mars heeft. “Als ik een impressionist ben, dan is het zonder het zelf te weten.”

 

Familiaal geluk

 

Niet enkel het landschap biedt inspiratie, ook de familiekring treedt nu uit de schaduw. Franz Courtens hechtte groot belang aan de kwaliteit van het tekenen; dat was toen niet echt een evidentie. De portretschilder hoeft niet onder te doen voor de landschapsschilder. In zijn zelfportret kijkt de kunstenaar ons aan, zonder vrees, zonder snoeven. Hij maakt een olieschets van een van zijn zoons op zijn hobbelpaard en je ziet dat hij daar plezier aan beleeft. Nu maken wij ook kennis met zijn echtgenote, Maria Van der Cruysse (1861-1948). Het echtpaar Courtens was een perfecte match van twee complementaire temperamenten. De impulsiviteit van Franz wordt gecounterd door Maria’s feeling. Zij is bedachtzaam, heeft commercieel inzicht en ook zin voor public relations. Laat dat nu zaken zijn waarvoor haar echtgenoot niet in de wieg was gelegd.

 

Wij komen het gezin tegen in de duinen; de kinderen gaan volledig op in de vlinderjacht. Wij treffen ze aan op het strand. Niet zo onschuldig als op het eerste gezicht mag lijken. Een bepaald strandtafereel biedt een zo geslaagde opstelling dat de schilder de huisgenoten betaalt om enkele dagen achter elkaar exact dezelfde plaatsen in te nemen en dezelfde handelingen te herhalen. Het levert uiteraard een geslaagd schilderij op.

 

Ongewone taferelen kunnen een pleinairist altijd boeien. De oorlog heeft de zaken op hun kop gezet. Vier jaar komt Courtens Brussel niet uit, omdat hij in geen geval gunsten aan de bezetter wil vragen, zelfs geen Passierschein. Vlak na de wapenstilstand gaat hij op verkenning in de verwoeste gewesten, net als Modest Huys, Louis Clesse en tal van andere artiesten. In de buurt van Diksmuide trekt een gestrande tank zijn aandacht, een grotesk beest tussen kaalgeplukte boomstompen. Groter kan het contrast met het weelderig gebladerte dat hem zo lief is niet zijn. In Zeebrugge is hij getuige van het bergen van een Engels schip. Een sleepboot slooft zich uit om het wrak te verplaatsen; het herinnert aan een tafereel dat Turner een eeuw vroeger ook al inspireerde.

 

Achter de charme van het platteland gaat een realiteit schuil die niet altijd idyllisch is: hard labeur op het veld, op zee, op het erf. Een boer trekt een lome koe achter zich aan; een ziek dier kan een financiële strop betekenen. Twee vrouwen wandelen rustig door het dorp. Dankzij de titel van het werk weten wij beter: Na de Begrafenis.

 

Noch pleidooi, noch aanklacht, dat zit niet in Courtens’ aard. Wel de natuur en haar fenomenen, en bovenal het licht, die blijven overal en altijd even boeiend. Zo is er die ene beeldvullende zeug, met krachtige penseelstreken neergezet. Je blijft er naar kijken: een warme explosie van kleur, badend in het licht. En kunnen varkensoren zo diafaan en zo roze zijn? Courtens antwoordt resoluut en overtuigend: ja!