U bent hier

De Hemel in Tegenlicht - Over bezieling en verlangen

Onbekend, De Heilige Francesco de Geronimo, 18de eeuw, hout en textiel, 81 x 31 x 19 cm, Mechelen, Sint-Jan-Baptist en Sint-Jan Evangelist.

 

Francesco de Geronimo is een Italiaanse jezuïet uit de zeventiende eeuw. Hij trad in 1670 in bij de orde en had de Blijde Boodschap graag verkondigd als missionaris in het Verre Oosten, in het spoor van het grote voorbeeld Franciscus Xaverius. Volgens zijn oversten lag zijn ware roeping echter in en om Napels. Francesco preekte daar zo overtuigend dat hij tienduizenden mensen lokte en velen bekeerde, tot in gevangenissen en bordelen. Men zei over hem: "Wanneer hij praat, is hij als een lam, maar hij is een leeuw wanneer hij predikt." Altijd had hij een kruisbeeld bij zich. 

 

 

Inleiding

 

 

De Hemel in Tegenlicht heeft een aanleiding: in 1559, 450 jaar geleden, werd het aartsbisdom Mechelen opgericht en werd de stad Mechelen de zetel daarvan. Maar terwijl een dergelijke 'herdenking' had kunnen leiden tot een tentoonstelling over de centrale bestuurders, het kerkbeleid, de hiërarchie en de kerkelijke instellingen (histoire d'église), zijn het in De Hemel in Tegenlicht in de eerste plaats de gelovigen en de fundamentele krachten van het rooms-katholieke geloof die centraal staan (histoire religieuse). En niet Rubens, Van Dyck en hun epigonen maken op de tentoonstelling de dienst uit, maar veelal anonieme en onbekende kunstenaars en ambachtsmensen. De objecten, die soms nog in een liturgische context functioneren, zijn goeddeels afkomstig uit een groot aantal kerken verspreid over heel Vlaanderen. Vele daarvan verlieten nooit eerder hun vaste stek, behalve bijvoorbeeld voor processies. 

 

Curator Paul Vandenbroeck was in de jaren 1990 een van de peetvaders van wat je de anthropological turn in de kunstgeschiedenis kunt noemen, een ommekeer waardoor kunstwerken en andere objecten niet langer in de eerste en enige plaats met esthetische of andere kunsthistorische categorieën worden benaderd. Ze worden gezien als betekenisdragers van etnologische eigenschappen, identiteiten en rituele definiëringen binnen een groep of een gemeenschap. In dit geval is dat de rooms-katholieke gemeenschap. Deze vernieuwing heeft van de kunsthistorie definitief, zo lijkt het wel, een interdisciplinaire bezigheid gemaakt. Dit proces speelt zich overigens af op een ruimere schaal dan de kunstgeschiedenis: ook omgaan met cultureel erfgoed en bijvoorbeeld 'volkscultuur' is de jongste jaren 'etnologie' geworden. 

 

Vandenbroeck leverde ook pionierswerk in een andere verruiming van de kunsthistorische methodologie die in De Hemel in Tegenlicht volop wordt uitgespeeld. Die speelde zich af in de context van de toenemende gender-gevoeligheid: onder meer in het baanbrekende project Hooglied ( 1994) bracht hij de beeldwereld van religieuze vrouwen in de Zuidelijke Nederlanden op de voorgrond. In de confrontatie met besloten hofjes, kantwerk, ander textiel en andere feminiene kunst doorbrak en bevroeg hij de k lassieke hiërarchie tussen hoge en lage kunst, en de bijbehorende canon. Tot slot reikte de psychoanalyse, met name in de persoon van Bracha Lichtenberg Ettinger (1951), voor De Hemel in Tegenlicht inzichten aan wat betreft de betekenis en de kracht van niet-figuratieve 'grondvormen' en de fallische en matrixiale tendensen die we in objecten en hun vormgeving aantreffen. 

 


Inhoud  

  • Expeditie naar een wonderland - De krachtlijnen van de tentoonstelling  
  • Het Belgische Vaticaan ? - Een aartsbisdom en zijn aartsbischoppen
  • Praktisch 

 

Expeditie naar een wonderland

De krachtlijnen van de tentoonstelling

 

 

Het is snel gegaan: nadat het katholieke geloof eeuwenlang een centrale rol heeft gespeeld in de Vlaamse samenleving, zijn veel facetten van het rijke Roomse leven voor velen in de tweede helft van de twintigste eeuw vreemd geworden, exotisch zelfs. Vaak herkennen we onze culturele erfenis niet meer en staan we voor raadsels. Bezielde objecten zijn ziel- en doelloos geworden, 'sprekende' beelden stom, krachtige voorwerpen futloos, schoonheid vreemdheid. De hoop, de angsten en de bijbehorende beelden, verhalen en geloofspunten die het leven van onze voorouders ingrijpend hebben bepaald, tot onze grootouders, ouders en misschien onze eigen jeugd toe, doen dat vandaag de dag niet meer. Of toch niet in de mate van 'vroeger'. De tentoonstelling De Hemel in Tegenlicht is dan ook een reis naar een wonderlijk grensgebied dat ooit in het centrum lag, naar een andere cultuur die de onze was. Is er nog betrokkenheid bij dit 'vreemde' erfgoed? We overlopen in deze bladzijden de grote lijnen. De cursieve teksten zijn van de hand van curator Paul Vandenbroeck. 

 

 

STURING EN WILDGROEI 

 

"Zonder wildgroei is geloof dood. Maar een patriarchaal systeem als de Kerk kan een voortdurende wildgroei niet aanvaarden, vanuit de wetenschap of de vrees dat een aanhoudende anarchie het einde van een beregelde orthodoxie zou betekenen. De basishumus moet dan ook geregeld kritisch bekeken en waar nodig bijgestuurd worden." 

 

Onder meer in de zeventiende en achttiende eeuw droegen gelovigen een zogeheten flagellum daemonum of 'duivelsgesel' op hun lichaam. Dit is zo'n onheilswerend, magisch amulet zoals we dat ook van andere culturen en uit andere periodes kennen. Hier is de idee dat afbeeldingen van heiligen in staat zijn om duivels te verjagen. Onder de prentjes staat elke keer een spreuk en in het midden werden allerlei kleine voorwerpen vastgeplakt: minuscule Mariabeeldjes, reliekjes, wierookkorrels, mirre, stukjes textiel, tinnen kruisnagels enzovoort. Je kocht dergelijke 'zegenformulieren', zoals ze ook werden genoemd, onder meer bij marskramers. De officiële kerk stond zeer argwanend tegenover deze praktijken, maar slaagde er nooit in ze uit te bannen. 

 


Uit de Mechelse catechismus, editie 1954:

WANNEER IS MEN BIJGELOVIG?

 

Men is bijgelovig, wanneer men van voorwerpen, tekens of woorden, een uitwerking verwacht die ze niet kunnen hebben, noch uit de krachten der natuur, noch door goddelijke instelling, noch door de wijding of de gebeden der heilige Kerk.

 

Toverij, hekserij, zwarte en witte magie zijn niet meteen thema's die je op een tentoonstelling over 450 jaar aartsbisdom Mechelen verwacht. Toch zijn er op De Hemel in Tegenlicht toverloodjes, pentakels, bezweringsformulieren, een met naalden doorboord hart, een pad in een priestergewaad enzovoort. Allemaal dienden deze loden, wassen of papieren voorwerpen om er door bijzondere krachten jezelf mee beschermen of anderen mee kwaad te doen. Gebruikers waren kleine Godjes in het diepst van hun gedachten ... De kerk had grote moeite met dit volksgeloof, waarin allerlei zogeheten heidense elementen welig tierden. Het was een soort wildgroei waar het instituut maar moeilijk vat op kreeg. 


 

Op de achterzijde van deze prent, geplakt op de bodem van een houdertje met daarin enkele steenkorrels van een muur in het huisje van Loreto, noteerde kardinaal Engelbert Sterckx, aartsbisschop van 1832 tot 1867, eigenhandig: "Dit afkrapsel der muer van het heylig huysken van Nazareth is door my ondergetekenden medegebragt van Loreten in het jaer 1846. Engelbertus Card. Aerts. Van Mechelen." Ook de hoogste kerkelijke hoogwaardigheidsbekled ers hielden zich dus bezig met het verzamelen van relieken en godsdienstige memorabilia . 

 

De Hemel in Tegenlicht toont het spanningsveld tussen het toeziende aartsbisdom en de spiritualiteit die aan de basis voortdurend groeit en onvoorspelbare (en onvoorstelbare) vormen aanneemt. Tussen beheersing en vrijheid, tussen het officiële geloof van de Kerk als instelling en 'het geloof van beneden', tussen controle en geestdrift, tussen stabiliteit en ongrijpbaarheid. De twee uitersten- totale sturing en volstrekte vrijheid- zijn utopisch en onleefbaar. De twee tendensen stonden soms haaks op elkaar, maar ze konden ook harmonieus samengaan: herhaling en 'betonnering', bezieling en geestdrift vind je zowel bij de officiële instanties als bij 'de basis'. En een geestelijk gezag kan niet blind zijn voor de 1evenskracht van die basis. Het was voor het aartsbisdom zaak de 'organische' religieuze beleving zo te beheren dat ze haar spontane gevoelswaarde niet verloor. Bovendien hebben de instelling Kerk en de 'basiskerk' ook wezenlijke overeenkomsten in hun uitgangspunten: alle twee vertrekken ze van de overgave aan het goddelijke, van verbondenheid (religio) en van de onbaatzuchtige zorg voor de medemens (caritas). De autonome mens, zoals de Verlichting en zoals 'onze tijd' die propageren, is voor beide ondenkbaar. Het spanningsveld tussen beregeling en spontaneïteit is voor Paul Vandenbroeck een bijzonder actueel gegeven, dat je ook buiten de religie aantreft: "De tentoonstelling is een aanleiding om te reflecteren over het huidige mens- en bijgevolg cultuurbeeld: hoe kan een vruchtbare synergie tussen cybernetische dwang en anarchische pulsie gehandhaafd worden in een samenleving die in snel tempo meer verscheiden en onoverzichtelijker wordt?" Een en/en-dialectiek is volgens de curator mogelijk, maar "de Kerk heeft wel generaties lang gestreefd naar het uitroeien van de bezieling aan de basis".

 

 

 EEN HEIKEL PUNT: BEELDENVERERING 

 

Mag je beelden van heiligen vereren? Het was, zoals bekend, lang een eeuwenoud twistpunt in de Kerk. Nee, zegt de officiële leer. Wat wél mag, is het vereren van wie door het beeld wordt voorgesteld. Je vereert dan geen heiligenbeeld, maar de heilige zelf. Zo werd de verering bij beelden toch gerechtvaardigd. De Mechelse catechismus (editie 1954) stelt het in zijn 28ste les zo: " Is het goed de relikwieën en de beelden van de heiligen te vereren? Het is zeer goed de relikwieën en de beelden van de heiligen te vereren, want daardoor vereren wij de heiligen zelf en bekomen wij hun bijstand."

 

Dat zegt de theorie. In de praktijk van het dagelijkse religieuze leven was er op veel plaatsen sprake van het vereren van beelden. Ze werden vereerd, en zelfs aanbeden, omdat ze wonderen verrichtten. Of omdat de beelden zelf door een wonder tot stand waren gekomen of bewaard waren gebleven. Of omdat het zogezegd 'echte' beeltenissen waren, de alleroorspronkelijkste oervoorstelling van de betrokken heilige. De beelden werden in een aantal gevallen ook aangepast aan de smaak van nieuwe tijden: ze werden overschilderd of juist van hun polychromie ontdaan, kregen nieuwe kleren en juwelen aangemeten, werden bewerkt. Hierdoor bleven ze bewaard, samen met hun kracht. De verering van beelden is cultuurhistorisch bekeken dan ook een zeer goede zaak geweest. Je zou het de allereerste motivatie noemen voor het conserveren van cultureel erfgoed: conservatie dankzij verering en dus dankzij 'gebruik'. Het zegt veel over de werkelijke betekenis en kracht van beelden voor gewone gelovigen, wat theologen en de officiële doctrine ook mochten beweren.  

 

Er zijn naar schatting meer dan 5.000 erkende heiligen, een aantal dat onder paus Johannes Paulus 11 flink is toegenomen. De officiële leer zegt dat je alleen God en Christus kunt aanbidden; heiligen kun je slechts vereren. De schaal waarop dat gebeurt gaat van lokaal tot wereldwijd. Het is hoe dan ook een wijdverspreide gedachte dat heiligen hulp bieden aan mensen in nood, bijvoorbeeld via hun relieken, en dat ze bij God om voorspraak kunnen vragen voor wat gelovigen na hun dood te wachten staat. 

 

 

VAN CULTUS VAN HET LICHAAM NAAR BLOEDELOOSHEID

 

"Wat men in de kunstgeschiedenis 'de verzwakking van de barok' noemt (het verschijnsel dat vanaf de late zeventiende eeuw heiligen en helden bloedarmoedige stereotypen worden met een lege, vruchteloos ten hemel geslagen blik en een glad prefab-lichaam), betekende een fundamentele ommezwaai in het decorum of sociale gedragspatroon, maar ook in de spiritualiteit: de cartesiaanse scheiding van geest en lichaam werd een 'dogma'."

 

Het is een kernboodschap van De Hemel in Tegenlicht: terwijl tot in de zeventiende eeuw de kerkelijke kunst nog volop voeling had met het lijdende lichaam dat zichtbaar afzag, werd nadien dat lichaam als bron van spirituele ervaringen uitgeschakeld en werd de spiritualiteit 'bloedeloos'. De tijd van de mystieke totaalbeleving was voorbij en de geloofsbeleving werd losgekoppeld van de lichamelijkheid. "Vanaf ongeveer 1850 doet de anesthesie, 'het niet-voelen', haar intrede. De religieuze kunst in het Westen stierf langzaam vanaf de eerste helft der achttiende eeuw, door interne uitdroging en niet als een gevolg van de Franse Revolutie en dergelijke." 'Zuiver' en 'goedgekeurd' geloof was lichaamloos geloof geworden. Paul Vandenbroeck ziet dan ook facetten als de schokkende Passiecultus en lichamelijk bewogen heiligen geleidelijk aan wegkwijnen en verdwijnen, terwijl voordien net via het lichaam de transcendentie werd beleefd. Dat lichaam verdampte en werd onvoelbaar. "Wat de Kerk altijd bekampt heeft, de 'lichamelijkheid' en de 'woekering' van het volkse geloof, maakte juist haar levenskracht uit."

 

 Een gevolg: "De aansluiting van de religieuze beeldkunst bij de avant-gardes- El Greco, Caravaggio, Bernini, Borromini, Churriguera, toevallig allemaal actief in het mediterrane gebied?- of ten minste bij de eigentijdsheid - Rubens, Duquesnoy, Coebergher, Scheemaeckers, maar ook en vooral de vele anonieme kunstenaars van wie de objecten het kloppend hart van De Hemel in Tegenlicht uitmaken- ligt al meer dan twee en een halve eeuw achter ons. De religieuze beleving/ervaring in naam van doctrinaire 'rechtgelovigheid' en 'juistheid' loskoppelen van het lichaam, het 'irrationele' en het woekerende groeien van nieuwe 'devoties' heeft de boom van het geloof niet zozeer gesnoeid, als wel de toevoer van levenssappen afgesneden." ​ 

 

Christus' bloedende en lijdende lichaam wordt in de katholieke kunst van de zeventiende eeuw volop getoond. Hier wordt Jezus op de Calvarieberg ontkleed, net vóór zijn kruisiging. Zo'n gespannen tafereel wekt emoties op en zet toeschouwers aan om mee te lijden. Links knielt de biddende opdrachtgeefster, de Leuvense zwartzuster Barbara Stordeur. Het zien van Jezus' lichamelijk lijden - bloederig, zwetend, vuil - hielp gelovigen als zuster Stordeur bij hun spirituele ervaringen. Die band ging sinds de achttiende eeuw verloren in de religieuze kunst: alle aandacht gaat sindsdien naar de geest. 

 


 

VERRIJZENIS MET RIDDERS 

 

In de eerste helft van de twintigste eeuw is de Kerk in Vlaanderen nog een instituut dat het maatschappelijk leven mee bepaalt. Het is de tijd van het rijke roomse leven en het zogeheten 'organisatiekatholicisme' dat duizenden mensen op de been brengt. Met alle middelen en van jongs af worden de relevantie en de kracht van dat geloof getoond, verkondigd, ingepompt en uitgedragen. Er heerst een militante sfeer van 'wij tegen de rest', die wordt geïllustreerd in de slagzin 'Vlaanderen veroveren voor Christus'. Ook de kunst wordt in de strijd geworpen. Dit doek van de Antwerpse schilder Paul Wante ( 1905-1981) herinnert er zijn Vlaamse tijdgenoten aan dat ook in 1925 het geloof voor hen relevant is en dat jezus en Maria van onze tijd zijn. Op Verrijzenis met ridders zijn de wachters bij Christus' graf uit het evangelie vervangen door een middeleeuwse ridder en kruisvaarder! Christus' opstanding uit de doden, hét kernpunt van het christelijk geloof, krijgt hier een nationalistisch-romantisch karakter. 


 

 

REHABILITATIE VAN DE 'DECORATIE'  

 

Opmerkelijke aanwezigen op het project De Hemel in Tegenlicht zijn objecten waar tot nu toe door kunsthistorici maar weinig aandacht aan is besteed: behalve reliekhouders van allerlei slag en soort gaat het bijvoorbeeld om grote processievaandels, expositietronen, kantwerk ... Het is kunst die niet-figuratief is en in zekere zin abstract; ze werd en wordt als decoratieve kunst benaderd, wat meteen ook inhoudt dat ze in tweede klasse speelde. Voor curator Vandenbroeck passen ook altaren en koorafscheidingen hierbij: "Hoogtepunten van religieuze, mystieke en seksuele aard kunnen niet adequaat uitgedrukt worden. Toch wil men religieuze ervaringen en verbeeldingen in een menselijke gedaante voorstellen. Zo ontwikkelden de islamitische culturen een 'parasacrale' niet-figuratieve kunst, een verschuiving van het nu men dat niet mag of kan uitgebeeld worden. Andere ervaringen van het arcane, alleen toegankelijk voor ingewijden, en het sublieme of hoogverhevene dwingen de mens er daarentegen toe te kiezen voor 'onkennelijke' lichamen. In de religieuze, in casu katholieke kunst bestonden verschillende genres die een dergelijke abstractie beoogden. Door hun niet-figuratieve karakter werden zij onder de decoratieve kunst gerangschikt en bijgevolg veronachtzaamd." 

 

De beeldende kunst zit vol vormen die geen 'verhaal' vertellen en hierdoor schijnbaar 'inhoudsloos' zijn. Die decoratieve kunst wordt dan ook gezien als een leeg vormenspel: "Af en toe heeft een wetenschapper ingezien hoe veelbetekenend juist deze vormen kunnen zijn, maar algemeen wordt het ornament gezien als de tegenpool van 'betekenis'. Door de overheersing van het fallocentrisch-symbolische verklaringsmodel, dat gericht is op het ondubbelzinnig meten en begrijpen van beelden, kan men niets 'zien' in zulke vormen, laat staan in ingewikkelde vormencomposities die niet op symbolische vervanging gebaseerd zijn. Kunstwerken als expositietronen en altaren bestaan grotendeels uit een samenspel van decoratieve vormen. (In de kunsthistorische literatuur is de oogst aan publicaties over expositietronen nihil. Hun voortbestaan als deel van het artistieke patrimonium kwam vaak in het gedrang. Juist in de jongste decennia ging een groot aantal expositietronen en vaandels verloren.)"  

 

Zoals de naam het zegt, dient een expositietroon om 'tentoon te stellen': het gaat om open structuren waaronder men een cultusbeeld plaatst. Dat gebeurt in een kerk of kapel, ofwel om het beeld in een processie rond te dragen. Expositietronen bestonden wellicht al in de middeleeuwen; de voorbeelden uit De Hemel in Tegenlicht zijn gemaakt in de periode 1600- 1900. De meeste tronen zijn open en ze bieden dan ook nauwelijks bescherming tegen zon, stof of regen. Praktisch nut hebben ze niet en dus moet hun bestaansreden elders worden gezocht. Paul Vandenbroeck: "In wezen zijn expositietronen abstract, terwijl de religieuze kunst uit die tijd uiterst figuratief was. Eigenlijk zijn het suggesties van een aura: ze omvatten of accentueren het cultusbeeld met een abstracte vorm." Rond 1900 loopt de stijlevolutie, die ook een evolutie is in het aanvoelen van de innerlijke kracht van beelden, ten einde. Men vindt geen vormen meer om het aura gestalte te geven: "Rond 1900 is het tijdperk der 'doorvoelde' tronen voorbij: welk aura kan men nog voelen bij een gipsen, fabrieksmatig vervaardigde beeltenis? Ook los daarvan kon men wellicht nog maar zeer weinig van het sacrale aura aanvoelen. De 'spirituele zintuigen' waren verlamd."

 

 

WIJ EN ZIJ; DE STRIJD TEGEN DE ANDEREN 

 

"Gedurende anderhalf millennium hebben de elites (kerkelijke hiërarchie, stedelijke overheden, intellectuelen) in één lang 'beschavingsoffensief' het 'heidendom', de 'domheden' en de 'onbeschaafdheid' van het Volk met ontelbare mandementen en overheidsacties bestreden."

 

Het aartsbisdom Mechelen is opgericht terwijl het baanbrekende Concilie van Trente nog aan de gang was (1545-1563). De zuiverings- en vernieuwingsoperatie waar dat toe leidde, keerde zich onder meer tegen de 'heidense' onwetendheid die rond het geloof heerste en de misbruiken en -toestanden die er het gevolg van waren. De volkscultuur werd gezien als een probleem en als een aanleiding voor 'visitaties' en controle: wat was aanvaardbaar en wat niet? Het was alsof het eigen binnenland opnieuw gemissioneerd moest worden. Dit is een van de voorbeelden van het wij/zijdenken waar de (Vlaamse) Kerk haar identiteit deels op heeft gebouwd. Paul Vandenbroeck somt nog meer categorieën van 'anderen' op: "Dat blijkt uit enkele eeuwen van kerkelijke beeldvorming over 'het volk' (van in de middeleeuwen}, 'de Turken' (zestiende tot achttiende eeuw}, Reformatie en jansenisme (idem}, Verlichting en sciëntisme (achttiende en negentiende eeuw}, socialisme, fascisme en communisme (negentiende en twintigste eeuw)." Hij wijst erop hoe wezenlijk het voor een gelovige gemeenschap is zich extravert te uiten en zo de eigen identiteit uit te dragen: in de eucharistie, in processies en ommegangen, in massabijeenkomsten en in tal van liturgische praktijken. Het zijn stuk voor stuk identiteitsbevestigende vormen van performances

 

Een voorbeeld: het vrijkopen der christene slaven. In 1198 richtten Johannes van Matha en Felix de Valois, op het schilderij links afgebeeld, de Orde der Trinitariërs op, die zich ten doel stelde om, na het falen van de Derde Kruistocht ( 1189-1192), de christelijke slaven uit handen van de moslims te bevrijden. De leden van de orde dragen een wit schapulier met een rood kruis. (Een schapulier is een smalle strook stof met een uitsparing voor het hoofd die, zowel aan de voor- als aan de achterkant, tot net boven de voeten reikt.) Diverse Vlaamse steden, waaronder Diest, Leuven, Lier en Mechelen, hadden tot ver in de achttiende eeuw een broederschap van de Allerheiligste Drievuldigheid van de Verlossinge der Gevangene Christene Slaven, met veel leden en aanhangers. De broederschap zamelde gelden in om in het Midden-Oosten, vooral in het Ottomaanse rijk, gevangengenomen christenen vrij te kopen. 

 

Dit intrigerende Sacrament van Mirakel uit de Brusselse Sint-Goedelekathedraal is een uitzonderlijk kunstwerk met prachtig borduurwerk. De opbouw kan aan een menselijk lichaam doen denken. (Alleen het middenstuk bleef bewaard.) In de holte midden onderaan is een voorstelling van God de Vader die zijn gekruisigde Zoon vasthoudt (een zogeheten 'genadestoel'). Het lichaam van Christus is vervangen door hosties. Het lichaam van Christus en de gewijde hostie is een en hetzelfde. Het verhaal achter dit schrijn speelt zich in 1370 af Op 23 mei belanden zes joodse mensen in Brussel op de brandstapel, met als beschuldiging: het stelen, bespotten en onteren van hosties door ze met messteken te doorboren. De meeste hosties worden later miraculeus teruggevonden, met naar verluidt bloedsporen van Christus. Dit was het begin van een intense verering in Sint-Goedele. In de 16de eeuw kreeg het Sacrament de status van landsrelikwie. De zogeheten bezoedeling is geen historisch feit, maar een geval van antisemitisme. 

 


WILLEM DE RIJCK, HET VRIJKOPEN VAN DOOR MOSLIMS GEVANGEN SLAVEN,

 

Tot een eind in de jaren 1800 bestond er in steden als Leuven, Lier, Mechelen en elders een bloeiende broederschap van de Allerheiligste Drievuldigheid van de Verlossinge der Gevangene Christene Slaven. Zoals veel katholieke broederschappen zamelde ook dit geld in met een specifiek goed doel, in dit geval het vrijkopen van christenen in Noord-Afrika. Dat is wat Willem De Rijck op dramatische wijze heeft geschilderd voor de kerk van Sint-Maria-Horebeke in Horebeke. Onderaan smeken gevangengenomen christenen om hen van hun boeien te bevrijden. Door de eeuwen heen bouwde de Kerk haar identiteit deels op aan de hand van vijandbeelden: moslims, ketters, heidenen, heksen, andersgelovigen, Verlichters, socialisten, liberalen, communisten enzovoort. 


 

HET MULTIDIMENSIONALE UNIVERSUM 

 

"Ondanks zoveel inspanningen van de gelovige om zich te verzekeren van een toekomst in de hemel bleef de onzekerheid knagen. Aandelen kopen kon helpen: aflaten dienden tot aflossing van het postume lijden en waren een verzekering voor het hiernamaals. Maar dat kon niet altijd volstaan." 

 

In principe is het eenvoudig: wie op aarde een voorbeeldig en goed leven leidt en aan een aantal formele (lees: sacramentele) eisen beantwoordt, zal daar later door God voor worden 'beloond' met het eeuwig leven. Deze gelovigen lacht een toekomst in de hemel toe. En toch: hoe kon je ooit zeker zijn van die toekomst? Om hun kansen te verhogen deden en doen gelovige katholieken dan ook een beroep op voorbeelden, bemiddelaars en voorsprekers: dat waren, behalve bij uitstek Maria en in veel mindere mate Jozef, de vele lokale en algemeen-kerkelijke heiligen die werden vereerd. 

 

Een bijzonder facet van de omgang van katholieke gelovigen met hun heiligen is de reliekenverering: de stoffelijke resten van heiligen, of voorwerpen waar ze mee in contact waren geweest, waren bezield waren met een kracht. Wie ermee in aanraking kwam- het liefst lichamelijk, door ze aan te raken of te kussenkon die bijzondere, positieve kracht ervaren. "Relieken zijn als het uranium van de kerncentrale van de gelovige. Een dergelijke reliekenverering benadert het animisme en begrippen als de islamitische baraka of het Polynesische mana." Het gelovige universum zit vol met nog andere onzichtbare krachten en machten: behalve de heiligen en hun relieken waren er de zielen van overleden mensen, God en de goddelijke Drie-eenheid (in de geconsacreerde hostie) en natuurlijk ook engelen en duivels. De Mechelse catechismus (editie 1954) stelt over die laatste groep: "43. Trachten de duivelen ons kwaad te doen? Ja, de duivelen trachten ons kwaad te doen, uit haat tegen God en uit nijd tegen de mensen, vooral door ons tot zonde te bekoren; maar zij kunnen ons niet tot zonde brengen zonder onze vrije toestemming."  

 

In het sacrale landschap van het aartsbisdom Mechelen had en heb je, zoals in andere katholieke gebieden, zenuwknooppunten. 'Krachtplaatsen', zou je kunnen zeggen, plekken waar de batterijen van lichaam en geest van gelovige mensen worden opgeladen. Het zijn, behalve op kleine schaal de honderden relieken en vereerde heiligenbeelden, op grote schaal vooral Maria-bedevaartsoorden: bekend zijn (waren?) Hanswijk, Duffel, Halle, Jezus-Eik, Dadizele en natuurlijk Scherpenheuvel. Blijkbaar verkozen heilige krachten bepaalde plekken boven andere en konden mensen daar makkelijker met het 'bovennatuurlijke' in contact komen dan elders. Ze zijn ouder dan het aartsbisdom zelf - en niet zelden als krachtplaats zelfs ouder dan het christendom - en ze werden in veel gevallen gerecupereerd door de gezagsdragers: Scherpenheuvel en de bouw van de kerk in opdracht van de aartshertogen is daar het ultieme voorbeeld van. Maar: "Het (kleinmazige en grootschalige) netwerk van krachtplaatsen en oplading lijdt aan de hedendaagse onttovering na Vaticanum TI, waarin de Kerk belijdt wat ze eeuwenlang in Verlichting en modernisme bestreden heeft. [ ... ] We beleven de triomf van de anesthesie, de gevoelloosheid van het post-Vaticaans 'uitgezuiverde' en vergeestelijkte lichaam." 

 

Zoals we hierboven al schreven: zolang objecten voor een aantal mensen hun kracht behouden, is hun voortbestaan menselijkerwijze verzekerd. Omgekeerd geformuleerd: het verlies van die geloofde kracht vormt voor veel religieus erfgoed een bedreiging, zoals de voorbije decennia en ook nog vandaag de dag volop blijkt. Paul Vandenbroeck stelt bij wijze van voorbeeld vast: "Als er één aspect is van de eeuwenoude religieuze praktijk die nu bij de kerkbedienaars schaamte en stilzwijgen oproept, dan is het de reliekencultus." Vandaar het weg- en verstoppen van reliekkasten en -houders in sacristieën en op zolders, lang niet altijd in ideale omstandigheden. En vandaar de bedreiging voor krachteloos geworden erfgoed, dat sterfgoed dreigt te worden of al is geworden, zoals de vele 'verdwenen' objecten getuigen waarvan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium afbeeldingen heeft bewaard. Behalve schaamte is ook onbegrip aan de orde, zelfs binnen de Kerk zelf: "Auratische liturgische voorwerpen (nvrd: bedoeld worden onder meer expositietronen en altaren) werden de jongste halve eeuw al te vaak naar zolders en berghokken verwezen of vernietigd. Dit is niet verwonderlijk in een katholieke context waarin het mysterie van het numen plaats ruimen moest voor een vaak kinderlijk familiemodeI."

 


ALLEGORIE VAN DE GOEDE DOOD

 

Dit doek bevat een mooie staalkaart van krachten in het katholieke universum, die gelovigen zich ook lijfelijk voorstelden. Onderaan ligt vermoedelijk Frans van Vlierden, abt van de Leuvense norbertijnenabij van 't Park, op zijn sterfbed. Met zijn laatste woorden roept de abt Maria aan, in krakkemikkig Latijn: "Hoop in de dood, ik smeek u, Maria, red mij." Aan het hoofdeind proberen drie duivels zijn ziel te pakken: "Ik eis deze ziel op, die vol van zonden is." De ziel verlaat als een naakt kind het stervende lichaam van de abt. Op het tweede niveau bemiddelt Maria bij Jezus voor de stervende. Aan de andere kant van het kruis staat de heilige Norbertus, die ook een goed woordje doet. En Christus - let op zijn armbeweging- richt zich tot God de Vader, die bovenaan troont "Zie mijn wonden, Vader, doe wat mijn moeder vraagt." Samengevat: door zijn dood aan het kruis redt Jezus deze abt, en bij uitbreiding de hele gelovige mensheid. Maria doet dienst als bemiddelaarster en voorspreekster: Zij staat als moeder van Christus ook letterlijk het dichtst bij de mensen, samen met de vele heiligen. 


 

Deze kleine reliekhouder is een zogeheten osculatorium, een Latijns woord afgeleid van osculum, 'zoen'. Op hoogdagen was het de gewoonte dat gelovigen persoonlijk en zo direct mogelijk in aanraking kwamen met de sacrale kracht van relieken als deze. Eerst kuste de priester de reliekhouder of legde hij er zijn hand op, en vervolgens konden gelovigen hetzelfde doen. Dichter dan door het zoenen van zo'n kusreliekhouder kon je bij een reliek niet komen. Zo werd hun kracht overgedragen, die in de materie zelf schuilt. Je kunt dit vergelijken met de baraka of'goddelijke kracht' in de heiligdommen van de volkse islam. Heel vaak bevatten zelfs deze kleine reliekhouders relieken van twee of zelfs drie heiligen. 

De reliekkast uit het Brabantse dorp Sint-jorisWinge is een besloten hofje. Rond een beeldje van Maria met kind zijn grote en kleine restanten van botten bevestigd. Dat geheel is omgeven door twaalf vakjes met daarin doosjes met weer andere relieken. Op kleine briefjes staan namen van minstens twintig heiligen of martelaren. De grote botresten in het midden bleken na onderzoek afkomstig te zijn van minstens twee volwassenen, van wie één vrouw tussen de twintig en de veertig jaar jong was. 

Terwijl elders Broederschappen der Gelovige Zielen in het Vagevuur pas tegen het einde van de zeventiende eeuw werden opgericht, bestond er in de Mechelse kathedraal al in 1623 een dergelijk genootschap. De leden zetten zich in om, door middel van bidden en kerkbezoek, aflaten te verdienen voor dierbare overledenen in het vagevuur: Met zo'n aflaat kon men het verblijf van een overledene in het vagevuur verkorten. Aan het eind van de achttiende eeuw bestond er blijkbaar niet veel animo meer voor de broederschap. Tussen 1808 en 1819 zou zich zelfs niet één nieuw lid aangemeld hebben. Daarom werd zij in 1820 heropgericht Het register vermeldt de namen van de leden tot en met 1937. 

 

 

EN MASSE, VOOR HET LAATST? 

 

"Het verlangen naar een extraverte vorm van naar buiten treden van een religieuze gemeenschap leidde tot massa-evenementen waarvan de vormgeving soms de totalitaire culturen opriep: het 'heiligende' werd er vaak verward met het opwindende van de menigte." 

 

Het rijke roomse leven of de krachtige bloei van het rooms-katholieke geloof in de eerste helft van de twintigste eeuw is vandaag de dag haast verdwenen, maar was nog tot in de jaren 1950 en 1960, onder kardinaal Van Roey, in staat om grootschalige massaperformances te organiseren. Mechelen werd daarbij als een soort 'Belgisch Vaticaan' aangevoeld en de eigen persoonlijkheid van de aartsbisschop - in de twintigste eeuw achtereenvolgens Mercier, Van Roey, Suenens en Danneels - drukte haar duidelijke stempel op die veruitwendiging van de geloofspraktijk.

 

"Is ons erfgoed door de historische afstand intellectueel, gevoelsmatig, spiritueel onbereikbaar geworden? Is het kloppende, onuitspreekbare levensgevoel erachter - ik beken, dit is geen wetenschappelijk begrip: onze wetenschap is te beperkt- onherroepelijk verloren? Ik meen van niet. Zeker, het is niet geredelijk toegankelijk en het is wellicht nooit in woorden om te zetten, toch niet helemaal. Maar een diepe ontvankelijkheid kan de deuren, waarvan onze Rede de sleutels niet bezit, op een kier zetten. Onze autonomie wordt niet bedreigd door een kwetsbaarheid, door een porositeit van onze 'huid'. Er is een overgankelijkheid tussen wezens en zelfs tussen wezens en dingen, die buitenbegrippelijk is. De taal- behalve dan soms de poëtische- is hier vrij machteloos, net als wat we ten onrechte de 'rede' noemen. Een wederzijdse openheid is de vereiste. De blik of een andere zintuiglijke nadering, maar ook onze buitenzinnelijke antennes, kunnen ons het diepste roersel van de 'andere' onthullen."  

 


 

Het Belgische Vaticaan?

Een aartsbisdom en zijn aartsbisschoppen 

 

 

Op De Hemel in Tegenlicht is een van de belangrijke thema's het spanningsveld tussen het centrum en de top, tussen degenen die voorschreven hoe er geloofd moest worden en degenen die hun geloof in de praktijk van elke dag beleefden. De jongste jaren is uit historisch onderzoek duidelijk geworden dat uitgaan van een loutere tegenstelling tussen deze twee niet productief is. Zoals Gerard Rooijakkers in zijn catalogusbijdrage Slagschaduwen onder een Mechelse hemel in Te­genlicht schrijft: "Niet alleen de tegenstelling tussen elite en volk is sinds enige tijd als onproductief terzijde geschoven, ook de antithese tussen voorschrift en praxis is aan herziening toe. Ook al staan beide elementen heel vaak op gespannen voet, als cultuurhistorici zijn we veeleer geïnteresseerd geraakt in het proces van toeeigening van al dan niet voorgeschreven cultuurvormen. Hoe zijn een bedevaart of processie bijvoorbeeld opgenomen in een groepscultuur, van welke 'eigen' betekenissen worden ze voorzien, en hoe worden ze ingezet om welomschreven individuele of groepsbelangen, zoals status en hiërarchie, te behartigen? [ ... ]Het heilige werd en wordt in verleden en heden, al dan niet onderhuids, oneindig veel gevarieerder en genuanceerder beleefd dan veelal is voorgesteld." Met andere woorden: er is voor mensen vaak voldoende 'speelruimte' om op hun manier met het heilige om te gaan. Toch blijft er uiteraard een factor 'macht' die niet zonder belang is, ook waar religie in het geding is. Wie bepaalt welke betekenissen mogen of zelfs moeten gelden en uitgedragen worden? Wie definieert wat waar en dus werkelijk is, en welke mechanismen spelen daarbij een rol? Wie laat desgevallend tegengeluiden horen? Eén ding staat als een paal boven water: de Mechelse aartsbisschop was en is een gezaghebbende stem met officiële autoriteit. 

 

In deze bladzijden schetsen we de historische context waarin het aartsbisdom is ontstaan, en portretteren we beknopt enkele belangrijke aartsbisschoppen uit een galerij van 19 mannen.  

 

 

1559: MECHELEN CENTRAAL 

 

De oprichting van het aartsbisdom Mechelen op 12 mei 1559 was behalve een kerkhistorisch ook een politiek geïnspireerde gebeurtenis. De twee zijn zoals bekend tot aan de Franse Revolutie (en in een andere zin ook nog lang daarna) niet te scheiden. Habsburger Karel V wilde de grenzen van bisdommen zoveel mogelijk laten samenvallen met de 'landsgrenzen', om op die manier gemakkelijker controle te kunnen uitoefenen. Zijn zoon en opvolger Filips 11 voerde het plan effectief uit. Het is onder zijn bewind dat 'Mechelen' een nieuwe kerkprovincie werd met zes bisdommen, en daarbij ook het gebied van het aartsbisdom Mechelen zelf. De zes toenmalige bisdommen waren Antwerpen, Brugge, Gent en Ieper, én ook nog 's-Hertogenbosch en Roer_!llond. De Mechelse aartsbisschop werd de belangrijkste kerkelijke gezagsdrager van de Lage Landen, de Primas Belgii, de Primaat van de Nederlanden. Tot aan de Franse Revolutie was hij ex officio ook abt van de benedictijnerabdij van Affligem bij Brussel. De vele inkomsten van de abdij kwamen goeddeels ten goede van het aartsbisdom, dat de middelen goed kon gebruiken. Het is dan ook geen toeval dat het huidige aartsbisschoppelijk paleis zich bevindt waar in de 16de eeuw een refugium stond van de abdij van Affligem. (Tegelijk met Mechelen werden ook de kerkprovincies Utrecht en Kamerijk opgericht.) 

 

Waarom werd bij de oprichting van het aartsbisdom voor Mechelen gekozen, en bijvoorbeeld niet voor Brussel? Wellicht omdat sinds de late vijftiende eeuw de Bourgondiërs en de Habsburgers een nauwe band hadden met de stad. Margareta van York, haar stiefkleindochter en Filips' groottante Margareta van Oostenrijk, zijn tante Maria van Hongarije: alle drie hebben ze in Mechelen gewoond en vanuit Mechelen gezag uitgeoefend. 

 

 

HET CONCILIE VAN TRENTE UND KEIN ENDE: EEN NIEUWE MISSlONERING

 

Het aartsbisdom werd opgericht toen het belangrijke Concilie van Trente ( 1545-1563) met tussenpozen aan de gang was. Ook daar heeft de stichting alles mee te maken: de nieuwe kerkelijke indeling beantwoordde aan de nieuwe pastorale noden en aan de noodzakelijke en grondige hervorming van de katholieke Kerk na de protestantse Reformatie. Die hervorming kreeg tijdens dat langdurige concilie gestalte.  

 

Met een boutade kun je zeggen dat het concilie het begin was van een nieuwe missionering: het verloederde en wilgroeiende geloof moest ingeperkt, gesnoeid en opnieuw in rechte banen worden geleid. De gevolgen waren ingrijpend. Gerard Rooijakkers: "Contrareformatorische opvattingen over wat al dan niet als sacraal beschouwd dient te worden hebben in het aartsbisdom Mechelen, soms tot op de dag van vandaag, een enorme invloed gehad op bijvoorbeeld onze omgang met heilige ruimten, de beleving van heilige tijden en het weergeven van heilige zaken." Het concilie had op alle domeinen invloed: voor de beeldende kunst - een bijzonder belangrijk instrument in de Contrareformatie waarvoor Trente munitie aanleverde - bepaalde het hoe de dingen moesten en vooral ook niet mochten worden voorgesteld. Er werden seminaries opgericht waar priesters een gedegen opleiding in de katholieke leer en moraal kregen, en er kwamen zogeheten 'visitaties', periodieke controlebezoeken van de bisschop of zijn vertegenwoordiger(s) aan parochies die genotuleerd werden in verslagen over zowel de priester als zijn gelovige zielen: deden ze allemaal hun Pasen zoals het hoorde? Werden er geen magische of andere verboden praktijken beoefend? Werden de gewijde ruimte en heilige tijden, zoals de zondagsrust, gerespecteerd) 

 

Rooijakkers vat de moeilijk te overschatten werking van Trente samen: "Dit kan achteraf beschouwd worden als een zeldzaam goed geslaagde kerkelijke operatie om, met duidingsmacht, leer en leven met elkaar in overeenstemming te brengen. Als structureel kenmerk van deze door de hiërarchie ingegeven katholieke herleving kunnen we de systematische ontkoppeling van sacrale en profane elementen beschouwen. Deze ontrafeling werd op alle levensgebieden ingezet en zou een vast ijkpunt vormen om de relatie van gelovigen met betrekking tot het heilige te beoordelen. Buiten de kerk was er immers geen heil. De doorvoering van de Trentse decreten op lokaal niveau in het leven van alledag impliceerde een ingrijpende herschikking van categorieën in het aartsbisdom, die zou leiden tot het nog steeds wijdverspreide dualistische denken met betrekking tot heilige en wereldse zaken. In Mechelse ogen vormde het profane immers een voortdurende bedreiging die het sacrale kon bezoedelen." 

 

 

HET AARTSBISDOM NA DE FRANSE REVOLUTIE 

 

Na de orkaan die de Franse Revolutie voor de Kerk was en het bijbehorende aanslaan van alle kerkelijke goederen, de sluiting en verwoesting van tal van kloosters en abdijen, en de verkoop van bijvoorbeeld het aartsbisschoppelijk paleis als nationaal goed; normaliseerde het Conordaat dat Napoleon en paus Pius V II afsloten ( 1801) de betrekkingen tussen Kerk en Staat. Het aartsbisdom Mechelen zelf omvatte voortaan de huidige provincies Brabant en Antwerpen (het bisdom Antwerpen zelf was opgeheven), en strekte zich dus ook over Franstalig gebied uit. Sinds de onafhankelijkheid van België behoren alle Belgische bisdommen tot de Mechelse kerkprovincie: het aartsbisdom Mechelen zelf, en verder de bisdommen Brugge, Doornik, Gent, Namen en Luik. Het aartsbisschoppelijk paleis werd grondig gerestaureerd en is sinds 1832 opnieuw de residentie van de aartsbisschop. De bisschoppen overleggen er met elkaar, een overleg dat na Vaticanum II werd geformaliseerd in de Belgische Bisscoppenconferentie. Het aartsbisdom Mechelen zelf veranderde in 1961, door de heroprichting van het bisdom Antwerpen, opnieuw van reikwijdte. Sindsdien heet het officieel 'het aartsbisdom Mechelen-Brussel', omvat het de provincies Vlaams- en Waals-Brabant en Brussel, en het arrondissement Mechelen (zonder de kantons Lier en Heist-op-denBerg), en is de Brusselse Sint-Miehiel en Sint-Goedelekathedraal naast de Mechelse Sint-Rombouts de tweede zetel.  

 

 

ENKELE HOOFDFIGUREN IN HET KORT 

 

EEN ' POLITIEKE BENOEMING'

 

Antoine Perrenot de Granvelle (1559-officieel tot in 1582, maar eigenlijk maar tot 1564) wordt in 1559 de eerste aartsbisschop van Mechelen, maar hij is wellicht nooit in de stad geweest. Granvelle, een vertrouwensman van Karel V en diens zoon en opvolger koning Filips 11, was meer een Habsburgsgezinde politicus-diplomaat en een kunstverzamelaar-mecenas dan een kerkvorst. Zijn vader was al kanselier van keizer Karel, en hemzelf kun je een soort 'eerste minister' noemen naast de landvoogden. Dit is overigens nog een tijd waarin er met het beheer van bisdommen ook belangrijke persoonlijke inkomsten verbonden waren. Wanneer in de jaren 1560 de opstand tegen Filips 11 losbarst. verdwijnt Granvelle van het toneel. Hij is de eerste aartsbisschop, maar daarmee is ook het belangrijkste gezegd. 

 

 

DE GRONDLEGGER 

 

De geboren Mechelaar Matthias Hovius ( 1596-1620) belichaamt de hervorming en vernieuwing binnen de katholieke Kerk na het Concilie van Trente, die eindelijk ook in de katholieke Nederlanden voet aan de grond krijgt, ondanks de moeilijke oorlogsomstandigheden. Hovius, de derde aartsbisschop, is een sleutelfiguur en de eigenlijke 'vader van het aartsbisdom'. Hij richtte onder meer een seminarie op voor de opleiding van de clerus, in een tijd waarin het intellectuele peil van veel priesters bedroevend laag was. Hij riep in 1607 een Provinciaal Concilie samen om de krachtlijnen van de nieuwe zielenzorg vast te leggen en gaf ook de aanzet voor de eerste Mechelse Catechismus ( 1 609), een handboek dat tot een eind in de twintigste eeuw de basis vormde voor het godsdienstonderricht in België, met bekende vragen en antwoorden als "Waar is God? God is overal: in de hemel, op de aarde, en op alle plaatsen." De catechismus is een uiterst belangrijk onderdeel van ons collectief geheugen. Met de steun van de aartshertogen Albrecht en lsabella heeft Hovius, die onvermoeibaar en tot op hoge leeftijd zijn aartsbisdom doorkruiste, de lokale kerk ingrijpend hervormd. Zijn opvolger Jacques Boonen ( 1620-1655) zet de hervormingen door, maar leunde tot ongenoegen van 'Rome' nauw aan bij de 'strenge' stellingen van zijn Ieperse bisschop Jansenius. 

 

 

WOELIGE TIJDEN 

 

Jean-Henri de Franckenberg ( 17 59-180 I), een Silesiër van adellijke afkomst, was meer dan veertig jaar lang aartsbisschop van Mechelen, in een woelige tijd. Het was keizerin Maria-T heresia die hem tot aartsbisschop benoemde. De paus stemde daar enkele maanden later mee in. Vanaf de jaren 17 70 kreeg De Franckenberg meer en meer af te rekenen met inmenging van de Oostenrijkse machthebbers, zeker wanneer vanaf 1780 Jozef 11 aan de macht was. De 'keizer-koster' versterkte zijn greep op de kerk, onder meer door meer controle op de priesteropleidingen. Maar dat bleek slechts een voorspel. In de jaren 1790 zwaaiden de Franse revolutionairen de plak en kreeg de kerk het zwaar te verduren. Er kwam een aanhoudingsbevel tegen De Francken berg, die naar Nederland vluchtte en later naar Mechelen terugkeerde. Uiteindelijk weigerde de aartsbisschop de zogeheten 'eed van haat aan het koninkrijk' af te leggen. Hij werd verbannen, trad in 180 I af en stierf enkele jaren later in Breda. Vooral in de 19de eeuw en in ultramontaanse kringen werd hij een symbool en een held-martelaar van de kerk.

 

 

DE KERK IN EEN SECULIERE STAAT

 

Engelbert Sterckx ( 1832-1867) stond voor de zware taak om na de Franse en de Hollandse periode de kerk weer op te bouwen en de heimwee van velen binnen de Kerk naar het ancien régime voorzichtig in te wisselen voor een nieuwe orde waarin Kerk en Staat grondwettelijk van elkaar gescheiden leefden; Sterckx was een vurige voorstander van een goede verhouding tussen de twee. Onder Sterckx, die ook een talentvol 'beheerder' en organisator was, begon de opbouw van de sterke katholieke zuil, het systeem dat onder meer instond voor onderwijs en sociale werken en dat mensen 'van de wieg tot het graf' begeleidde. Het was een tijd van (beginnende) conflicten met als inzet de plaats van de godsdienst, en dus ook van de clerus, in het maatschappelijk bestel, met onder meer het onderwijs maar bijvoorbeeld ook het recht om burgerlijk begraven te worden als conflicthaarden. De spanningen met antiklerikalen zal zeker vanaf de jaren 1870 leiden tot massale uitingen van het katholieke geloof, in de vorm van bedevaarten (Oostakker, 1873), processies en andere vormen van massabijeenkomsten die tot diep in de twintigste eeuw plaatsvonden. 

 

 

EEN UITZONDERLIJK MAN 

 

De flamboyante Désiré-Joseph Merder ( 1906-1926) was een uiterst begaafd en zeer bevlogen tot mystiek geinspireerd man rond wie al tijdens zijn leven een personencultus tot stand kwam. Vóór hij in 1906 naar Mechelen kwam. was Mercier aan de Leuvense universiteit een internationaal befaamde prof in de filosofie die onder meer het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte oprichtte. Hij was aartsbisschop toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en op Kerstmis 19 14 schreef de kardinaal een ongemeen felle en anti-Duitse Herderlijke Brief die hem tot een internationaal symbool maakte van wat poor little Belgium was overkomen. De brief werd door de Duitse bezetter in beslag genomen.

 

Na de oorlog leidde Mercier de zogeheten ' Mechelse gesprekken', waarin de rooms-katholieke en de anglicaanse kerk toenadering zochten. voor het eerst sinds de afscheiding in de 16de eeuw! Het initiatief was in de jaren 1920 zeer vernieuwend en in Rome was men er niet onverdeeld gelukkig mee. 

 

 

HET EINDE VAN EEN TIJD  

 

De nuchtere Kempenaar Joseph-Ernest van Roey (1926-1961) is de man van het rijke roomse leven, de periode waarin volgens Van Dale "talrijke gebruiken, verenigingen en instellingen van de katholieke kerk hoogtij vierden resp. een grote bloei kenden (eerste helft van de 20e eeuw)". Het was de tijd van een katholicisme dat in Vlaanderen nog vanzelfsprekend was en volop van zich liet horen, ook in maatschappelijke en politieke aangelegenheden. Het geloof liet ook van zich zien, op grootschalige bijeenkomsten en door opmerkelijke gebouwen. De basiliek van Koekeiberg is daarvan het laatste indrukwekkende voorbeeld. Mechelen en de hoofdstad waren voor de oorlog, maar ook nog in de jaren 1950 en 1960, het toneel van zorgvuldig geënsceneerde massaperformances. Van Roey hield als aartsbisschop de touwtjes stevig in handen. 

 

 

CONCILIE EN CHARISMA 

dewijn en koningin Fabiola met elkaar in contact bracht. Leo Suenens werd aartsbisschop nauwelijks een jaar vóór het Tweede Vaticaans Concilie ( 1962- 1965) begon, de belangrijkste collectieve gebeurtenis uit de recente kerkgeschiedenis. Het concilie, onder leiding van paus Johannes XXIII, wilde de kerk dichter bij de gelovigen brengen. Suenens speelde een belangrijke rol in die vergadering, en dus in de wereldkerk. Hij was een groot pleitbezorger van dialoog en van de collegialiteit binnen de kerk. Zelf formuleerde hij het zo: " De Kerk is één familie of helemaal niets. En onder familie moet men vrijuit dialogeren om misverstanden uit de weg te ruimen en tot een opgeruimde stemming te komen." Zijn kritiek op de te grote centrale macht van Rome werd hem niet altijd in dank afgenomen. De kardinaal was een bevlogen en mystiek geïnspireerd man met een sterke devotie voor Maria, een goed tacticus en vooral op latere leeftijd een belangrijke figuur in de 'charismatische beweging'. 

 


Praktisch 

Deze publicatie verschijnt naar aanleiding van de tentoonstellingen De Hemel in Tegenlicht en all That is Solid Melts lnto Air in het kader van het evenement Stadsvisioenen. 


DE HEMEL IN TEGENLICHT

Van 21 maart tot 21 juni 2009

 

Lamot

Van Beethovenstraat 8-10

Mechelen (ingang Haverwerf)

OPEN: van dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 18 uur

GESLOTEN: maandag

PRIJS: € 10 - € 8 (incl. audiogids N L-F-D-E) / reserveren aanbevolen! / toegang in uurblokken

CATALOGUS: (NL-E) uitgegeven door Lannoo : € 39,95

TENTOONSTELLINGSMAGAZINE (NL-F): € 6,20 

 

ALL THAT IS SOLID MELTS INTO AIR

Van 21 maart tot 21 juni 2009

OPEN: van dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 18 uur

GESLOTEN: maandag

STARTPUNT:

Cultuursite De Garage,

Onder den Toren 12

Mechelen

PRIJS: € 8 - € 6

GIDS: € 60 (NL-F-E-D)

Geleide gidsbeurt voor individuele aansluiters elke zondag om 14 uur - incl. inkomticket: € 11 - € 9 (reserveren verplicht) 

CATALOGUS: (NL-E) uitgegeven door Lannoo : € 39,95

TICKETS & INFO +32 (0)70 22 28 00

www.stadsvisioenen.be

UiT in Mechelen

Toerismehuis, Hallestraat 2-4-6, B-2800 Mechelen

OPEN: van maandag tot vrijdag van 9.30 tot 17.30 uur; zaterdag, zondag en feestdagen van 10.00 tot 1 6.30 uur 


AUTEUR

Patrick De Rynck ( 1963) is redacteur-publicist. Dat betekent in zijn geval dat hij teksten schrijft over alles wat van ver of nabij met cultureel erfgoed te maken heeft. Hij werkt mee aan Open Monumentendag en Erfgoeddag, schreef zo'n veertig audiotours voor vaste museumcollecties en tentoonstellingen in Vlaanderen en Nederland, en werkt voor individuele musea, uitgevers en (erfgoed) instellingen. Voor Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen schreef Patrick De Rynck de teksten voor De Museumgids Vlaanderen & Brussel, en voor de themanummers over de erfgoedcollecties van de Katholieke Universiteit Leuven en de Universiteit Gent. en over de erfgoedbibliotheken in Vlaanderen. Verder is hij ook auteur en lof vertaler van een dikke tien boeken die alles te maken hebben met de klassieke oudheid, van Alexander de Grote tot de Styx. 


ILLUSTRATIEVERANTWOORDING

Tenzij anders vermeld bij de illustraties, alle beelden : Foto: Elisabeth Broekaert Foto's op blz. 28-29: Jan Locus uit 'Voetsporen van devotie. Processies in Vlaams- Brabant', een publicatie van KADOC-K.U.Leuven in opdracht van de Provincie Vlaams-Brabant. De foto's zijn te zien op de reizende tentoonstelling die vanaf maart 2009 verschillende locaties in Vlaams- Brabant aandoet.

info op

www.vlaams-brabant.be

www.janlocus.com 


MET DANK AAN

Wim Hüsken, Gerard Rooijakkers, Gerrit Vanden Bosêh, Paul Vandenbroeck en Lucie Vangerven