U bent hier

Bruegel en familie - Onderzocht en ongezien

 

Bruegel blijft een fascinerend fenomeen. Wat we van zijn biografie weten is hoofdzakelijk te danken aan het Schilder-boeck van Karel van Mander. Het is teleurstellend weinig, gelet op de beroemdheid die hij bij leven nog kreeg. Men kent hem nu als schilder die generaties lang overvloedig gekopieerd werd (de Warhol Factory stelt in vergelijking daarmee niet zoveel voor). Maar Bruegel spendeerde meer dan de helft van zijn loopbaan aan het tekenen van ontwerpen voor kopergravures, die door anderen gesneden en gepubliceerd werden (zoals Cock in Antwerpen). Nadat hij naar Brussel verhuisde, schilderde hij vooral. Zijn oeuvre omvat slechts een vijftigtal panelen en werd dadelijk gewaardeerd door de Habsburgers en de politieke en financiële elite van toen.

 

De hamvraag is altijd geweest: hoe konden de twee zonen, die hun vader nauwelijks gekend hebben, die werken zo goed kopiëren, terwijl de meeste originelen al lang verkocht waren? Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) heeft daar zijn tanden ingezet en de filiatie Pieter Bruegel de Oude - Pieter Brueghel de Jonge grondig uitgespit. Grondig is het juiste woord. Men onderzoekt voor het eerst systematisch en op grote schaal alles wat onder de zichtbare oppervlakte schuilgaat: ondertekening, infrarood reflexfotografie, X-stralen en dendrochronologisch onderzoek van de houtpanelen. Zo krijgt men een gigantische hoeveelheid data van details, die men kan vergelijken met alle besproken werken (via een speciale website). Er is twintig jaar gewerkt aan dit immense wetenschappelijke en internationale project. De eer gaat naar Christina Currie, die haar loopbaan in het KIK begon als restauratrice. Zij werkte deze studie uit tot een proefschrift aan de universiteit van Luik, met als promotor professor Dominique Allart. Samen tekenen zij een monumentale uitgave, in drie delen en in het Engels, die uiterst belangrijk is voor de kennis van onze schilderkunst van voor en na 1600.

 

Currie en Allart nemen aan dat Bruegel zeer veel tekeningen gemaakt heeft van ontwerpen, zowel details als volledige werken. Dat ligt voor de hand. In Pieter Bruegel Ongezien! treden Manfred Sellink en Maximiliaan P.J. Martens dat standpunt bij. Maar er zijn er slechts zestig bewaard gebleven. Manfred Sellink kan in de tentoonstelling in het Museum Mayer Van den Bergh toch een pas ontdekte tekening van Pieter Bruegel I presenteren en daarnaast zowat de helft van het grafische werk, uitgegeven door Cock en anderen. Daarin kan men, bij voorbeeld, de langzaam verdwijnende impact van Hieronymus Bosch op Bruegel volgen.

 

De laboratoriumstudie in het KIK van een 70-tal werken van vader en zoon Pieter Bruegel brengt alleszins aan het licht dat de vader op technisch gebied helemaal niet de erfgenaam van de grote traditie van de Vlaamse primitieven was. Hij schildert vaak zeer spontaan (afwijkend van de ondertekening) en houdt rekening met de suggestiekracht van een paar lijnen of vlakken. Die haast moderne vrijheid treft men niet aan bij de zoon die uiteraard streeft naar een getrouwe gelijkenis met het vaderlijke voorbeeld, zelfs al heeft hij het origineel niet gezien.

 

Een mooi voorbeeld van de spontane manier van doen van vader Bruegel is het Winterlandschap met vogelval in de KMSKB (Schenking Delporte). Uit het onderzoek blijkt dat de schilder nogal vrij is omgesprongen met de ondertekening en vooral dat daarop het detail (de vogelval) waarover al zoveel inkt is gevloeid, niet eens voorkomt. Was het een plotse inval? Begon Bruegel te schilderen voor hij alle details had bedacht? Het toont aan dat hij zich zonder modeltekening uit de slag kon trekken. Dat stond eerder haaks op de praktijk van toen.

 

In deze studie slaagt men er ook in een zekere hiërarchie op te stellen tussen de authentieke exemplaren van zoon Pieter en van zijn atelier, waarin men verschillende handen kan vaststellen. Merkwaardig zijn de verschillen in formaat. De auteurs schrijven dat o.a. toe aan het verschil tussen de Antwerpse en Brusselse voet. De Antwerpse was 4 % groter. De productie van Bruegelimitaties bleef niet beperkt tot zijn familie. Anderen schilderden min of meer door hem geïnspireerde werken voor een kunstmarkt die daar tuk op was. Daartoe behoren de twee werken met de Val van Icarus, waarover een lange, haast pijnlijke polemiek gevoerd werd.

 

Het succes bleef ook niet duren voor Bruegel. In de achttiende en een groot deel van de negentiende eeuw geraakte zijn werk uit de mode. De auteurs vermoeden dat de talrijke ateliertekeningen toen geen enkel nut meer hadden en wellicht verdwenen. Men heeft er in elk geval nog geen teruggevonden. Maar dat vergeten had een keerzijde. Het liet Fritz Mayer Van den Bergh, een Duits koopman in Antwerpen toe op een veiling in Keulen, in 1894 nog, de Dulle Griet te kopen voor geen geld (hoewel ooit in het bezit van keizer Rudolf II in Praag) en daarna nog de Twaalf Spreuken. Hij kocht ook dertig prenten naar Bruegel. Zijn museum is dan ook een must voor de Bruegelliefhebber. Die werken, in het gezelschap van werk uit Antwerpse verzamelingen, waarbij een originele tekening, worden besproken in de catalogus Pieter Bruegel Ongezien!. Het werk van Bruegel blijft over heel de wereld vele kunstenaars en filmmakers inspireren. Deze boeken zullen die interesse alleen maar vergroten. Bij aankoop van The Brueg(H)el Phenomenon, krijgt u bovendien toegang tot een website van het KIK waarop u, naast de 1.000 illustraties in de drie boeken, nog 2.000 andere kan bekijken. De wereld van Bruegel ligt zo wel zeer volledig open.

 

 

Joost De Geest

 


Christina Currie en Dominique Allart

The Brueg(H)el Phenomenon. Paintings by Pieter Bruegel the Elder and Pieter Brueghel the Younger with a special focus on Technique and Copying Practice

3 delen, 1.062 blz.

160 euro (incl. toegang tot de website)

ISBN 978-2-930054-14-8

IRPA/KIK, Scientia Artis 8

 

Manfred Sellink en Maximiliaan P.J. Martens

Pieter Bruegel Ongezien! De verborgen Antwerpse collecties

224 blz.

34,50 euro

ISBN 978-90-5826-875-4

Davidsfonds uitgeverij.