U bent hier

Begijnhoven in Vlaanderen

Begijnhoven in Vlaanderen

 


INHOUD

Begijnhoven in Vlaanderen (Dirk Laporte - Frans Horsten)

  • Ontstaan en ontwikkeling van de begijnenbeweging
  • Verschillende types in gebruik en in visie
  • Mozaïek van de Vlaamse begijnhoven, het verhaal en de boodschap
  • Unesco-erkenning

 


Ontstaan en ontwikkeling van de begijnenbeweging

 

De problematiek en de ontstaansgeschiedenis van de begijnenbeweging is vrij complex. Niettegenstaande veelvuldig onderzoek terzake blijven nog steeds enkele vragen niet volledig beantwoord.
 
 
Terwijl voor de meeste traditionele kloosterorden gemakkelijk een precieze oprichtingsdatum en een stichter kunnen worden teruggevonden, duiken de begijnen tegen het einde van de twaalfde eeuw plots uit de duisternis op. Lange tijd werd de demografische factor naar voren geschoven als voornaamste reden voor het ontstaan van deze vrouwenbeweging: de mannen trokken in die tijd op kruistocht of waren verwikkeld in wapengekletter en hierdoor zou een 'overschot' aan vrouwen zijn ontstaan. Deze veronderstelling berust echter grotendeels op een hypothese vermits er voor de twaalfde en de dertiende eeuw geen echt reële bevolkingscijfers bestaan.
 
 
Een verklaring moet veeleer gevonden worden in de talrijke religieuze bewegingen die vanaf de twaalfde eeuw ontstonden als reactie tegen de misstanden in de kerk. Men greep daarom terug naar de idealen van de eerste christenen en naar de grondslagen van het evangelie. Norbertus van Magdeburg (1082-1134), Bernardus van Clairvaux (1090-1134) en later Franciscus van Assisi (1181-1226) en Dominicus Guzman (1170-1221) vormden hierbij het voorbeeld bij uitstek: een apostolisch leven leiden in armoede.
 
 
Andere religieuzen, de kluizenaars en kluizenaressen, wilden zich terugtrekken uit de wereld om in afzondering een spiritueel leven te kunnen leiden.
 
 
Vooral vrouwen voelden zich aangetrokken tot dit ideaal. Ze zonderden zich af, alleen of met enkelen samen, in een kluis naast een kerk, een kapel, een abdij en later naast een hospitaal of leprozerij. Deze vrouwen werden 'reclusae' of 'mulieres religiosae' (vrome vrouwen) genoemd. Vrij snel groeiden deze gemeenschappen uit tot kleine agglomeraties rond een abdij. Zo ontstonden dubbelkloosters waarbij deze vrouwen de 'derde-ordegroep' vormden naast de reeds bestaande eerste orde voor priesters en de tweede voor 'echte' kloosterlingen.
 
 
Om verschillende redenen werden de dubbelkloosters afgeschaft voor 1200 zodat vele vrome vrouwen opnieuw genoodzaakt waren hun geloof te beleven in een huis dat ze als kluis hadden ingericht. Anders dan kloosterlingen wensten zij immers geen geloften van gehoorzaamheid of eeuwige trouw en van armoede af te leggen.
 
 
Evenmin hadden ze een goedgekeurde regel, maar ze waren wel bereid in kuisheid een leven te wijden aan contemplatie, gebed, handenarbeid en liefdadigheid(ziekenzorg). Zo ontstonden de eerste dagelijkse bezigheden van begijnengemeenschappen, een verschijnsel dat zich snel over bijna heel Europa verspreidde. De mogelijke reden waarom de begijnenbeweging is ontstaan lag in de structuur van de middeleeuwse maatschappij waarin ongehuwde vrouwen weinig kansen kregen tot een persoonlijke levensvervulling. Abdijen bleven vooral voorbestemd voor mannen, het religieuze leven werd beheerd door mannen, vrome vrouwen kregen nauwelijks mogelijkheden om zich te groeperen en de kerkelijke overheid stond huiverig tegenover ongewone vormen van geloofsbeleving.
 
 
Bij ons treft men de oudste sporen van deze semi-religieuze vrouwen aan in Oignies, Luik, Nijvel en Zoutleeuw (1207).
 
 
De hoge clerus wist geen raad met die godvruchtige vrouwen die de kerkelijke regels afwezen. Het wantrouwen ten aanzien van de begijnenbeweging kende een hoogtepunt in 1215 met het vierde Concilie van Lateranen dat een verbod uitvaardigde om nog nieuwe vormen van kloosterleven in te voeren. Dankzij bemiddeling van de Luikse priester, Jacob van Vitry (†1244) liet paus Honorius III zich overhalen één uitzondering toe te staan voor de begijnenbeweging zoals die was ontstaan in de Nederlanden. Dit werd in 1233 bevestigd door een eerste schriftelijke goedkeuring van paus Gregorius IX. Het is vooral vanaf dat ogenblik dat de meeste begijnhoven in Vlaanderen, Brabant en het prinsbisdom Luik zijn ontstaan. De nieuwe levensstijl oogstte zoveel succes dat in sommige steden (Gent, Leuven, Mechelen, leper) een tweede begijnhof moest worden opgericht om aan de vraag te kunnen voldoen. Van de meer dan honderd begijnhoven die de Lage Landen op het einde van de veertiende eeuw telden, blijft nu nog één derde over. Om allerlei politieke en religieuze redenen zijn de begijnhoven in de rest van Europa verdwenen in de loop van de zestiende eeuw.
 
 
De begijnengemeenschappen in onze gewesten werden gesteund door de wereldlijke macht. Ze kregen dikwijls gronden aangeboden door de gravinnen van Vlaanderen of de hertogen van Brabant om meestal aan de rand van de stad hun 'hof' uit te bouwen. Ze werden meestal onder leiding van een kloosterorde geplaatst, vooral cisterciënzers, franciscanen en dominicanen, die vanuit hetzelfde 'vita apostolica-ideaal' waren gesticht.
 
 
Zo behield de Kerk enig toezicht en kon zij ook bepaalde regels opleggen. Toch konden de begijnen hun unieke positie van een onafhankelijk spiritueel en toch werelds bestaan bestendigen. Ze functioneerden als zelfverzorgende gemeenschappen met eigen inkomsten. Elke begijn stond in voor haar eigen levensonderhoud en het begijnhof beschikte over de renten van erfenissen en schenkingen.
 
 
Brandschattingen, verwoestingen, zedenverwildering, de Contrareformatie, de Verlichting, nieuwe spiritualiteit en volksdevotie zorgen voor periodes van verval en van bloei. Het huidig voorkomen van de begijnhoven is vooral te danken aan de Contrareformatie. Er kwamen meer schenkingen en het aantal intredingen steeg spectaculair. Het gevolg was dat de oorspronkelijke lemen en houten huizen werden vervangen door duurzame bakstenen woningen. De gotische kerken of kapellen werden vergroot een kregen een barokke aankleding.
 
 
In 1796 werden de begijnhoven onder toezicht van de gemeentelijke 'Commissions des Hospices Civils' geplaatst, de voorloper van het huidige OCMW.
 
 
Zij plaatsten dikwijls hulpbehoevende vrouwen in het begijnhof. Tientallen begijnhoven zijn in die periode verdwenen. De begijnen moesten hun habijt afleggen en mochten voorlopig geen novicen meer aannemen.
 
 
Pas met het katholieke reveil van het midden van de negentiende eeuw en de ongeëvenaarde Mariaverering als gevolg van de verschijningen in Lourdes, kende de begijnenbeweging een laatste bloei. Die bleek echter van korte duur te zijn, de groeiende welvaart, de ontkerstening en vooral de sociale ontvoogding van de vrouw zorgden er voor dat de 1500 begijnen die Vlaanderen in 1900 nog telde in 1980 werden teruggebracht tot een vijftigtal. Vandaag is de begijnenbeweging nagenoeg uitgedoofd.
 
 
De begijnhoven blijven de 'stille' getuigen van een boeiend verleden.
 
 

De naam 'begijn'

 
Over de naamgeving bestaan er verschillende theorieën. Lange tijd werden de heilige Begga en later Lambertus li Beges, een Luiks priester uit de twaalfde eeuw, als mogelijke stichters van deze nieuwe spirituele beweging gezien en hierbij vormden hun namen een gemakkelijke verklaring voor de term begijn. Andere auteurs, vooral etymologen, zoeken een verklaring in het Franse werkwoord 'bégayer' (gebeden) stamelen of stotteren of het Middelnederlandse 'beggen' wat neerkomt op gebeden prevelen. Ook het Engelse werkwoord 'to beg', wat zowel bidden als bedelen betekent zou hiervan afgeleid zijn. Een andere naamverklaring voor begijn is afgeleid van 'beige', de kleur van het boetekleed dat de begijnen in de eerste eeuwen droegen. Waarschijnlijk is de term 'begijn' aanvankelijk door tegenstanders als schimpnaam bedoeld voor 'schijnheilige' ketterse of bekrompen vrome vrouwen. Naderhand, vanaf het tweede kwart van de dertiende eeuw, verdween die pejoratieve betekenis.
 

 

De inplanting van de begijnhoven

 
De meeste dertiende-eeuwse Vlaamse begijnhoven werden aanvankelijk aan de rand van de stad ingeplant en meestal zelfs net buiten de stadsomwallingen. Met de uitbreiding van de steden werden zij echter opgenomen binnen de vijftiende- of zestiende-eeuwse stadsmuren. Veelal woonden de begijnen in een typische nederzettingsvorm die men het best kan omschrijven als 'een dorp in de stad'. Het is net deze eigenschap die vandaag begijnenhoven zo gegeerd maakt als rustige bewoningsvorm.
 
 
De bouwgronden die dikwijls door de feodale overheid werden geschonken, waren meestal van minderwaardige kwaliteit. Veelal waren het 'broeken' of lagergelegen moerasgronden, weliswaar in de nabijheid van een waterloop. Dit geografisch gegeven bood voordelen op het vlak van bevoorrading, afwatering en reiniging van textiel. Dit laatste vormde overigens een belangrijke bron van inkomsten. De hoven werden ommuurd of omgracht en de toegang kon enkel verleend worden via één of meerdere poorten die bij valavond werden afgesloten. Wat de inplanting betreft zijn er echter enkele uitzonderingen: in Kortrijk en Hoogstraten bevindt het begijnhof zich dicht bij de collegiale kerk van de stad; in Sint-Truiden is het begijnhof nooit binnen de stadsomwalling opgenomen.
 
 
In wezen zijn er drie begijnhoftypes te onderscheiden. Enerzijds is er het pleinbegijnhof met huizen gebouwd rond een centraal plein dat dienst kon doen als begraafplaats, bleekweide en graasweide voor vee. Centraal of aan het uiteinde van dit plein prijkt de kerk of de kapel als hoofdgebouw van de gemeenschap terwijl de andere gebouwen er rondom liggen. Dit plein kon driehoekig zijn zoals in Diksmuide, Dendermonde en Herentals of rechthoekig zoals in Aalst, Aarschot, Hasselt en Turnhout. Hoogstraten vormt een uitzondering omdat het door een uitbreiding in de zeventiende eeuw twee, bijna vierkante binnenpleinen bezit waarrond de huizen zijn gebouwd.
 
 
Van het eens zo prestigieuze Brusselse begijnhof bleef enkel de schitterende barokke begijnhofkerk bewaard
 
 
Vervolgens is er het typische stedelijke of stratenbegijnhof dat nauw aansluit bij de middeleeuwse stratenaanleg in dambordvorm waarmee ineens aangelegde steden werden opgebouwd. De huizen begrenzen de verschillende straten en op een groot perceel centraal of aan de rand van het begijnhof bevinden zich de kerk en het voormalige kerkhof. Tot deze groep behoren het oud Sint-Elisabethbegijnhof te Gent, het begijnhof van Diest, Leuven, Lier en Tongeren. Het Groot Begijnhof van Mechelen heeft een eerder grillige aanleg als gevolg van het feit dat de buurt waar de begijnen zich na de godsdiensttroebelen hadden gevestigd, reeds voordien was geürbaniseerd.
 
 
Het derde 'gemengde' type is dikwijls het resultaat van uitbreidingen tijdens de zeventiende-eeuwse bloeiperiode van de begijnhoven. Meestal komen ze voor in de vorm van een pleinbegijnhof waarrond een dubbele rij woonhuizen is opgebouwd of waar enkele straten zijn aan toegevoegd. Het begijnhof Onze-Lieve-Vrouw-ter-Hoye te Gent, dat van Antwerpen, Brugge, Sint-Truiden en Tienen zijn voorbeelden van dit derde type. Ook het meest recente begijnhof van Sint-Amandsberg (1874) vertoont dit gemengde type maar de straten zijn er niet aangelegd volgens het rechtlijnige dambordschema, maar volgens de neogotische principes die pittoreske, geknikte tracés voorschreven.
 
 
In elk begijnhof is er gestreefd naar een harmonieuze verhouding tussen open ruimte - kerkhof, (bleek)weiden, boomgaard, kruidentuin, en private voor- en achtertuinen - en bebouwing.
 
 

De architectuur van de begijnhoven

 
De architectuur van de meeste begijnhoven gaat terug tot de zeventiende eeuw. Door de heropleving in de periode van de Contrareformatie kregen de begijnhoven meer middelen die werden omgezet in nieuwe gebouwen die moesten voldoen aan de strengere brandvoorschriften. De houten en lemen huizen en de strooien daken verdwenen uit de begijnhoven. De meeste gebouwen werden opgetrokken in traditionele bak- en zandsteen soms aangevuld met arduin voor poortjes. De spaarzaam toegepaste kalkzandsteen werd enkel aangewend voor kruisvensters, lateien, speklagen, dorpels, neg- en hoekblokken. Over het algemeen werd gebruik gemaakt van streekeigen bouwmaterialen. IJzerzandsteen in Diest, Gobertangesteen in Leuven, Balegemse kalkzandsteen in Gent, Maaslandse steen in Tongeren en Hasselt. Als beschermlaag voor het metselwerk werd dikwijls een witte kalklaag aangebracht en een gepikte plint (Hoogstraten).
 
 
In andere begijnhoven, zoals in Gent, werd gebruik gemaakt van een rode 'kaleilaag' of afwerkingslaag op het baksteenparement.
 
 
De meeste begijnenhuizen zijn aaneengesloten breedhuizen waarbij de daknok evenwijdig ligt met de straat of het plein. Veel begijnenhuizen hebben zadeldaken met dakvensters of dakkapellen. De smeedijzeren muurankers geven soms het bouwjaar aan. De plattegronden zijn over het algemeen zeer eenvoudig gehouden. Er kan dus over het algemeen geenszins gesproken worden van vooruitstrevende of vernieuwende architectuur.
 
 
De minder gegoede begijnen en ook de novicen kregen onderdak in grotere conventen of gemeenschapshuizen. Deze conventen, die vaak zijn gesticht door religieuze of adellijke weldoeners, bevatten naast een gemeenschappelijke zaal en werkkamer ook een aantal kleinere begijnenkamers die uitgeven op een centrale of een zijgang. Over het algemeen zijn deze conventen iets rijker van afwerking en materiaalgebruik.
 
 
De poorten en poorthuizen zijn over het algemeen rijk uitgewerkt waardoor de symbolische functie wordt onderstreept. Stilistisch evolueren ze van Rubensiaanse barok in Diest en Gent tot verstrakkend classicisme in Turnhout, Hasselt en Leuven. Meestal staat het poortgebouw in verbinding met de woning van de begijn-portierster.
 
 
De begijnhofkerken zijn veelal de eerste gebouwen die in steen waren opgetrokken. Zij werden gewijd aan Catharina van Alexandrië, Elisabeth van Hongarije of heilige Agnes. Sommige kerken hebben nog hun gotische vormgeving behouden, andere werden in de zeventiende of het begin van de achttiende eeuw aangepast in barokstijl. Hun plattegrond sluit dikwijls aan bij de driebeukige zaalkerken van de bedelorden met een vlakke koorafsluiting. Op enkele uitzonderingen na bezitten ze geen transept en geen westtoren maar wel een dakruiter op het zadeldak. In het interieur vertonen deze kerken een ornamentiek die veelal aansluit bij de barokke stijl.
 
 
In verschillende begijnhoven treft men op het binnenplein of elders verspreid, kapellen, calvaries, kruiswegen en zelfs grotten van Lourdes (Turnhout en Dendermonde) die een getuige zijn van de volkse devotie van de begijnen.
 
 
De infirmerie, het hospitaal voor zieke of bejaarde begijnen, ligt bijna steeds in de nabijheid van de kerk. Het meest uitgebouwde type bevat een ziekenzaal met kapel, zoals in middeleeuwse hospitalen, ook keukens, een gastenverblijf en kwartieren voor begijnenverpleegsters. Soms sluit de infirmerie aan bij het huis van de grootjuffrouw, de bestuurster van het begijnhof. In dit 'groothuis' kon de begijnenraad vergaderen. Over het algemeen zijn deze gebouwen te situeren in de zeventiende en achttiende eeuw en vallen ze op door hun volume en eigentijdse stijl. In andere gevallen is er een aansluiting met het Heilig-Geesthuis waar hulpbehoevenden terecht konden.
 
 
De meeste begijnhoven hadden een boerderij die veelal aansloot bij de infirmerie. Slechts in Sint-Truiden is deze bewaard en nog als dusdanig in gebruik.
 
 
De begijnhofpastorieën ten slotte bevonden zich doorgaans in de onmiddellijke buurt van het begijnhof aansluitend bij de begijnhofmuur. Deze representatieve gebouwen zijn meestal dubbelhuizen met twee bouwlagen, geconstrueerd in de zeventiende of achttiende eeuw.
 
 

Verschillende types in gebruik en in visie

 
 

(1) Begijnhoven opgenomen in het stadsplan

 
 
Deze begijnhoven zijn in de loop der tijden slachtoffer geworden van stedenbouwkundige ontwikkelingen. Het oude Sint-Elisabethbegijnhof te Gent is hiervan een typisch voorbeeld. Maar ook het Klein Begijnhof te Leuven bij de voormalige Sint-Gertrudisabdij, het begijnhof van Mechelen, dat van Aalst, Aarschot en Tongeren behoren tot deze groep. Vele Vlaamse begijnhoven zijn vrij goed bewaard gebleven omdat ze ommuurd bleven én daardoor als een ingepakt geheel tot ons zijn gekomen. In Wallonië was er sprake van begijnenhuizen of conventen, die vanaf het eerste uur opgenomen waren in de stad en precies daarom verdwenen zijn. Waar de muur of de omwalling verdween, werd het begijnhof bedreigd. Deze begijnhoven vechten nu voor het herstel van hun eenheid, ze missen echter de afbakening die vermoedelijk nooit hersteld zal worden.
 
 

De problemen bij de herwaardering van het Sint-Elisabethbegijnhof te Gent.

 
 
De toekomst van het in 1242 door Johanna van Constantinopel gestichte Sint-Elisabethbegijnhof in het voormalige 'broek' tussen het Prinsenhof en de Brugse Poort is sedert het vertrek van de begijnen in 1874 vrij onduidelijk geweest. Het 'oude begijnhof' was sedert 1796 door de Franse bezetter, zoals bij de meeste begijnhoven, onder eigendom geplaatst van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen. Vanaf dat ogenblik werden de huizen aan de begijnen verhuurd en even later werd de kerk parochiekerk. Aanvankelijk werden de begijnen gerust gelaten en konden zij hun liefdadigheids- en andere werken verder zetten. Maar vanaf 1860, na het afschaffen van de octrooibarrières  begon het antiklerikale, liberale stadsbestuur nieuwe brede straten te trekken aan de rand van het begijnhof, zoals de Rabotstraat en de Begijnhoflaan. Dwars doorheen de bleekweide werden om expansieve urbanistische reden de Hector van Wittenberghstraat en de Jan Verspeyenstraat getrokken. De omringende begijnenvesten of grachten werden gedempt en de oorspronkelijke, middeleeuwse, gesloten entiteit moest plaats maken voor een verbindings- en doorgangsgebied naar nieuw aan te leggen wijken buiten de vroegere vestingsgordel van de stad. Dit belemmerde uiteraard het normale religieuze leven in het begijnhof en toen daarenboven de overheid de begijnhoven verplichtte ook nog behoeftige vrouwen of proveniersters  in hun huizen op te nemen, werd besloten uit te kijken naar een rustiger oord waar de intimiteit zou worden hersteld. Dank zij de financiële tussenkomst van Engelbert, hertog van Arenberg, werd in Sint-Amandsberg een stuk grond van acht hectaren gevonden waarop een nieuw begijnhof zou verrijzen naar een ontwerp van ingenieur-architect Arthur Verhaegen en Jean-Baptiste de Béthune, de promotor van de orthodoxe neogotiek. Op 29 september 1874 verlieten 600 begijnen noodgedwongen en definitief hun oude hof waar ze bijna 640 jaar vertoefd hadden.
 
 
Wat ooit het grootste begijnhof van de lage landen was geweest (920 begijnen in 1663), hield dus op te bestaan.
 
 
Op het einde van de negentiende eeuw werden de meeste witgekalkte tuinmuurtjes gesloopt om de straten te verbreden en verschillende zestiende- en zeventiende-eeuwse begijnhofhuizen en conventen werden afgebroken omdat ze geen gepast decor vormden voor de statige laat-negentiende-eeuwse boulevard van de Begijnhoflaan. Van de oorspronkelijk 104 huizen en achttien conventen blijven er vandaag nog een zestigtal huizen  en dertien conventen over. Ook de voormalige woningen van de grootjuffer, de infirmerie (het voormalige Decroly-instituur, thans stedelijke lagere school de 'Muze') en de Sint-Elisabethkerk bleven gelukkig behouden.
 
 
De voormalige barokke toegangspoort  tot het begijnhof, vroeger gesitueerd aan het Sint-Elisabethplein, moest het eveneens ontgelden. Eerst werd ze gebruikt als toegangspoort voor 'Oud Vlaenderen' op de Gentse Wereldexpositie van 1913, nadien, in 1926, kreeg ze een definitieve bestemming als monumentale toegang tot het stedelijk museum van de Bijloke.

 

 

Sedert de ontmanteling van het begijnhof tot het einde van de jaren 1960 gebeurde er bijzonder weinig in het steeds meer vervallen begijnhof. De Commissie der Openbare Godshuizen hield met beperkte middelen haar eigendommen in stand en deelde de meeste huizen op tot meervoudige wooneenheden voor hulpbehoevende en bejaarde mensen en verhuurde tegen een zeer lage huishuur. Af en toe werd ook toegestaan dat kunstenaars er een atelier hielden: Frits Van den Berghe, Albert Servaes, Robert Aerens, Domien Inghels, Louis Du Bar, Maurice Seys, Oscar Colbrandt en later Emiel Poetou, Geo Langui en Jan Burssens. Ondertussen probeerde de Koninklijke Commissie voor Monumenten- en Landschappen er wel over te waken dat de begijnhofsite niet verder ontmanteld werd. De Sint-Elisabethkerk werd in 1943  als monument beschermd en wat nog restte van het begijnhof werd in 1956 als landschap geklasseerd (ondertussen omgevormd tot beschermd stadsgezicht) .

 
 
Sedert 1996 zijn ook de meeste conventen als monument beschermd zodat bij restauratiewerken een beroep gedaan kan worden op een aanzienlijke subsidie vanwege de overheid.
 
 
Anno 2001 zijn er nog een vijftal conventen die op restauratie wachten en een zestal woningen. Niettegenstaande het begijnhof er sedert enkele jaren opnieuw veel fraaier uitziet, was het een lijdensweg om tot dit resultaat te komen. Die martelgang van bijna 50 jaar werd vooral gedragen door privé-initiatief. Vanaf 1950 ijverden de 'Vrienden van het Oud Begijnhof' voor vrijwaring van verdere verminking en zij waren de stimulans voor de restauraties van de conventen Ten Hove ( thans Dienstencentum van het OCMW voor de derde leeftijd) en Ter Engelen (huidige kinderkribbe).
Zij waren ook de initiatiefnemers voor het plaatsen van beelden in de lege nissen van de overgebleven barokpoortjes. De sloop van een vijftal huizen en twee conventen voor de opbouw van een afzichtelijk appartementsgebouw in de Hippoliet Lammensstraat en Sophie Van Akenstraat kon echter niet voorkomen worden.
 
 
Vanaf 1970 begon het OCMW ( toen nog COO), dat besefte dat het zelf onvoldoende middelen bezat om het gehele begijnhof te onderhouden of te restaureren, enkele huisjes openbaar te verkopen. De sommen die toen geboden werden, lagen dikwijls tien tot twintig maal lager dan deze welke men de afgelopen jaren wil besteden voor een authentiek begijnhofhuisje. Immers, niemand wilde in die tijd in deze vervallen buurt wonen. Daarom besloot het OCMW de meeste van haar eigendommen te behouden en koesterde het grootse plannen om de conventen te renoveren tot 'service flats' voor bejaarden. Jarenlang werden plannen gemaakt en berekeningen naar de haalbaarheid uitgevoerd en telkens er een nieuw OCMW-bestuur aan de macht kwam werden de plannen gewijzigd. Dertig jaar lang bleef een groot deel van de voorbestemde gebouwen leeg en verkrot staan. Vanaf 1976 hekelde een actieve bewonersgroep, de 'werkgroep Elisabethbegijnhof' (WEB), het OCMW-beleid en kon ze de problemen, meestal op ludieke wijze in de belangstelling brengen en aanklagen tijdens de inmiddels ontstane begijnhoffeesten. Dit opende uiteindelijk de politieke ogen want in 1985 werd de Sint-Elisabethbegijnhofbuurt officieel uitgeroepen tot herwaarderingsgebied, waardoor de mogelijkheid werd geschapen om supplementaire subsidies te verwerven voor de renovatie van de verkrotte panden.
 
 
Om de bewoners van de ondertussen leeggelopen buurt een stem te geven werd ongeveer gelijktijdig een nieuwe bewonersvereniging in het leven geroepen: de vzw 'Elisabethbegijnhof' die er tot op vandaag actief is als spreekbuis met de verschillende gesprekspartners. Samen met de stuurgroep van het herwaarderingsgebied werd gepoogd een globale visie te creëren en een oplossing te vinden voor de vergaande verkrotting en leegstand. In eerste instantie werd een Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) goedgekeurd waarbij naast de openbare functies (scholen, kerkgemeenschappen en dienstencentrum OCMW) vooral de woonfunctie werd benadrukt. Jarenlange onderhandelingen met het OCMW leidden uiteindelijk tot de overtuiging dat het niet de taak is van een OCMW om beschermd historisch patrimonium te restaureren. Een OCMW heeft prioritair andere taken en dient volgens de bewonersvereniging niet al haar middelen aan te wenden voor dure restauraties. Er waren ten aanzien van het historisch patrimonium reeds te veel opofferingen gebeurd ten behoeve van bejaarden, zoals het plaatsen van liften. Daarenboven pleitte de buurtvereniging voor een heterogene bewoning: gezinnen met veel kinderen (Vlaams woningfonds), studenten en bejaarden moeten allen de kans krijgen om in dit begijnhof te wonen. Dit mocht niet enkel een buurt voor de 'derde leeftijd' worden.
 
 
Vanaf dan werden bijna jaarlijks drie tot vier huizen openbaar verkocht. Sedert 1970 heeft het OCMW ongeveer 50 huisjes openbaar verkocht en ook enkele conventen. Om te vermijden dat er huizen onder de schattingswaarde werden verkocht, vermeed het OCMW angstvallig te veel huizen tegelijk op de markt te brengen waardoor de hele operatie uiteindelijk vijfentwintig jaren aansleepte. Vanuit de bewonersvereniging werd gevraagd het OCMW te beboeten op de leegstand van haar eigendommen maar dit bleek politiek geen haalbare kaart. De afgelopen vijftien jaar werden werkelijk een succesverhaal voor de OCMW-patrimonium-beheerder. Het zou kunnen getiteld worden: 'speculeren met verkrot cultuurpatrimonium loont'. De vernieuwde belangstelling voor een historisch pand, in casu een authentiek begijnenhuis, in de historische binnenstad, leidde tot astronomische biedingen. Van totaal verpauperde buurt evolueerde het begijnhof de laatste jaren naar een 'nieuw miljoenenkwartier'...
 
 
Op dit ogenblik wil het OCMW plannen doordrukken om kantoren te vestigen in twee conventen die het nog in eigendom heeft. De buurtvereniging verzet zich hiertegen omdat ze vindt dat deze gebouwen best voor bewoning zijn bestemd.
 
 
Op het vlak van het openbaar domein werden op aandringen van de bewonersgroep enkele belangrijke ingrepen verwezenlijkt dankzij de medewerking van het stadsbestuur. Zo werd het Sint-Elisabethbegijnhof de eerste buurt in Gent waar een verkeerscirculatieplan en een bewonersparkeerbeleid werden georganiseerd.
Op de meeste plaatsen werd ook een aangepaste nieuwe verlichting aangebracht ter vervanging van de 'autosnelwegverlichting' van de 'sixties'. Enkele straten werden opnieuw aangelegd met kasseien en voorzien van bomen.
 
 
De buurtvereniging werkt sedert enkele jaren aan een project dat het zelf financiert waarbij door middel van een bouwkundig kunstwerk er een verwijzing komt naar de verdwenen toegangspoort van het begijnhof. Sinds 1985 bestaat er een document met algemene bouwrichtlijnen voor de restauratie van begijnhofwoningen, opgemaakt door de stedelijke Dienst Monumentenzorg. Deze inventaris bepaalt voor elk pand de wijze waarop de gevels dienen gepleisterd of geschilderd te worden in het zogenaamde 'ossenbloed'. Door een gelijkvormige afwerking van de gevels op te leggen wil de stad een poging ondernemen om het begijnhof zijn homogeniteit en herkenbaarheid in het stadsweefsel terug te geven. Alleen blijft hier het probleem dat deze maatregel enkel opgelegd kan worden aan eigenaars die subsidies aanvragen.
 
 
In 1975 dachten verschillende bewoners en monumentenzorgers dat dit begijnhof mits veel goede wil in korte tijd gerestaureerd kon worden, met het begijnhof van Leuven als grote voorbeeld. In 2001 weten we dat dit nog wel kan duren tot 2010.
 

 

(2) De sociale bestemming: voorbeeld Herentals

 
 
Na de Franse Revolutie kwamen de begijnhoven in handen van het Bestuur der Openbare Godshuizen. Ze kregen hun sociale bestemming, bij manier van spreken, door een historisch toeval. Enkele begijnhoven kozen heel bewust voor die bestemming. Door de sociale keuze verloren ze een deel van het authentieke karakter en missen daardoor, zoals Herentals, de Unesco-erkenning. Aarschot en Aalst zijn door de sociale keuze nog meer beschadigd. Diksmuide werd heropgebouwd na een quasi volledige verwoesting tijdens de Eerste Wereldoorlog en zal na restauratie fungeren als opvangcentrum voor mentaal gehandicapten.
 
 
Het oude Herentalse begijnhof werd reeds gesticht voor 1266 en bevond zich op het Nieuwland. Met zijn 76 begijnenwoningen was het in het Hertogdom Brabant één van de grotere begijnhoven. Om militair-strategische redenen werd het tijdens het calvinistisch bewind (1576-1584) gesloopt. Het herstelde Spaanse gezag gaf aan de begijnen de toelating om huizen en gronden aan te kopen tussen de Hoge en de Lage Burchtstraat en in 1597 werd de stichting van dit nieuwe begijnhof erkend. De begijnhofkerk die binnenkort in restauratie gaat, werd voltooid in 1614. Rond de kerk werden geleidelijk aan nieuwe zeventiende- en achttiende-eeuwse huizen opgericht zodat het begijnhof in het begin van de achttiende eeuw evolueerde tot een geheel van bijna zestig woningen met 235 begijnen. De Commissie der Burgerlijke Godshuizen werd na de Franse Revolutie de nieuwe eigenaar en liet toe dat er ook andere activiteiten konden plaatsgrijpen. Als gevolg van een vermindering van de begijnenroepingen begonnen enkele begijnen omstreeks 1820 met een armenschool. Gaandeweg werden hieraan verschillende meisjesscholen toegevoegd: een lagere school, een private kostschool, een zondagsschool, een gepatroneerde burgerschool en ten slotte een meisjesnormaalschool. Niet alleen de interne leerlingen verbleven op het hof maar ook het onderwijzend personeel. In 1863 - er waren toen nog slechts een dertigtal begijnen - werden de oude begijnenhuizen tegen de poort aan de Burchtstraat gesloopt om plaats te ruimen voor een nieuwe gemeentelijke meisjesschool.
 
 
In 1904 werden er naast het fundatiehuis nog andere begijnenhuizen afgebroken om een grootschalige normaalschool (Sint-Jozefsinstituut) te bouwen. De architecturale eenheid van het begijnhof werd hiermee totaal verstoord. En alsof dit nog niet genoeg was liet de Commissie van Openbare Onderstand in 1966 alle begijnhofhuizen slopen aan de Burchtstraat om er plaats te maken voor moderne bejaardenwoningen en een zeshoekig clubhuis die daar helemaal niet op hun plaats staan. Wellicht had een vroegere bescherming (slechts in 1979) van het begijnhof als stadsgezicht die zware ingrepen kunnen voorkomen.
 
 
Mede onder invloed van het Begijnhovenjaar in 1973 kwam er bij het OCMW stilaan een kentering om het overgebleven cultuurhistorisch patrimonium te conserveren en te valoriseren. Achtereenvolgens werden het fundatiehuis, het zogenaamde 'convent' met het dienstencentrum van het OCMW en de afsluitingsmuren gerestaureerd. De Sint-Sebastiaansgilde kreeg onderdak in de gildenkamer. Voor de latere infirmerie waar heden het begijnhofmuseum is ingericht staan er eveneens restauratieplannen op til. De bijzondere kunstcollectie met voorwerpen van het begijnhof is lang niet optimaal ontsloten. Ook hier wordt aan verandering gedacht, kaderend in het globale project van de nieuwe visie op het begijnhof. Hiertoe werd een werkgroep opgericht waarin OCMW, stadsbestuur, stadsarchivaris en externe deskundigen zetelen. Men wordt uiteraard constant geconfronteerd met de 'foute' beslissingen die in het verleden zijn gemaakt. Maar men wil in eerste instantie onderzoeken op welke wijze de resterende twintig huizen die thans veelal door bejaarden zijn bewoond, gerestaureerd kunnen worden. Vermoedelijk zal worden gestreefd naar een patrimoniumbeleid waarbij de sociale functie centraal staat. Men wil tevens nagaan of de resterende begijnenwoningen niet in aanmerking komen om als monument beschermd te worden. Na de restauratie van de kerk wil men ook het openbaar domein op een verantwoorde wijze aanpakken.
 
 

(3) Een eerste globale visie uit de jaren 1960: het Groot Begijnhof te Leuven

 
 
Het Groot Begijnhof te Leuven werd voor het eerst vermeld in 1232 en bevindt zich buiten de eerste stadsomwalling op lager gelegen gronden aan de splitsing van de Dijle. De eerste kern van het begijnhof behoort met zijn langgerekte schaakbordpatroon tot het stratentype maar de latere uitbreiding in de boomgaard voorzag veeleer in een pleinaanleg. Het versteningsproces in traditionele bak- en zandsteenstijl deed zich voornamelijk voor, zoals in de andere begijnhoven, in de loop van de zeventiende eeuw. Omstreeks 1700 woonden er 300 begijnen in een tiental conventen en een tachtigtal huizen.
 
 
Na de Franse Revolutie herstelde de gemeenschap zich enigszins maar vanaf het einde van de negentiende eeuw was het begijnhof veeleer bewoond door arbeidersfamilies en minder gegoeden. De Commissie van Openbare Onderstand had niet de middelen om het vervallen begijnhof te restaureren en in 1962 voorkwam de Katholieke Universiteit van Leuven de sloop door het complex aan te kopen. Professor Raymond Lemaire zette een weloverwogen restauratiecampagne op het getouw volgens de principes van het monumentencharter van Venetië (1964). Er volgde een vrij harde restauratie in de tijdsgeest van de jaren 1960 en 1970 waarbij de originele afwerking van de gevels verloren ging, een aspect waaraan toen over het algemeen nauwelijks aandacht werd besteed. De vroegere afwisseling met gepleisterde, gewitte of roodgekleurde gevels is hier niet meer aanwezig en is zelfs niet meer reconstrueerbaar. Niettegenstaande het sensibiliserend effect en de aangename pittoreske sfeer krijgt men dus een vertekend beeld van het originele begijnhof. Men ziet er wel hoe men in die periode restaureerde en nieuwbouw integreerde tussen historische panden.
 
 
Het begijnhof huisvest een paar universitaire diensten en zorgt vooral voor woongelegenheid voor hoofdzakelijk tijdelijke bewoners, (studenten en gastprofessoren) die op een of andere manier bij de universiteit betrokken zijn. Dertien huizen zijn als eengezinswoning ingericht, verder zijn er 153 flats en 91 studentenkamers. Dit is op zich niet strijdig met het historisch gegeven aangezien begijnen ook samenleefden in eenzelfde huis. Er zijn heel duidelijke afspraken met de bewoners met betrekking tot verkeer op het hof, huisvuilophaling...en dergelijke. Het huurcontract van de bewoners kan bij het niet naleven van de voorschriften jaarlijks opgezegd worden. De universiteit staat in voor het volledige onderhoud van het begijnhof, zelfs in de huizen van de bewoners.
 
 
De infirmerie is ingericht tot restaurant en tentoonstellingszaal, de Tafel van de Heilige Geest en het huis van Chièvres worden gebruikt als vergader- en conferentiezalen. De Sint-Jan-de-Doperkerk werd zorgvuldig gerestaureerd en is door het OCMW voor 99 jaar in erfpacht afgestaan aan de universiteit die ze gebruikt als universitaire parochie en concertzaal. Het is merkwaardig vast te stellen dat dit begijnhof pas in 1987 integraal werd beschermd wat in feite wil zeggen dat de universiteit de restauratie bijna geheel zelf heeft bekostigd.
 
 
Het is wellicht het eerste voorbeeld van een grootschalige restauratie van een hof gebaseerd op een globale visie. Daarenboven was deze restauratie een belangrijke voedingsbodem voor monumentenzorg en stadsvernieuwing van de jaren 1970 en 1980.
 
 

(4) Een vroege keuze voor cultuur: Hasselt

 
 
Het onderhoud van de begijnhoven was voor veel eigenaars een probleem. Een aantal eigenaars, vooral de OCMW's, koos vanuit hun specifieke opdracht voor sociale huisvesting, terwijl andere begijnhoven bewust andere keuzes maakten. Op een aantal plaatsen betekende die keuze een oplossing voor het probleem van de instandhouding en het onderhoud, maar werd er gebroken met de woonfunctie en werden interieurs opgeofferd om de nieuwe bestemming mogelijk te maken.
 
 
Het begijnhof van Hasselt kende een bewogen geschiedenis. Het eerste begijnhof werd in 1567 door calvinisten gebrandschat en vernield. Drie jaar later werd begonnen met de bouw van een tweede hof, meer noordelijk in de stad aan de linkeroever van de Demer. In het begin van de achttiende eeuw volgde er een uitbreiding van het begijnhof aan de overzijde van de rivier en het zijn die huizen die bewaard zijn. Tot de eerste helft van de negentiende eeuw waren beide begijnhofdelen met een brug verbonden maar na overwelving van de Demer vervielen de oorspronkelijke begijnhofhuizen die nog grotendeels uit leem en hout waren opgetrokken tot puin. In 1866 overleed de laatste begijn en tien jaar later kwamen de huizen in bezit van het stadsbestuur dat er armen en hulpbehoevenden huisvestte. In 1938 werd het begijnhof bezit van de provincie Limburg die het, vol goede bedoelingen en in een poging om het begijnhof te redden, een cultureel-wetenschappelijke bestemming wilde geven. Daartoe werd het begijnhof reeds beschermd als monument in 1939. De vroeg-classicistische begijnhofkerk, toegewijd aan Sint-Catharina, werd omstreeks 1755 gebouwd maar is in 1944 verwoest door een verkeerd uitgevoerd geallieerd bombardement. Ze werd nooit gereconstrueerd maar bleef bewust geconserveerd als ruïne, overwoekerd met klimop. Tegen de nog gedeeltelijk bestaande kerkmuren rusten grafstenen en torenkruisen van Limburgse kerken...
 
 
Na de Tweede Wereldoorlog werden de begijnenhuizen gerestaureerd. In 1958 onderging de begijnhofschuur een ingrijpende verbouwing tot tentoonstellingsruimte en auditorium.
 
 
Momenteel is in het begijnhofcomplex het Provinciaal Museum voor Hedendaagse Kunst gevestigd. Bij de inrichting is de oorspronkelijke interne organisatie van de verschillende huizen en de authenticiteit van de interieurs nagenoeg volledig verloren gegaan. Uiteraard maakt dit de gebouwen min of meer geschikt voor de hedendaagse functie, maar historisch gezien is dit bijzonder spijtig. En de vraag kan worden gesteld of vandaag nog dezelfde keuzes zouden worden gemaakt met de toestemming van monumentenzorg. Daarenboven werden op het hof de afgelopen tientallen jaren verschillende nieuwbouwprojecten uitgevoerd, voor diverse provinciale diensten. De gehanteerde architectuurtaal is niet steeds even inspiratievol. De rehabilitatie van de omgeving van het begijnhof is volop aan de gang, maar hiervoor is een uitgewerkte globale visie vereist.
 
 

(5) De woonfunctie en het monument primeren in het begijnhof van Hoogstraten

 
 
Het begijnhof van Hoogstraten wordt pas voor het eerst vermeld in 1380 en was aanvankelijk een vrij klein pleinbegijnhof. In de zestiende eeuw brandde het als gevolg van de godsdiensttroebelen enkele keren af. Met het Twaalfjarig Bestand kwam er een nieuwe bloeiperiode en rond het midden van de zeventiende eeuw werd een groter plein aangelegd naast het reeds bestaande zodat het woningenbestand tegen het begin van de achttiende eeuw was gestegen tot zestig. Met de Franse bezetting werd de kerk gevorderd als hooischuur en in de loop van de negentiende eeuw trad er een dusdanige verkrotting op dat bij gebrek aan restauratiemiddelen besloten werd een twintigtal huizen te slopen, onder meer die aan de huidige ingang. Om een verdere teloorgang te voorkomen werd het begijnhof in 1971 integraal beschermd als monument en landschap.
 
 
Na een lange periode van verval nam het OCMW in 1979 het initiatief een restauratiedossier op te starten. Achtereenvolgens werd dit dossier overgenomen door de Turnhoutse huisvestingsmaatschappij en nadien door de Nationale Landmaatschappij. Ook de erkenning als herwaarderingsgebied bracht niet onmiddellijk soelaas omdat de kosten voor de redding van het ruïneuze begijnhof bijzonder hoog oplopen. Uiteindelijk werd het begijnhof in 1988 aangekocht door de gemeente die diverse erfpachtvoorstellen onderzocht, gaande van gedeeltelijke hotelfunctie, naar servicewoningen voor gegoede senioren, maar er kwam geen schot in de zaak. Verschillende projectontwikkelaars beten hun tanden stuk op het project en het stadsbestuur dacht reeds dat sloop van de bouwval uiteindelijk de enige oplossing zou worden. Enkele inwoners beseften dat als zij zelf niets deden, zij dan mee schuldig zouden worden door verzuim. De vzw 'Het Convent', een vereniging van 34 Hoogstraatse bewoners, evenveel als de te restaureren woningen, kwam ten slotte met het ultieme projectvoorstel. Het begijnhof werd voor 99 jaar in erfpacht aan 'Het Convent' toevertrouwd dat zich engageerde om de woningen op korte termijn te restaureren volgens de adviezen van de Afdeling Monumenten en Landschappen. Voor elke woning werd met de erfpachtnemer een conventie afgesloten waarin bepaald werd hoe elk onderdeel van de woning gerestaureerd moest worden. Ook de gemeenschappelijke elementen zoals de omheiningsmuur en zijn kapelletjes, de groenvoorziening en zelfs de inrichting van een museum werd gefinancierd door de leden van het 'Convent' in samenwerking met het gemeentebestuur.
 
 
De restauratie van het begijnhof van Hoogstraten zorgde voor een nieuwe visie en een andere aanpak. Een met zorg gerestaureerde woning van een begijnhof is niet geschikt voor huisvesting van minder mobiele oudere bewoners en kan moeilijk de sociale woonfunctie behouden wegens te duur. Wonen op een begijnhof is een luxe omwille van de omgeving maar tegelijk een bewuste keuze. Vanuit die gedachte werd het beheer en de restauratie van het begijnhof overgedragen aan deze vzw. Het verhaal van de 'redding' van het begijnhof van Hoogstraten door de locale bevolking is een voorbeeld tot wat een maatschappelijk geïntegreerde monumentenzorg in staat is. Van een origineel experiment groeide de restauratie uit tot een pilootproject dat zelfs op Europees vlak een voorbeeldfunctie kan vervullen. Om die reden ontving 'Het Convent' in 1997 de Vlaamse Monumentenprijs, een jaar later werd het laureaat van de Henry Ford European Conservation Award en in 1999 ten slotte ontving het project de Europa Nostra Award.
 
 
Een gelijkaardige visie is de afgelopen jaren ook gedeeltelijk ontwikkeld in het Gentse begijnhof Onze-Lieve-Vrouw Ter Hoye, echter gekoppeld aan sociale huisvesting.
 
 

(6) Patrimoniumbeheer in Diest

 
 
Het Diestse Sint-Catharina-ten-Veldebegijnhof is wellicht een van de best bewaarde begijnhoven, in een omgeving waar bovendien nog een deel van de landerijen behouden is in de vorm van sportvelden. Pas vanaf 1360 kwam het begijnhof binnen de stadsomwalling te liggen. Het rechthoekige dambordschema van de stratenaanleg kwam vermoedelijk in het midden van de zestiende eeuw tot stand. Na het versteningsproces in de zeventiende eeuw telde het begijnhof ongeveer honderd huizen met 400 begijnen en 165 kinderen die school liepen in de begijnhofschool. Na de Franse Revolutie verhuurde de 'Commission des Hospices Civils' de leegstaande huizen aan particulieren en reeds in 1928 verlieten de laatste twee begijnen het besloten hof. De vroege bescherming in 1938, als monument en als landschap, heeft ingrijpende en storende wijzigingen kunnen verhinderen waardoor de authenticiteit tot op vandaag bewaard bleef. De restauratie van het hof kwam vooral vanaf 1990 in een stroomversnelling.
   
 
De eigenaar, het OCMW, heeft hier, maar ook elders, de sociale woonfunctie in vraag gesteld, ook al omdat steeds meer gegoede gezinnen vragen om op het hof te mogen wonen. Sommige OCMW's gaan hun begijnhoven dus steeds meer zien als 'patrimonium' en niet langer enkel als site voor sociale huisvesting.
 
 
Het Diestse begijnhof is een belangrijke culturele aantrekkingspool geworden, onder andere door de aanwezigheid van het Cultureel Centrum in de voormalige infirmerie, de kapel en het Twaalf Apostelenconvent. Diest trok duidelijk de kaart van het toerisme door op het hof een horecazaak, een kunstgalerij, een paar antiekzaken en verschillende kunstenaarsateliers toe te laten. Daarnaast is de woonfunctie in een tachtigtal panden bewaard gebleven. Interessant is het door het OCMW ontwikkelde systeem van de renovatie-restauratiehuurcontracten. Kortweg komt het erop neer dat wanneer een bewoner op het hof investeert in de restauratie of renovatie van het interieur van zijn huurwoning, hij gedurende korte of lange tijd, al naargelang de grootte van de investering, van een voordelige huur kan genieten en dit totdat hij op die manier zijn investering heeft gerecupereerd. De restauratie van daken, buitengevels en buitenschrijnwerk wordt gedragen door het OCMW. Alle werken worden begeleid en geadviseerd door de Afdeling Monumenten en Landschappen. Dit voorbeeld krijgt in verschillende andere begijnhoven navolging, onder andere in Kortrijk, Lier en Turnhout en kan op termijn zorgen voor de gehele renovatie van deze begijnhoven.
 

Mozaïek van de Vlaamse begijnhoven, het verhaal en de boodschap

 
Alfabetische lijst van de begijnhoven, geplaatst in de historische context die geleid heeft tot de vorm en de eigenheid die kenmerkend is voor het hof vandaag. De naam is gevolgd door een of meer cijfers, die verwijzen naar de in het vorige hoofdstuk gemaakte indeling.
 
 

Aalst (1) (2)

 
 
In Aalst is de verdwijning van het Sint-Catharina-begijnhof in de hand gewerkt door de privatisering van het hof vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw, waardoor verschillende huizen verdwenen.
 
 
Aalst is een kleine stad, waardoor het begijnhof dat oorspronkelijk, zoals elders, aan de rand van de stad lag, al gauw onder druk kwam van de oprukkende industrie die zich langs de vlakbij gelegen Dender ontwikkelde. Het begijnhof werd later 'geïntegreerd' in het stadsweefsel en in de jaren 1950 werd het verder ontmanteld om plaats te maken voor sociale woningen en een flatgebouw. Op dit ogenblik resten er alleen nog de achttiende-eeuwse kerk, een gedeelte van de muur, de neobarokke Sint-Antoniuskapel en enkele huizen waaronder de zeventiende-eeuwse pastorie.
 
 

Aarschot (1) (2)

 
 
Het begijnhof van Aarschot werd na de dood van de laatste begijn omstreeks het midden van de negentiende eeuw het slachtoffer van grootschalige stedenbouwkundige ontwikkelingen. In 1860 werd de begijnhofkerk gesloopt voor de aanleg van de Stationsstraat. Meteen werd het begijnhof ook in twee gesplitst. Een zwaar luchtbombardement vernielde in 1944 heel wat huizen.
 
 
Ook nadien zorgden stedenbouwkundige ontwikkelingen voor een vernieuwd uitzicht. Op een deel van het begijnhof werden OCMW-gebouwen ingeplant en recenter verscheen er op de plaats van het vroegere hof ook een appartementsblok.
 
 
Slechts enkele huizen bleven bewaard en werden voorbeeldig gerestaureerd door Jamadra, een patrimoniumvennootschap die van de restauratie van probleemmonumenten haar uithangbord heeft gemaakt. De specifieke structuur van een patrimoniumvennootschap en de aandacht voor een integrale en geïntegreerde monumentenzorg van de beheerders zorgen voor een unieke combinatie met een enorm toekomstig potentieel.
 

 

Anderlecht (3)

 
 
Het begijnhof van Anderlecht is het enige bewaarde Brusselse begijnhof, gelegen in het oude centrum van Anderlecht in de nabijheid van de collegiale Sint-Pieters-en Sint-Guidokerk en het Erasmushuis.
 
 
Anderlecht is historisch altijd een klein begijnhof geweest (er staan twee huizen) en heeft mede daardoor - volledig onterecht - een probleem qua bekendheid en uitstraling.
 
 
Anderlecht heeft bij het grote publiek vaak een wat negatieve weerklank door een aantal - vaak uitvergrote - grootstedelijke problemen in enkele specifieke wijken. Mede daardoor is het oude centrum van Anderlecht onbekend, hoewel het om een zeer aantrekkelijke en aangename plaats gaat.
 
 
Het begijnhof van Anderlecht, waarin een museum voor geschiedenis, oudheid- en volkskunde is gevestigd met geregelde verwijzingen naar het begijnenwezen, wordt beheerd door dezelfde ploeg  die instaat voor de museale begeleiding van het Erasmushuis. Recent kreeg het begijnhofmuseum  wat meer aandacht en door het gebruik van een combinatieticket (bezoek aan het Erasmusmuseum betekent gratis bezoek aan het begijnhof, en omgekeerd) steeg het aantal bezoekers. Want hoewel centraal gelegen  in de gemeente, weten nogal wat bezoeker het begijnhof niet te vinden of worden ze afgeschrikt (naar eigen zeggen omwille van de moeilijke bereikbaarheid of soms onveiligheid)  door een bezoek 'midden in de stad'.
 
 

Antwerpen (4) (3)

 
 
Het begijnhof van Antwerpen wordt door het bisdom beheerd. Reeds erg vroeg werd er nagedacht over een globaal herbestemmingsproject op het ogenblik dat er geen begijnen meer leefden op het hof. In een eerste fase werd geopteerd voor de inrichting van appartementen voor op rust gestelde priesters. Door veranderde maatschappelijke situaties werd het hof nooit als dusdanig gebruikt. Momenteel wordt de woonfunctie wel gewaarborgd en is er zelfs plaats voor een nieuw gestichte kloosterorde die sterk geïntegreerd is in het maatschappelijk leven.
 
 
Het begijnhof van Antwerpen werd niet als representatief erkend door Unesco omwille van de stedenbouwkundige context. In de omgeving werden verschillende appartementsgebouwen ingeplant die het uitzicht van op het begijnhof beïnvloeden. Een evolutie waar de beheerders uiteraard zelf weinig invloed op hadden.
 
 

Bilzen (1)

 
 
Bilzen is een van de verhalen van de begijnhoven die grotendeels verdwenen zijn. Na het overlijden van de laatste begijn in het midden van de negentiende eeuw werd het begijnhof stelselmatig verwaarloosd en gebruikt voor allerhande functies. Momenteel zijn er slechts minimale resten bewaard gebleven.
 
 

Borgloon (1)

 
 
Van het begijnhof van Borgloon bleef enkel de Romaanse Graethemkapel bewaard. De rest van het begijnhof moest in de loop van de negentiende eeuw plaats maken voor een gasthuis, nu omgevormd tot bejaardentehuis met serviceflats.
 
 

Brugge (4) (3)

 
 
Het begijnhof van Brugge is ongetwijfeld het meest bezochte in Vlaanderen. De uitdaging is uiteraard hoe daar in de toekomst moet worden mee omgegaan. Ondanks de hoge bezoekersaantallen is het Brugse begijnhof relatief onbekend: de meeste mensen kennen enkel het plein, maar weten niet dat er op het Brugse begijnhof ook een straat is. Bezoekers beperken zich meestal tot een blik op het hof, een bezoek aan de kerk of aan het museum.
 
 
Het begijnhof wordt beheerd door de benedictinessen 'Dochters van de Kerk'. Hoewel de kloosterzusters zeker geen begijnen zijn, proberen zij toch zoveel mogelijk in de geest van de begijnen te leven.
 
 
Het gebruik, dat ook elders nog bestaat, om bij zonsondergang de poorten van het hof te sluiten, verwijst nog duidelijk naar de traditie van het begijnhof als stad in een stad.
 
 

Brussel (1)

 
 
Ook in Brussel is er het klassieke verhaal van de teloorgang in de loop van de negentiende eeuw na het verdwijnen van de laatste begijn. Nagenoeg het volledige begijnhof verdween onder de slopershamer voor de aanleg van het nieuwe woonkwartier in de omgeving van het Groot Godshuis. Alleen de barokke Sint-Jan de Doperkerk rest nog als opmerkelijke getuige. Het onthaal in de kerk wordt verzorgd door de vereniging 'Christelijk Dienstbetoon', een vereniging die ook instaat voor het onthaal in andere Brusselse kerken.
 
 

Dendermonde (6)

 
 
Het Dendermondse begijnhof is, hoewel midden in de stad gelegen, toch niet echt opgenomen in het stadsweefsel. Door een poort aan de straat en via een smalle straat bereikt men het begijnhof. De huizen langs één zijde van het hof werden enkele decennia geleden verkocht. Het begijnhof toont duidelijk het belang aan van een gemeenschappelijke visie en een duidelijke planning. Tot nu toe ontbreekt dit in Dendermonde waardoor de restauratiewerken aan het hof niet echt opschieten. De bewoners worden ook niet optimaal betrokken bij het dagelijks beheer van het begijnhof.
 
 
In Dendermonde kan ook de vraag naar een betere ontsluiting gesteld te worden. Het nochtans vrij grote en vrij interessante begijnhofmuseum krijgt relatief weinig bezoekers onder meer omdat het wat verloren ligt op het hof. De begijnhoffeesten, begonnen met de bedoeling geld in te zamelen voor de restauratie van het hof, zijn geëvolueerd tot een rockconcert en daarmee ook tot een evenement dat niet aansluit bij de sfeer die men op het hof verwacht. Dat het ook anders kan bewijst de vzw Patacon die met Dendermonde als startbasis tweejaarlijks een Begijnhofprijs aan een vrouwelijke, christelijk geïnspireerde, kunstenaar uitreikt. Telkens wordt een kunstenares uit een andere discipline gelauwerd.
 
 

Diest (6) zie pag. 22-23

 
 

Diksmuide (2)

 
 
Het begijnhof van Diksmuide werd tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig vernield en na de oorlog 'waarheidsgetrouw' heropgebouwd. Op dit ogenblik is het begijnhof eigendom van vzw De Lovie, een instelling voor mindervaliden. De Lovie maakt er een erezaak van de patiënten te huisvesten in historisch waardevolle gebouwen (meestal in een groene omgeving) en hen zoveel mogelijk in te schakelen bij het dagelijks beheer. Andere mensen kunnen terecht in de vele ateliers. Dit maakt van het begijnhof van Diksmuide naar de toekomst een uniek hedendaags woonproject, waarbij de grote betrokkenheid van de bewoners opvalt. Dit begijnhof dient evenwel nog gerestaureerd te worden maar het project is beloftevol.
 
 
Eventuele bezoekers worden als het ware getrokken naar het Huis van juffrouw Sybille, een winkel waarin de producten van de verschillende ateliers worden verkocht en dat tegelijkertijd fungeert als onthaalcentrum.
 
 
Voor de begijnhofkerk, die gedesaffecteerd is en eveneens eigendom is van de vzw De Lovie, wordt een nieuwe functie gezocht, evenwel steeds met respect voor de oorspronkelijke bestemming van het gebouw.
 
 

Gent, Sint-Elisabethbegijnhof (1) Zie pag. 10-13

 
 

Hasselt (4) Zie pag. 18-19

 
 

Herentals (2) Zie pag. 14-15

 
 

Hoogstraten  (5) Zie  pag.  20-2 1

 
 

Gent, Onze-Lieve-Vrouw ter Hoye (5)

 
 
Het Klein Begijnhof of Onze-Lieve-Vrouw ter Hoye  ligt aan de Lange Violettestraat, aan de rand van de stad. Enkele jaren geleden werd voor het begijnhof een voorbeeldige globale visie ontwikkeld, waarbij verschillende restauratiecampagnes reeds zijn uitgevoerd en andere gepland zijn. Het begijnhof krijgt voornamelijk een woonfunctie op basis van erfpacht waar alle lagen van de bevolking terechtkunnen. In een later stadium wordt er ook een beperkte culturele functie op het hof gebracht, maar geen horeca, handelszaken of vrije beroepen.
 
 
Het begijnhof ter Hoyen is eigendom van een vzw die het beheer waarneemt en die net zoals in Hoogstraten de grote problemen tracht op te lossen door ze systematisch op te delen in kleinere, beheersbare problemen. Daartoe werden voor de verschillende restauratiefasen partners aangezocht die de oplossing mee bewerkstelligden (o.a. een sociale huisvestingsmaatschappij, ...).
 
 

Kortrijk (6)

 
 
Het begijnhof van Kortrijk wordt beheerd door het OCMW. In het verleden werd duidelijk gekozen voor sociale huisvesting op het hof, maar ondertussen is men daar van afgestapt. Het OCMW beschouwt het begijnhof als een erg belangrijk onderdeel van haar patrimonium en wilde het ten allen prijze in eigendom behouden. Daarom werden eigendommen buiten Kortrijk verkocht en met deze middelen wordt de restauratie van het begijnhof gefinancierd. Om in de toekomst het onderhoud van het begijnhof te kunnen blijven waarborgen, is gekozen om in plaats van sociale huisvesting op zoek te gaan naar kapitaalkrachtige huurders die bereid zijn te betalen voor een rustige plek in het midden van de stad. De restauratie werd in functie hiervan uitgevoerd.
 
 
Op dit ogenblik wordt ook werk gemaakt van een vernieuwde onthaalstructuur op het hof met de uitbouw van een bezoekerscentrum waar in de toekomst ook het (vernieuwde) begijnhofmuseum een plaats moet krijgen.
 
 

Leuven, Klein Begijnhof (1)

 
 
Leuven heeft twee begijnhoven.
 
 
Het Klein Begijnhof in de nabijheid van de Sint-Geertruikerk staat er wat verwaarloosd bij. Eigenlijk kennen we hier opnieuw het klassieke verhaal. Na de dood van de laatste begijn in de loop van de negentiende eeuw werd gestart met de sloop van het begijnhof, onder meer onder invloed van de oprukkende industrie. Dit maakt dat het huidige begijnhof niet meer als dusdanig herkenbaar is (geen muur, geen toegangspoort) omdat enkel nog één straat overblijft. De restauratie is na jaren eindelijk van start gegaan, maar een concrete visie lijkt niet te bestaan. Naar ontsluiting toe ligt het hof een beetje in een verloren hoek van Leuven waarnaar vele bezoekers de weg niet vinden. Aangezien het Groot Begijnhof wel ontsloten wordt, is het ook niet gemakkelijk een geschikte oplossing te vinden.
 
 

Leuven, Groot Begijnhof (3) Zie pag. 16-17

 
 

Lier (6)

 
 
Lier is vanuit toeristisch oogpunt in Vlaanderen samen met Brugge ongetwijfeld het meest gekende begijnhof en het mag dan ook rekenen op heel wat bezoekers.
 
 
Er zijn verschillende partners betrokken bij het beheer van het begijnhof, met name het stadsbestuur, de kerkfabriek, het OCMW en de bewoners.
 
 
Om misverstanden te vermijden hebben zij zich verenigd in de Vrienden van het Begijnhof met de bedoeling zoveel mogelijk in onderling overleg beslissingen te nemen of genomen beslissingen op zijn minst bekend te maken. Op deze manier slagen zij er ook in achter de schermen heel wat dossiers te deblokkeren of in een stroomversnelling te krijgen. Zo konden zij bijvoorbeeld de aanleg van een tennisterrein met bijhorend chalet vlakbij het begijnhof verhinderen.
 
 

Mechelen (1)

 
 
Ook Mechelen heeft een Groot en een Klein Begijnhof, allebei in de nabijheid van de Sint-Katelijnekerk. Beide begijnhoven zijn geïntegreerd in de stad doordat de poorten verdwenen zijn. Dit komt hun herkenbaarheid uiteraard niet ten goede. De beide begijnhoven zijn grotendeels geprivatiseerd en ook recent nog doet een van de structurele eigenaars zijn eigendommen op het begijnhof stelselmatig van de hand. Dit komt de uitwerking van een goede globale visie uiteraard niet ten goede, wat ook in het heterogene straatbeeld merkbaar is.
 
 
Er is op het begijnhof wel een bewonersgroepering die een aantal zaken tracht te ontwikkelen, maar zolang er geen structureel overleg met het lokale bestuur kan plaatsvinden, zijn de resultaten beperkt.
 
 

Oudenaarde (6)

 
 
Oudenaarde is wellicht één van de minder gekende begijnhoven in Vlaanderen. Het begijnhof dat door een vzw wordt beheerd, heeft bewust gekozen voor een bewoning van alleenstaande, meestal bejaarde dames en dit naar eigen zeggen, naar de traditie van de begijnen en vanuit een christelijke instelling.
 
 
Het is duidelijk dat er met betrekking tot het begijnhof een globale visie ontbreekt en dat er door de vzw duidelijk gezocht wordt naar een nieuwe positionering.
 
 
Het begijnhof zelf ligt wat in een verloren hoek van Oudenaarde en is erg onopvallend aan de straatzijde. Dit betekent ook dat er relatief weinig bezoekers komen, iets wat de beheerders, gezien de huidige functie, ook zo trachten te houden. Omdat er te weinig kandidaten zijn die aan het gevraagde profiel voldoen om er te komen wonen, worden er stilaan nieuwe bestemmingen gezocht. Langs de andere kant heeft deze voorzichtige aanpak ervoor gezorgd dat het begijnhof vrij authentiek bewaard is gebleven.
 
 

Overijse ( 1 )

 
 
Overijse is wellicht altijd een klein begijnhof geweest (vergelijkbaar met Anderlecht). Enkel de kapel is overgebleven, maar deze ligt ingesloten door wegen, zodat ze haar betekenis wat heeft verloren. De kapel alleen is uiteraard ook niet meer als begijnhof herkenbaar, wat er mee voor zorgt dat er ook lokaal relatief weinig aandacht wordt aan besteed. Eigenlijk is Overijse een mooi voorbeeld van wat de gevolgen zijn van een weinig integrale en geïntegreerde aanpak.
 
 

Sint-Amandsberg (Gent) (3)

 
 
Sint-Amandsberg is binnen de Vlaamse begijnhoven een buitenbeentje. Waar op de meeste plaatsen de begijnenbeweging stilaan verdween en het begijnhof niet langer door begijnen werd bewoond (wat sloop en opname in het stedelijk weefsel bewerkstelligde), werd in Sint-Amandsberg omstreeks 1874 een enorm groot nieuw neogotisch begijnhof gebouwd onder invloed van de hertog van Arenberg. De begijnen verlieten het Sint-Elisabethbegijnhof in het Gentse stadscentrum om naar hier te verhuizen.
 
 
In Sint-Amandsberg leven momenteel nog enkele begijnen, onder meer de grootjuffrouw. Zij zijn nagenoeg de laatste getuigen van wat eens een dynamische, democratische en vernieuwende beweging was. Hoewel we zien dat het begijnhof oorspronkelijk uit het stadscentrum werd weggetrokken, naar een van de buitengemeenten, merken we dat het langzaam opnieuw in het stedelijk weefsel wordt opgenomen, evenwel met behoud van de oorspronkelijke ommuring.
 
 

Sint-Truiden (4)

 
 
Het begijnhof van Sint-Truiden heeft een wat heterogene aanblik omdat de eenheid door privatisering wat verloren is gegaan. De vele betrokken partijen zorgen er ook voor dat een globale visie moeilijk te ontwikkelen is. Dat maakt Sint-Truiden niet minder interessant, integendeel. Als enige ligt het begijnhof van Sint-Truiden nog steeds buiten het stadscentrum en zijn ook de groenruimtes rondom nog aanwezig. Wat Sint-Truiden nog bijzonder maakt is de aanwezigheid van de boerderij op het hof die tot op vandaag haar functie heeft behouden en van de unieke begijnhofkerk die een dertigtal muurschilderingen bevat en omgevormd werd tot museum voor religieuze kunst.
 
 

Tienen (3)

 
 
Het begijnhof van Tienen geeft een wat desolate indruk en vertoont weinig eenheid door de toenemende privatisering. De bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog en het afbranden van de kerk in de jaren 1970 maakten de situatie uiteraard niet veel beter. Interessant is wel dat er bewust voor werd gekozen om de begijnhofkerk na de brand als ruïne te bewaren.
 
 

Tongeren (1)

 
 
Het begijnhof van Tongeren is sedert de jaren 1980 een favoriete plek om te wonen. Het begijnhof is reeds geruime tijd grotendeels geprivatiseerd en dat wordt duidelijk in het straatbeeld. Tot voor kort heeft de stad weinig aandacht gehad voor het begijnhof, maar gelukkig is dat veranderd. Recent ontwikkelde de stad een Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) voor het begijnhof waarin een aantal maatregelen wordt opgelegd, zoals het bannen van garages uit het straatbeeld. Met de restauratie van de begijnhofkerk wil de stad zelf een voortrekkersrol spelen. De stad gebruikt het BPA om opnieuw voor enige eenheid te zorgen en dit verdient zeker navolging.
 
 

Turnhout(6)

 
 
Turnhout is een typisch voorbeeld van een begijnhof waar nogal wat partijen betrokken zijn bij het beheer, wat zeker in het verleden voor afstemmingsmoeilijkheden heeft gezorgd. Ondertussen wordt met alle betrokken partijen gewerkt aan een globaal plan en tracht men door netwerkvorming (onder andere voor het museum) een nieuw elan te geven. Een vraagstuk waar men recent mee werd geconfronteerd en dat voor alle begijnhoven belangrijk is, is dat van het verkeer en het parkeren op het hof.
 
 
In Turnhout is er voor bezoekers nagenoeg geen parkeergelegenheid op het hof. Volgens een recent plan kon dit opgelost worden door de tuin van het huis van de grootjuffrouw tot parking om te vormen. Dit stuitte op verzet van de Afdeling Monumenten en Landschappen die meer creatieve oplossingen eist, waarbij de tuinen die integraal deel uitmaken van het hof zoveel mogelijk gevrijwaard en in ere hersteld worden.
 
 

Unesco-erkenning

 
De Unesco, de organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur heeft sedert 1972 een conventie betreffende de identificatie, bescherming en instandhouding van het cultureel en natuurlijk werelderfgoed over de hele wereld. De UNESCO-Conferentie is een verdrag, ondertekend door 155 landen die er zich toe verbinden om financiële en intellectuele bijstand te verlenen voor de bescherming van het cultureel erfgoed dat een uitzonderlijke waarde heeft voor de mensheid. Het zogenaamde werelderfgoed behoort aan alle volkeren ter wereld zonder rekening te houden met het territorium waar ze zich bevinden. De sites met universele uitzonderlijke betekenis kunnen op voorstel van de landen waarin ze gelegen zijn op de lijst van het Werelderfgoed ingeschreven worden. Bekende voorbeelden zijn de piramides van Gizeh, de archeologische site van het Acropolis in Athene, de Mont-Saint-Michel in Frankrijk, de Galapagoseilanden van Ecuador. De lijst van het werelderfgoed omvat thans ongeveer 600 sites. Op 2 december 1998, tijdens een vergadering te Kyoto (Japan), werden de Vlaamse begijnhoven als 'globaal fenomeen' ingeschreven op de lijst van het werelderfgoed en een groep van dertien representatieve en best bewaarde begijnhoven werden nog eens met naam vermeld. Tegelijk werden voor het Waalse Gewest de hydraulische scheepsliften van het Canal du Centre en voor Brussel de Grote Markt als werelderfgoed ingeschreven. Later volgden nog de historische binnensteden van Brugge en Gent, de omgeving van de kathedraal te Antwerpen en de Vlaamse belforten.
 
 

Het Platform voor Begijnhoven

 
 
'Het Platform voor Begijnhoven' is ontstaan op initiatief van de vzw 'Het Convent', de vereniging die de restauratie van het totaal vervallen begijnhof van Hoogstraten tot een goed einde bracht. Sinds die restauratie en de erkenning van de begijnhoven als werelderfgoed is er een hernieuwde belangstelling voor deze sites. Als unieke getuigen van zeventiende-eeuwse architectuur zijn de begijnhoven opnieuw 'een stad in de stad', oases van rust en cultuur in drukke steden. Velen beschouwen het als een voorrecht om er te wonen, terwijl het groot aantal bezoekers de rust dreigt te verstoren.
 
 
De eigenaars, bewoners en gebruikers van de 25 Vlaamse begijnhoven verenigden zich in 'Het Platform voor Begijnhoven' en zetten zich in voor het behoud en een kwaliteitsvolle ontsluiting van het onroerend, roerend en immaterieel erfgoed. Naast thema's die voor de hand liggen zoals de herbestemming, het onderhoud en de restauratie, wordt veel aandacht besteed aan het authentiek behoud van de interieurs, de tuinen en het publiek domein.
 
 
Samen met de Afdeling Monumenten en Landschappen werkt 'Het Platform' aan een 'visievorming Begijnhoven' waarin al deze aspecten aan bod zullen komen.
 
 

Immaterieel erfgoed

 
 
Maar begijnhoven zijn meer dan 'monumenten van steen', ze zijn ook drager van belangrijk immaterieel erfgoed. Bij de ontsluiting wil 'Het Platform' de begijnenbeweging plaatsen in de historische context, als één van de Europese armoedebewegingen waarin vrouwen zich, in de dertiende en veertiende eeuw, verzetten tegen wantoestanden in kerk en maatschappij. Begijnhoven zijn binnen de evolutie van de maatschappij getuigen van het bestaan van generaties vrouwen die zich bewust waren van hun culturele en sociale rol en hun mogelijkheden om een gemeenschap met zelfbestuur uit te bouwen.
 
 
In een confrontatie tussen het onroerend erfgoed en hedendaagse kunstvormen wil 'Het Platform' een forum bieden aan vrouwelijke kunstenaars die zich maatschappijkritisch opstellen, zoals de begijnen dat in hun tijd en op hun manier waren. Vanuit die visie is er ook aandacht voor vrouwen en minderheidsgroepen in het algemeen die nu, waar dan ook in de wereld, opkomen voor hun rechten.
 
 
'Het Platform' wil de bezoeker een juist beeld geven van wat begijnen waren en wat begijnhoven nu kunnen zijn, met respect voor de eigenheid van elk hof, de draagkracht ervan, de evolutieve authenticiteit en de rust van de huidige bewoners.
 
 
'Het Platform voor Begijnhoven' kan rekenen op de steun en de medewerking van de Koning Boudewijn-stichting, de Nationale Loterij en het Vlaamse Gewest.
 

 

 

Het Platform voor Begijnhoven

Contactpersoon: Frans Horsten
Begijnhof 26
2320 Hoogstraten
Tel 03 314 65 88
Fax 03 314 23 81
 

 

Bibliografie:

J. Baldewijns, B. D'Huys, M.C. Laleman, in: tentoonstellingscatalogus Werken & kerken, 750 jaar begijnhofleven te Gent, Gent, 1984.
J. Gijsen, Vlaamse begijnhoven, ontdekken en beleven, Aartselaar, 1999.
M. Heirman, Langs Vlaamse begijnhoven, Leuven, 2001. F. Horsten, Van Blufpoker tot Monumentenprijs, Hoogstraten, 2000.
P. Majerus, 'De begijnhoven in België: mythe en werkelijkheid', Tijdschrift van de Dexiabank, jg. 55, nr.216, 2001/2, Brussel.
W. Simons & M. Trooskens, Begijnen en Begijnhoven, Brussel, 1994.
M. Triest, Het besloten hof, begijnen in de zuidelijke Nederlanden, Leuven, 1998.
R. Tisseghem & J. Daemen, Begijnhoven vroeger en nu, Groot-Bijgaarden, 1995.
S. Van Aerschot & M. Heirman, Vlaamse begijnhoven, werelderfgoed, Leuven, 2001.
 

 

 Auteursidentificatie:

 
Dirk Laporte is licentiaat kunstgeschiedenis en oudheidkunde en sedert
1985 docent architectuurgeschiedenis aan het architectuurinstituut Henry van de Velde en het postgraduaat monumentenzorg te Antwerpen,
Hij woont meer dan 25 jaar in het Sint-Elisabethbegi|nhof te Gent waar
hij in 1984 medestichter was van de vzw Elisabethbegijnhof.
 
Frans Horsten is interieurarchitect en bezieler van de redding en  restauratie van het begijnhof te Hoogstraten. Hij is tevens coördinator van Het Platform voor Begijnhoven binnen VCM, contactforum voor erfgoedverenigingen.
 

 

Afbeeldingen:

De afbeeldingen die worden vermeld zijn terug te vinden in het PDF-document

 
  • vooromslag: Het nieuwe neogotische Sint-Elisabethbegijnhof in Sint-Amandsberg, ontworpen in 1873 door Jean-Baptiste  Bethune en Arthur Verhaegen(prentkaart ca. 1920)

  • detail van een 16de-eeuwse schilderij waarop de dagelijkse bezigheden van de begijnen worden afgebeeld(olieverf op doek, 1578, Mechelen, OCMW)

  • Dit 17de eeuwse schilderij verbeeldt het verlangen van de begijnen om deelachtig te zijn aan het lijden van Christus(olieverf op doek, ca. 1630, sint-Amandsberg, groothuis)

  • H.Begga, met tekst: Ootmoedigheyd, Zuyverheyd en Gehoorzaamheyd(olieverf op doek, ca. 1700, Begijnhofkerk Hoogstraten)

  • Begijnen aan hun begijnenkast, Begijnhof ter Hoye, Gent ca. 1920.

  • Van het eens zo prestigieuze Brusselse begijnhof bleef enkel de schitterende barokke begijnhofkerk bewaard(Ets Magnum door J.Horreweyn omstreeks 1700, Brussel Prentenkabinet Koninklijke Bibliotheek)

  • Het Dendermondse begijnhof behoort tot het driehoekig pleintype(Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Dep. LIN-AOSO-sectiefoto/video, 1997)

  • Het interieur van de Sint-Agneskerk van het begijnhof van Sint-Truiden bezit een merkwaardige verzameling muurschilderingen in tempera, met de meest geliefde patroonheiligen en scènes uit het leven van Maria.

  • Het Brugse begijnhof 'Ten Wijngaerde' evolueerde in de 17de-eeuw door de uitbreiding met een straatjeaan de zuidzijde van pleinbegijnhof naar een begijnhof van het gemengde type.

  • Het oude Sint-Elisabethbegijnhof in volle glorie omstreeks 1860, door François J.L.Boulanger (olieverf op paneel, 69 x 90 cm, Koninklijk Paleis Brussel.

  • De originele toeganspoort van het Sint-Elisabethbegijnhof  als poort tot 'Oud Vlaendren' op de Gentse Wereldtentoonstelling van 1913 (prentkaart)

  • Gezicht van 1912 op de Sophie Van Ackenstraat in het Oude Sint Elisabethbegijnhof van Gent (prentkaart).

  • Begijnhof ter Hoye, Gent (foto uit 'Leurs S, De begijnhoven', Antwerpen 1931)

  • De Sint-Catharinakerk en de enige bewaarde straat in het verminkte begijnhof van Herentals (prentkaart begin 20ste eeuw ).

  • Het interieur van de Sint-Catharinakerk van het begijnhof te Herentals werd omstreeks 1874 aangepast in neogotische stijl (prentkaart, begin 20ste eeuw).

  • Het convent van Chièvres van het Leuvense Groot Begijnhof, dateert van 1561 en is wellicht één van de meest monumentale gemeenschapsgebouwen uit de Lage Landen

  • Het zogeheten Soldaten- of Spaans Kwartier was de laatste 17de-eeuwse uitbreiding van het Leuvense Groot Begijnhof.

  • De universiteit van Leuven nam reeds in 1962 de lovenswaardige beslissing om het Groot Begijnhof te restaureren en de huizen en conventen in te richten voor het verblijf van gastprofessoren en studenten.

  • De 18de-eeuwse Hasseltse  begijnenkerk vóór de verwoesting van 1944 (prentkaart begin 20ste eeuw).

  • Het begijnhof van Hasselt bezit vooral 18de-eeuwse huizen in Maaslandse stijl.

  • Een groot deel van de begijnenwoningen in Hoogstraten bestond aanvankelijk  uit een aaneenschakeling van eenkamerwoningen.

  • Het grondplan van het begijnhof van Hoogstraten (tekening).

  • Gezicht op een deel van het gerestaureerde Hoogstraatse begijnhof dat integraal werd gewit.

  • Dank zij de vroege bescherming van het begijnhof van Diest in 1938 is de beslotenheid en authenticiteit tot op vandaag bewaard.

  • In het begijnhof van Diest werd naast bak- en kalkzandsteen ook veelvuldig gebruik gemaakt van de lokale ijzerzandsteen als bouwmateriaal.

  • In het begin van de 20ste eeuq was het Sint-Catharinabegijnhof van Aalst nog vrij goed bewaard(prentkaart begin 20ste eeuw)

  • Stedenbouwkundige ontwikkelingen  en een zwaar luchtbombardement in 1944 vernietigden het grootste deel van het eens zo pittoreske  Aarschotse begijnhof(prentkaart begin 20ste eeuw)

  • Het begijnhof van Anderleg was wellicht één van de kleinste. Het bestond in feite enkel uit een convent en het huis van de grootjuffrouw (prentkaart begin 20ste eeuw).

  • Het begijnhof van Bilzen is in de jaren 1970 verdwenen (prentkaart 1905).

  • Het begijnhof van Antwerpen kreeg bij een 'restauratie' in het begin van de 20ste eeuw pittoreske, maar onhistorische neomiddeleeuwse toevoegingen (prentkaart begin 20ste eeuw).

  • Van het begijnhof van Borgloon bleef enkel de Romaanse Groethemkapel bewaard buiten de oorspronkelijke stadsversterking (gravure 19de eeuw).

  • Van het ooit zeer indrukwekkende groot begijnhof van Brussel bleef na de aanleg van de Pachecowijk enkel de schitterende barokke begijnhofkerk bewaard (prentkaart begin 20ste eeuw)

  • Het met populieren beboomde binnenplein van het Brugse begijnhof 'Ten Wijngaarde' vormt een ruimtelijk en picturaal contrast met de omringende gewitte begijnenhuizen.

  • De begijnhofkerk van Dendermonde werd door het oorlogsgeweld verwoest in 1914(prentkaart 1914).

  • Het begijnhof van Dendermonde is een typisch voorbeeld van een pleinbegijnhof.

  • Het begijnhof van Diksmuide werd tijdens de eerste wereldoorlog volledig vernietigd maar vanaf 1923 waarheidsgetrouw gereconstrueerd (prentkaart vóór 1914).

  • Gezicht op de binnenzijde van de toegangspoort van het Gentse begijnhof 'Onze-Lieve-Vrouw-Ter Hoye' en op de Heilig Grafkapel van 1662(prentkaart begin 20ste eeuw).

  • Het Kortrijkse 'witte' begijnhof heeft zijn authenticiteit en beslotenheid weten te behouden.

  • Het klein begijnhof van Leuven, nabij de Sint-Gertrudiskerk, bestaat nog slechts uit één straat met begijnenhuizen(prentkaart begin 20ste eeuw).

  • Het groot begijnhof van Mechelen is op vele plaatsen niet zo goed herkenbaar(prentkaart begin 20ste eeuw ).

  • Het zeer  goed bewaarde Lierse begijnhof kon in het begin van de 20ste eeuw rekenen op de sympathie van Felix Timmermans(prentkaart begin 20ste eeuw).

  • Het begijnhof van Oudenaarde is wellicht één van de meest bescheiden, maar ook meest authentieke begijnhoven in Vlaanderen(prentkaart begin 20ste eeuw).

  • Van het voormalige begijnhof 'Mariëndal' in Overijse bestaat vandaag nog enkel de begijnhofkapel. In het begin van de 20ste eeuw stonden er ook nog enkele originele begijnenhuizen die later werden herbouwd(prentkaart begin 20ste eeuw).

  • In het neogotisch begijnhof van Sint-Amandsberg staan er verschillende types begijnenhuizen en conventen naast elkaar soms met de typische Brugse traveeën op de gevels.

  • De laat 13de-eeuwse Sint-Catharinakerk van het begijnhof van Tongeren is opgebouwd uit Silex en mergelsteen.

  • In Sint-Truiden is het begijnhof nooit binnen de stadsomwalling opgenomen(prentkaart begin 20ste eeuw).

  • Het begijnhof van Tienen zag er in het begin van de 20ste eeuw beslist meer idyllisch uit dan vandaag(prentkaart begin 20ste eeuw).

  • De kapel en het dienstencentrum in het begijnhof van Turnhout, dat gekenmerkt wordt door zijn langgerekte vorm.

  • Logo Werelderfgoed.

  • Vierendertig gezinnen uit Hoogstraten krijgen het begijnhof in handen via een erfpachtovereenkomst en strikte afspraken inzake restauratie. Het begijnhof  kan eindelijk gered worden !(foto 29 juni 1992).

  • Logo 'Het platform voor Begijnhoven'.

  • Een overzicht van de nog bestaande en verdwenen begijnhoven in de Lage Landen (tekening Leo Van Riel).

  • Illustraties van het oprolbare lied van de regel. Het dagelijks leven in het begijnhof wordt op een naïeve maar schilderachtige wijze verhaald in veertien taferelen (olieverf op doek, gemonteerd op twee stokken, 95  x 73 cm, ca. 1900, Sint-Amandsberg, Begijnhofmuseum).​

 

 


 

Aalst, Aarschot, Agnes, Anderlecht, Antwerpen, Balegemse kalkzandsteen, Begga, Begijnhoflaan, Bernardus van Clairvaux, Bilzen, Borgloon, Brabant, Brugge, Brugse Poort Gent, Brussel, Burchtstraat, Catharina van Alexandrië, cisterciensers, Colbrandt Oscar, Commissie der Burgerlijke Godshuizen, contrareformatie, de Béthune Jean-Baptiste, Decroly-instituut, Dendermonde, Diest, Diksmuide, Domincus Guzman, Dominicanen, Du Bar Louis, Elisabeth van Hongarije, Engelbert hertog van Arenberg, Erasmushuis, Franciscanen, Franciscus van Assisi, Gent, Gobertangesteen, Graethemkapel, Gregorius IX, Hasselt, Hector van Wittenberghstraat, Herentals, Het Platform van Begijnhoven, Hippoliet Lammensstraat, Honorius III, Hoogstraten, Horsten Frans, Ieper, ijzerzandsteen, Ingels Domien, Jacob van Vitry, Jamadra, Jan Verspeyenstraat, Johanna van Constantinopel, kaleilaag, Kortrijk, Lambertus li Beges, Langui Geo, Laporte Dirk, Lemaire Raymond, Leuven, Lier, Luik, Maaslandsesteen, Mariëndal, Mechelen, mulieres religiosae, Nijvel, Norbertus van Magdeburg, Oignies, Onze-Lieve-Vrouw-ter Hoye begijnhof, Oudenaarde, Overijse, Poetou Emiel, Prinsenhof Gent, proveniersters, Rabotstraat, reclusae, Servaes Albert, Seys Maurice, Sint-Amandsberg, Sint-Antoniuskapel, Sint-Catharina-ten-Velde, Sint-Elisabethbegijnhof, Sint-Truiden, Sophie Van Akenstraat, Ten Hoveconvent, Ter Engelenconvent, Tienen, Tongeren, Turnhout, UNESCO, van den Berghe Frits, Verhaegen Arthur, Verlichting, Vlaanderen, vzw De Lovie, vzw Het Convent, vzw Patacon, Werkgroep Elisabethbegijnhof, Zoutleeuw, Aerens Robert, OKV2001, Burssens Jan, OKV2001.2