U bent hier

Aguillon en Huyssens en Rubens - Carolus Borromeuskerk

Aguillon en Huyssens en Rubens - Carolus Borromeuskerk

Driehonderdvijftig jaar geleden, op zondag 12 september 1621, werd te Antwerpen met grote pracht en praal een kerk gewijd, die een unieke plaats inneemt in de geschiedenis van de bouwkunst van onze gewesten. Oorspronkelijk werd ze Sint-Ignatiuskerk geheten, en maakte ze deel uit van het professiehuis van de jezuïeten. Ze was de eerste kerk ter wereld die de stichter van de Orde tot «patroonheilige» kreeg. Na afschaffing van de kloostergemeenschap in 1773 werd ze een parochiekerk; sindsdien werd ze Sint-Carolus-Borromeuskerk genoemd.

 

Het ontstaan van deze kerk is eng verbonden met de geschiedenis van de jezuïeten te Antwerpen. In 1562 hadden ze er hun intrede gedaan, maar het zou nog tot 1585 duren eer ze in de Scheldestad vaste voet verkregen. Van dan af kende de kloostergemeenschap een steeds stijgende bloei, en tijdens de regering van de Aartshertogen Albrecht en Isabella groeide ze uit tot een zeer voornaam centrum van geestelijk en wetenschappelijk leven in de Zuidelijke Nederlanden. Toen ook moet stilaan het denkbeeld gerijpt zijn om in de onmiddellijke nabijheid van het jezuïetencollege in de Korte Nieuwstraat - dat achteraf het professiehuis van de Vlaams-Belgische Provincie van de Orde zou worden - een nieuwe, grote kerk te bouwen, die de oude huiskapel zou vervangen, en die tevens door haar indrukwekkend uitzicht als een onmiskenbaar «zinnebeeld van het triomferend Katholicisme in het Antwerpen van de eerste helft van de 17e eeuw» (M. Sabbe) zou gelden.

 

In 1613 werden de eerste ontwerpen voor het nieuwe kerkgebouw naar Rome gezonden, teneinde er de vereiste goedkeuring van de generaal van de jezuïetenorde te verkrijgen.

 

Deze laatste had er echter een aantal bezwaren tegen, zodat meerdere malen nieuwe projecten naar de Eeuwige Stad moesten verzonden worden. Enkele van die plans worden thans nog bewaard. Wij kunnen er uit afleiden dat oorspronkelijk gedacht werd aan een bouwwerk met een centraal grondplan, dat bekroond zou worden door een imposante koepel, - dus een kerk die enigszins met de O.-L.-Vrouwbasiliek te Scherpenheuvel te vergelijken is. Geleidelijk werd overgegaan naar een langwerpige plattegrond, en uiteindelijk kon Rome zich akkoord verklaren met een vrij eenvoudig project, dat enigszins aan zuilenbasilieken uit de vroeg-christelijke tijd herinnert.

 

Tevoren had de rector van het Antwerpse jezuïetencollege, pater François Aguilon gelden ingezameld om de bouwwerken te kunnen bekostigen en had hij reeds de nodige marmerblokken uit Italië laten overkomen. De bouwtoelating ontbrak zelfs nog toen op 15 april 1615 de eerste steen van het gebouw werd gemetseld. Maar kort daarna mocht dan toch met man en macht aan de nieuwe constructie worden doorgewerkt. Zes jaar later, in 1621, was de kerk reeds voltooid, met uitzondering van de twee buiten het eigenlijke gebouw uitspringende zijkapellen, die oorspronkelijk niet waren voorzien. Met hun opbouw werd eerst respectievelijk in 1622 en 1625 een aanvang gemaakt.

 

Op al de tijdgenoten heeft de nieuwe kerk een diepe indruk gemaakt. In tal van reisverslagen van buitenlanders en beschrijvingen door stadsgenoten wordt eenstemmig de lof van deze «marmeren tempel» bezongen. De Engelse estheet John Evelyn roemt hem als een «luisterrijk, prachtig en glorierijk gebouw, buiten en binnen heel en al ingelegd met marmer...». En een ander auteur besluit zijn beschrijving met de opmerking: «Deze jezuïeten bezitten waarachtig hun hemel op aarde». Dit nu beantwoordde zeker aan de bedoelingen van deze geestelijken, die precies in de geest van de contrareformatie (katholieke hervorming) van het kerkgebouw de afstraling van het Hemels Jeruzalem wilden maken. Hierdoor stelden zij zich lijnrecht, tegenover de calvinisten die in hun tempels een uiterste soberheid betrachtten.

 

Veel van de pracht die destijds de bezoekers in verrukking bracht is, helaas, verloren gegaan in een brand die in 1718 het schip en de zijbeuken totaal vernielde. Bij de heropbouw ervan, grotendeels in de oorspronkelijke vorm, werden minder rijke materialen verwerkt. Ook heeft de tand des tijds iets van de glans en praal doen tanen. Maar de imposante voorgevel, het koor en de zijkapellen, die aan de vernieling ontsnapten, geven ons toch nog een treffend beeld van de rijkdom aan materialen die hier ten toon werd gespreid.

 

Bij het betreden van de kerk wordt de blik van de toeschouwer langs arcaden met rondbogen en slanke zuilen, die zowel op de begane grond als op de tribunes boven de zijluiken voorkomen, naar een tamelijk ondiepe kegelvormige koornis geleid, waarin een monumentaal portiekaltaar werd opgesteld.

 

Ongetwijfeld hebben de Antwerpse jezuïeten bewust dit altaar sterk doen uitkomen, teneinde onmiddellijk de aandacht van de gelovigen te vestigen op de Eucharistie, als een van de centrale geloofspunten van de Rooms-katholieke leer. Het koor wordt afgedekt door een schelpvormige afsluiting of concha, versierd met stuc of plastisch bewerkte pleisterkalk.

 

Bij de halfronde vormen van het koor en van de arcaden sluit harmonisch het tongewelf aan, dat de middenbeuk volledig overdekt. In de zijbeuken en tribunes treffen wij evenwel vlakke zolderingen aan, die oorspronkelijk voorzien waren van plafondschilderingen, naar schetsen van Rubens uitgevoerd in diens atelier. Die doeken, 39 in getal, zijn alle tijdens de brand van 1718 in de vlammen opgegaan.

 

Het kerkinterieur doet thans, afgezien van de rijkversierde koornis, eerder sober aan ten overstaan van de pronkgevel aan de Westzijde, die als een min of meer zelfstandig architecturaal en plastisch geheel a.h.w. tegen het gebouw geplakt werd. Deze façade vertoont drie geledingen, waarvan de middenste beantwoordt aan de tribune boven de zijbeuken, en de bovenste grotendeels aan het tongewelf van het schip. De centrale partij (of middenrisaliet) die door die geledingen heen een eenheid vormt, bestaat uit één brede astravee en, aan weerszijden daarvan, twee smalle traveeën. Dit middenrisaliet wordt bekroond door een imposant driehoekig fronton, dat hoog boven de nok van het kerkgebouw uitspringt. Zwierige voluten of rolwerk verbinden aan weerszijden die centrale partij met de twee zijtraveeën. Een weinig terugspringend ten opzichte van de rooilijn van de gevel bevinden zich nog twee kleine hoektorens, die organisch verbonden zijn met de façade, en die met stenen koepeltjes worden bekroond. Het hoofdkenmerk van de imposante voorgevel, waarvan de afzonderlijke bouwdelen door zuilen, pilasters (of lisenen) en entablementen zijn afgetekend, is de uitbundige sculpturale versiering die zo typisch is voor de Barok. Hiermee doet deze stijl als met krachtig bazuingeschal plechtig zijn intrede in de bouwkunst van de Nederlanden.

 

Ook de slanke toren, die achter het koor werd opgetrokken, betekent iets nieuws in onze architectuur. Prof. Dr. Stan Leurs schreef er treffend als volgt over: «De toren van Sint-Carolus is spijts zijn bescheiden afmetingen de mooiste baroktoren in Vlaanderen, en wel een der mooiste in heel de wereld... De architect legt hier een buitengewone zin voor plasticiteit aan de dag... Heerlijk is de bekroning: de uitsprongen van de balustrade in 't midden van elke zijde kondigen de cylindrische lantaarn aan met haar keurige «Venetiaanse» openingen. Deze is afgedekt door een zwierige stenen koepel welke met zijn licht ellipsachtig profiel, zijn reeks dakkapellen aan de aanzet en zijn keurig lantaarntje als bekroning in het teken staat van een verfijnde dynamiek...». Prof. Leurs besluit met de opmerking, dat deze sierlijke toren slechts volgens de aanwijzingen van een geniaal meester kan zijn ontstaan, «welke moeilijk iemand anders dan Rubens kan zijn geweest».

 

Met deze laatste zinssnede raken wij een zeer omstreden probleem aan, nl. dit betreffende de architect van de Antwerpse jezuïetenkerk. In de 18e eeuw, en zelfs nog een hele tijd later, gold Rubens als de bouwmeester van de «marmeren tempel». Toen omstreeks het begin van onze eeuw de talrijke, nog grotendeels in het kerkarchief bewaarde ontwerpen nader werden bestudeerd, kwam men tot het besluit dat het auteurschap eerder aan twee jezuïeten moest worden toegeschreven, nl. aan de rector François Aguilon zelf, die inderdaad verantwoordelijk schijnt te zijn voor het grondplan en misschien ook voor de algemene architecturale structuur, en aan broeder Peter Huyssens, die de verdere uitwerking van de projecten en de leiding van de werken op zich nam.

 

Het aandeel van Rubens werd tegelijkertijd tot een minimum gereduceerd. Sindsdien echter werden, o. m. door Dr. Ludwig Burchard, enkele tekeningen teruggevonden die iets te maken hebben met de sculpturale versiering van de kerk.

 

Zo kon bijvoorbeeld worden uitgemaakt, dat de bazuinblazende engelen in de hoogvelden boven de poort aan de Westgevel, evenals daarboven het schild met het Jezusmonogram, omringd door dartele putti, naar ontwerpen van Rubens werden gebeeldhouwd. Ook de stucversiering van het gewelf van de Mariakapel werd naar zijn «inventie» uitgevoerd. Dit is ook het geval met het hoogaltaar in het koor: benevens een getekende voorstudie voor het geheel, is ook nog een olieverfschets bekend voor het beeldhouwwerk dat het altaar bekroont. Terloops mag er op gewezen worden dat onlangs werd aangetoond dat deze plastiek wel degelijk het werk is van een persoonlijke vriend van de schilder, de beeldhouwer Hans van Mildert, die waarschijnlijk ook verantwoordelijk is voor de uitvoering van de sculptuur van de voorgevel. Hoger genoemde ontwerpen, en ook nog enkele andere die wij hier niet kunnen vermelden, maken het duidelijk dat tal van decoratieve motieven van de Sint-Carolus-Borromeuskerk, zowel binnen als buiten, te danken zijn aan Rubens' vindingrijke verbeelding.

 

Heeft hij ook de zuiver architectonische vormgeving geïnspireerd ? Een antwoord op deze vraag is wel moeilijker te achterhalen. Toch kunnen wij aanstippen, dat Rubens bevriend was met Aguilon, voor wiens boek over de optica hij ontwerpen voor de illustraties tekende. Het lijkt dan ook niet uitgesloten dat deze laatste met de schilder zijn projecten heeft besproken, en zich door hem liet beraden. Evenmin als Huyssens, zijn medewerker en opvolger, had Aguilon Italië bezocht. Geen van beiden had dus de Laat-Renaissance en vroege Barokkerken gezien, waarop nochtans de Sint-Carolus-Borromeuskerk ten dele is geïnspireerd. Rubens daarentegen verbleef acht jaar op het Schiereiland, en het is bekend dat hij zich daar ook voor de architectuur interesseerde. De vraag kan dan ook worden gesteld of de Antwerpse jezuïetenkerk, die ten overstaan van die Italiaanse voorbeelden zelfs in sommige opzichten een stap voorwaarts betekent in de ontwikkeling van de Barokbouwkunst, ooit zonder zijn medewerking het plechtstatig, weelderig en plastisch-decoratief uitzicht zou hebben verkregen dat ze thans nog bezit, en waardoor ze ook een unieke plaats inneemt in de architectuurgeschiedenis van ons land.

 

Frans Baudouin,

Conservator van de Kunsthistorische Musea van de Stad Antwerpen.